Het werd een zonderling schuw leven die eerste week op de Ruysdaelkade.
De „man” wàs in de stad, de-man-van-het-kontrakt, de maatschappelijke
man, de eigenaar. Georgine had hem op de tram zien staan. Ze was er
zèker van. Als maar even gescheld werd, schoof zij geagiteerd naar de
neerhangende, tulle gordijnen, luisterde angstig aan de kamerdeur om ’t
stemgeluid te herkennen. Het „huis” was op haar hand. Wij hadden de
voorkamer éénhoog. De achterkamer, dito, werd door de ouwe vriendin van
schoonmama, juffrouw Perron, bewoond. Op de gedrukte omslagen van een
artistenblaadje waarop zij geabonneerd was, stond Madame Veuve Perron.
Zij verhuurde kamers aan „artisten”, zag er uit als een net
burgervrouwtje, klein, mager, zwart, met de levendigheid eener
française die veel van de wereld gezien heeft. Haar eene dochter
Amélie, zwaar teringachtig, werd geminteneerd door ’n tabaksmakelaar,
de andere dochter Sophie was „op kamers gezet” door ’n rijken
assuradeur. Charles, de zoon, een bleeke jongen van ’n jaar of twintig,
reisde in toiletartikelen. Meest zat hij bij mama thuis, lui,
geld-leenend van zijn zusters Amélie en Sophie. Madame Veuve Perron
kreeg van de twee dochters sàmen vier gulden per week, waarmee ze haar
huur kon betalen. Meer „deden” de dochters er niet aan. Kwam Amélietje
bij mama eten, wat ze meestal dee als de tabaksmakelaar op reis was,
dan droeg ze een kwartje bij voor ’t dinèr.
„Ze stinke van gierigheid,” zei Madame Veuve Perron in vertrouwelijke
buien tot Georgine: „Je mot is bij ze thuis komme! Amélietje heeft me
’n ameublementje. Oe! Oe! Chic hoor! Tout ce qu’il y a de plus chic! En
alles op háár naam. Maar bij Sophie daar slaat je de pracht tegen! Die
heeft ’n héél benejehuis in ’t Sarphatipark. Dáár moet je een
salonnetje zien! Jawel. Twee meiden, ’n keukenmeid en ’n kamermeid! ’k
Ben ’r is eens geweest toen d’r heer niet thuis was. Je begrijpt da’k
’r niet komme kan als die heer ’r is. Nee, niet graag hoor. Perron zou
zich in zijn graf omdraaie als-ie ’t zag. Was Perron ’n fatsoenlijk
man, Georgine? ’n Gentleman, hè? Ja, die zou zich in z’n graf
omdraaie... Maar wat kan ik ’r an doen?... Ik kan ze toch niet an
touwtjes vasthoue!... Vrouwen van díé leeftijd... En wat voor
vastigheid hebbe ze nou? Ze hebbe ’t góéd, da’s waar... Sophie heeft
honderd gulden in de week, Amélie tachtig buiten de cadeau’s.—Laatst
heeft de heer van Amélie ’n collier voor haar meegebracht daar wor je
gewoon verblind van... En dan zoo stinkend gierig! Wat ze maar kenne
spare, legge ze op de spaarbank... ’k Weet niet hoeveel Amélie al heeft
staan... En dàn spele ze nog twee hande op één buik met d’r
kruijenier... Wat interessant, hè, om je heer zoo af te zette!...
Vorige maand had ze maar dertig gulden kruijeniersware gehad, die
Sophie, en ze heeft d’r kruijenier tachtig late opschrijve. Die
verdient ’r natuurlijk ook an... En voor d’r moeder valle ze dood op ’n
cent!... Als ’k niet te vrete had zoue ze me zoo late verhongere. Zijn
me dat dóchters, die ’n moeder twee gulden in de week afdrage?... En ’n
kwartje as ze komme dineere!...”
Charles sprak van zijn „zuster-in-de-tabak” en van zijn
„zuster-in-assuranties”. Hij had ’r slag van om ze geld af te zetten,
ging op visite, léénde. Amélietje en Sophietje waren bang voor
macraud-broer.
Twééhoog woonde ’n hoer-in-ruste uit de Nes, die respectabel „getrouwd”
was met ’n verhuurder van fietsen. Hij was meestal uit. Zij,
huisvriendin van Madame Veuve Perron, gilde hoeregìlachtig-luidruchtig
om de geringste aardigheid van Charles. Leentje Plas had ’n gezicht van
enkel grove goedhartigheid, bolle koonen, mopneus met wijd uitstaande
neusgaten, sterk ontwikkelde lipgleuf, vette lichaamsgezetheid. Den
eersten dag was ze al „vriendin” met Georgine, kwam koffiedrinken,
schaterde druk, smeet ’r uit wat ’r voor haar mond kwam, vulde de kamer
met turbulant grof lawaai. Dat verblufte Georgine, hield haar bezig.
„Zit goddoome niet zoo labberkakkig te kijke, juffrouw!... Je mot je
niks antrekke! Laat-ie maar komme an je kindere as-ie durft... ’k Giet
’m me pispot op z’n kop.”
Het was de oude, ruwe, eerlijke hoeren- en kabotijnstoon, dien Georgine
vreemd vond nu ze kwam uit dat stille kamertje van Doedelaar, waar zij
langzaam dat plompe spreken ontwend was.
Driehoog woonden onzichtbaren, ’n juffrouw die jàren in scheiding pro
deo lag. ’t Duurde wat lang—God houdt van komieke advocatenzaakjes, pro
Deo, prò Deò—; nu verhuurde zij kamers om niet te verhongeren. Ze had
twee internen, ’n „zusterlid” van de eerzame Terp uit de Nes, waar
vrouwen bordeelopleiding ontvangen, èn ’n ouwen man met waterbeenen,
die de trappen niet meer af kon en z’n dood afwachtte, kijkend
dag-aan-dag naar ’t gewalm van de waskaarsen-fabriek.
Het „huis”—een, twee, driehoog—was op de hand van Georgine. Er was eene
vreemdsoortige, wel-aandoenlijke toenadering tusschen de
uitgestootenen, band van hààt tegenover de buitenwereld. Mij kenden ze
niet. Om bij elkander te blijven—na het advies van den correcten
advocaat, om te vechten voor de kinderen—deden wij vies-listig, als
wijze, voorzichtige joodjes. Overdag bleef ik weg, at in de gaarkeuken
om geld te besparen, werkte op het kamertje van Scherp en tegen den
avond, tegen tien uur, als ’n dief, rondkijkend of ’k niet bespied
werd, of ’r geen spionnen stonden, schoof ’k langs den huizenkant naar
de Ruysdaelkade. Daar keek ik in elke deur-nis of ’r niemand loerde,
liep het huis voorbij, keek in de verder gelegen portiekjes en éérst
dàn nam ik het midden der kade, floot heel zachtjes het refrein uit
Lohengrin: „Nie sollst du mich befragen”... ’r Kwam een schaduw achter
de tulle gordijnen, de schaduw verdween en voorzichtig trok het koord
de deur open. In ’t portaal luisterde ik of ’r niemand in de gangen
was, deê m’n laarzen uit en op m’n kousen, voet voor voet, ophoudend
als ’n tree kraakte, sloop ik naar boven, de gang door, de kamer in.
Zoo ging het avond aan avond. Juffrouw Perron vermoedde alles, ’s
morgens mocht ze niet binnenkomen, ’s avonds moest ze twéé vorken, twéé
messen, van àlles twéé geven—maar ze hád geen, wìlde geen „bewijzen”.
Voor de rechtbank zou ze een ééd kunnen doen. Nooit zag ze het minste.
Het was gerechtelijk in orde. We deeën het zooals fatsoenlijke menschen
het doen. Wij gaven niemand aanstoot. Ik was de heer. De betalende. Zij
de mintienee. De heer kwam voor de bijslaap, ontbeet, ging schuw heen
voor de buitenwereld (de heer z’n naam, de heer z’n stand, de heer z’n
reputatie). De mintienee, die zoo gek was, verliefd op haar mijnheer te
zijn, bracht dagen in trage verveling door, uitziend naar den avond.
Het was maatschappelijk en règle. Bourgeoisie-gehoereer.
Bourgeoisie-ontucht. Een lichaam tegen betaling van kamerhuur, natje en
droogje.
De avonden werden van angstig nachtuilenbeweeg. Buiten het zachte
gefluit, de schaduw achter de tullen gordijnen, het trap-opsluipen, het
fluisteren in de kamer. Als de alkoofdeuren dicht waren konden we
schuchter spreken. In bed, tegen het beschot van de achterkamer,
dùrfden we niet, dempten de stemmen onder de dekens, schrikte de
donkerte der kamer van een niet ingehouden kusgeluid, van het gekraak
van ’n bedveer. Het waren nachten van wakker-liggen, beluistring der
geluiden-buiten. Als een deur dichtsloeg schrikte Georgine, gespannen
van luistring. Voetstappen op de eenzame kade deden ons liggen met
inhouden van adem. Als we tòch verrast werden? Als de màn er was? Wat
dan? Wat dàn? En in het nauwe, slechte, éénpersoonsbed verwoelden we de
uren tot de morgen ’n loomen, doffen slaap gaf. Het maakte ons kapot.
Zij zag er wit uit, met kringen van zwakte onder de oogen. Ik lag
overdag in ’t kamertje van Scherp, moe, lustloos, òp, met groote
wanhoop-van-leven.
Toen kwam dè dag, de dag dien ’k nooit vergeet.
’s Morgens half tien werd ’k wakker gemaakt door stemmen naast an.
Madame Veuve Perron was aan ’t praten met hare dochter Amélie, met haar
zoon Charles. Kaatje en Toosje speelden in de gang. Ik hoorde ongeveer
dit gesprek:
Veuve Perron: Kom binne!
Charles: Dààààg tabak-Amélie!
Amélie: Schei nou uit met je aardighede, snotneus! O mama ik voel me
zoo beroerd.
Veuve Perron: Wat hèb je dan?
Amélie: Wéér bloed opgegeve.
Charles: Jij zal te zwaar leven met je tabak.
Amélie:... En zoo’n ròtsmaak als ’k ’r van in me mond heb, mama...
Zoo’n schrikkelijke rotsmaak.
Veuve Perron: Je ziet ’r toch goed uit, niewaar Charles?
Charles: ’k Zeg toch al dat ze te zwaar leeft. Sophie maakt zich niet
kapot voor d’r assurantie.
Amélie: Ik voel me zoo licht, zoo hoe-zal-’k-’t-zegge... En dan die
rótsmaak... Bloedopgeve is niks... maar die rótsmaak...
Veuve Perron: Je moest elke morge op je nuchtere maag ’n glas port met
’n geklutst ei drinke.
Charles: Dat moet je hààr zegge. Ze geeft ’n rooie cent voor d’r zelf
uit!
Amélie: Daar heb jij dan toch niet over te klage. Heb ’k je niet pas
vijf en twintig gulde gegeve?
Charles: Gelèènd, hè?—van jóú neem ’k niks an.
Amélie: Hij neemt niks an! Hij neemt niks an! Wat geef jij ooit terùg?
Charles: Wat ik léén dat krijg je terug!... Ik mot geen cente van jòùw
fluim van ’n kerel hebbe... Ik leg niet op me rug om me kost te
verdiene.
Amélie: Daar zou jij ook ’n smoel voor hebbe!
Charles: Mijn gat zou zich nog altijd sjeneere als ’t jòùw gezicht had!
Hohoho! Hohoho!...
Amélie: Stik voor mijn part!... Wat heb ’k met jóú te make!
Veuve Perron: Laat ’r nou met rust, Charles.—Waarom mot ’r altijd mòt
zijn... En praat niet zoo hard voor Georgine.
Amélie: Mag je hier niet meer prate?—’t Is toch nou geen tijd om op je
bed te legge.
Veuve Perron: Suscht nou! ’k Glóóf dat d’r heer d’r is.
Amélie: D’r heer! D’r heer! Zeg maar d’r makkro!
Veuve Perron: Hé! Hé! Praat wat zachies—’t Mot ’n heele nette heer
zijn. Zij is razend met ’m. Cente heeft-ie niet. Mot je ook cente hebbe
om gelukkig te zijn? Had je vader cente?
Amélie: Late we dáár nou niet over spreke mama! ’n Kat die je niet
knijpt schreeuwt niet... Als ù maar weet dat hij zich door háár laat
onderhoue...
Charles: Ach je lùlt!
Amélie: Lùl ik? Hoor u dat mama?: hij zegt da ’k lúl!... Ik zeg je,
da’k weet dat hij geleefd heeft van wat d’r man uit Amerika elke week
zond en van wat zij met zinge verdiende.
Charles: En àls-ie ’t doet? Wat gaat ’t jóú dan an? Jij voert toch ook
geen verdommenis uit! Waarom júllie alleen?
Amélie: Ja, jòù zou zoo’n baantje wel bevalle, hè? Zoo’n baantje van
kutvreter!
Charles: Als ’k me kans maar schoon zag! Hohoho! hohoho!...
Veuve Perron: Scheie jullie toch uit met jullie kinderachtig gekwebbel!
D’r is niks van an, kind. Georgine het me verteld dat hij veel geld
verdient, zooveel as-die maar wil.
Amélie: Dat liegt ze.
Veuve Perron: In ellek geval heb ik veertien dage vooruit gekrege en
kan ’k met de week opzegge.
Amélie: Ik heb mevrouw Stengevis gesproken mama—u weet wel, die ’t
jongste kind twee jaar gehad heeft, en die heeft me schàndelijke dinge
verteld. Ze mot zóò de hoer hebbe gespeeld met Jan en alleman dat j’r
versteld van staat. En wat ’n schooier van ’n kerel om van hààr te leve
en van de cente van d’r man in Amerika!
Charles: Allemaal gelul! Kwaadsprekerij.
Amélie: En weet u waarom ’k hier gekomme ben, mama?
Veuve Perron: Nee, dat weet ik natuurlijk niet.
Amélie: Gisteravond waren Sophie en d’r man bij ons...
Charles: O, je assurantie-zwager?
Amélie: Hou nou is èffen op—je maakt me misselijk, zeg!... en toen kwam
’t gesprek op wat hier an huis gebeurt, en toen zei de man van Sophie
dat-ie niet wou dat ze hier an huis kwam, zoolang hier ’n getrouwde
vrouw met ’n anderen man leefde—god-allemachtig: ’n vrouw met twéé
kindere!—Waar haalt ze de brutaliteit vandaan?—Toen zei mijn man da’k
ook niet meer naar u toe mocht... God, mama, u heb toch altijd uw
kamers fatsoenlijk kunne verhure an artiste: wil u dan met geweld uw
goeie naam wegsmijte?... Strakkies heb u kans van schandaal voor uw
deur als die diamantsmaus op komt zette!... Ik zeg u da’k níét meer bij
u kom eten en Sophie ook niet. Wij wille niet met die hoer an ’n zelfde
tafel zitte...
Charles: Godverdomme wat ’n kak! De dames wille niet meer komme dineere
voor ’n kwartje! Nou zijn we gesjogte, mama!
Veuve Perron (schuchter): Wat kan ’t jullie nou schele? Ik heb de kamer
an Georgine verhuurd en ’r gebeurt, voor zoover ik weet, niks
ònfatsoenlijks. Is Georgine netjes of niet, Charles?
Charles: Wel ja! Ik kan die verdomde kak niet uitstaan. Zij hóúdt van
d’r minteneur en jullie niet. Da’s ’t onderscheid en verder ontloope
jullie mekaar geen flikker!
Amélie: Ik ben ’n vrije meid en als ’k morge de dag met Van Balen wil
trouwe dan tróúwt-ie me! Ik stel me niet op gelijke lijn met dat
schepsel. Wat zeg u, mama? Verbeel je!
Veuve Perron: Ja, dáár heeft Amélie nou weer gelijk in.
Amélie:... En als Sophie en ik u met moeite in uw huur tegemoet komme,
mama, dan wille we toch ook ’n woordje meeprate over ’t verhure van de
kamers. U zou ’r wel ’n rendeevoe van kenne make.
Veuve Perron (schuchter): Wat ben je overdreve! Georgine betaalt me
goed. Ik heb veertien dage vooruit. Ze klaagt niet over de kost en...
én... ze is toch ’t kind van me ouwe vriendin. Hebbe jullie niet met ’r
schoolgegaan als kleine kindere?
Amélie: Vroegere vriendin! God, mama, wat ’n gekles! Heb-u zóóveel
vrindschap van die juffrouw Casper ondervonde? Geld leene en geld
leene. U mot nóg geld van d’r hebbe van voor tien jaar. Van zóó’n
partijtrekken snap ik de kloote.
Veuve Perron: Ja, da’s waar.
Amélie: En u weet drómmels goed, dat die vent nòù bij d’r is. Strakkies
heb u ’t zelf gezegd.
Veuve Perron: Heb ik dat gezegd? Hoe kàn ik dat gezegd hebbe? Hoe wòù
ik dat gezegd hebbe? Ze gaat ’s avonds naar bed en meer weet ik niet.
Amélie: Waarom loope de kindere dan alleen op de gang?
Veuve Perron: D’r staat ’n éénpersoonsbed in de alkoof.—Nou? Nou?
Amélie (proestend): Goddorie die vin ’k goed! Slapen ze op ’t bed van
Charles?
Veuve Perron: Hou toch ’n beetje je bek!
Amélie: Nou ga ik is an ’t beschot luistere.
Zacht frou-frou van kleeren aan de andere zij van ’t beschot.
Charles: Toe, schei nou uit met je geneuk! Jullie scheppe hier de
peentjes op alsof je wònder wat inbrengt. Jij ben toch ook maar de
betaalde hoer van Van Balen!
Veuve Perron: Nóú, nou, nòù, Charles!
Charles: Wel ja, wat bliksem!
Veuve Perron: Stil. Daar is Leentje van boven.
Geklop aan de andere deur.
Veuve Perron: Binne!
Leentje Plas (schreeuwerig): Kijk ik is.... Zoo Amélie, bè-jij daar?
Wat zit je al vroeg in je zij!.... Kijk ik me is ’n schelvissies
gekocht hebbe!.... Wat denk je da’k ’r voor betaald heb?
Charles: Vier schelvissies.... ’t Zijn magere hoor!.... Twee dubbeltjes
bij mekaar.
Leentje Plas: Ben je besodemieterd! Twee dubbeltjes!.... Zulleke
schelvisse als jij, god zal me krake: Hahaha! Hàhaha-a-a!
Veuve Perron: Daar mag je vijf en zeventig cente voor betaald hebbe.
Leentje Plas: Nee. Geen cent meer as vijftig cent of ’k mag hier dood
blijve zitte.
Charles: Wat mot jij met víér heele schelvisse doen, Leen? Wille jullie
je ’n beroerte vrete?
Leentje Plas: Daar doen we twéé dage mee. Om twaalf uur maggie ’n
boterhammetje met lèver bij me komme hale as je zóét ben, hoor! Hahaha!
Charles: Leen kan jij zien wat ’n mannetjes en wat ’n vrouwtjesschelvis
is?
Leentje Plas: Ach, verrek! Ze hebbe àllemaal pikkies! Hahaha! Hàhaha!
Charles: Nee! ’n Wijf-ie drijft met d’r buik bòven as ze dood is!
Hohoho!
Leentje Plas: Háhaha! Háhaha.... Dan ben ik ook ... hàhaha! ... dan ben
ik ... hàhaha! ... dan ben ik ’s nachts in me bed ook ’n dooie
schelvisch! Hàhàhà! Hàhàhà!
Veuve Perron: Hou toch ’n beetje je gemak. Georgine slaapt nog!
Leentje Plas: Slaapt ze nog? Wacht ’k zal ’r is optrommele. O nee, hè?
Da’s waar òòk!
Amélie: Ziet u wel, mama, da’k gelijk heb. Juffrouw Plas weet ’t óók
al.
Leentje Plas: Wat heb jij nóú weer, zijje madam?
Amélie: Mijn man en die van Sophie wille niet meer dat we hier an huis
komme, zoolang mama die Georgine logeert. Zeg nou is je opinie,
juffrouw Plas. Zal niet elkeen ’r schande van spreke die ’t hoort—je
kamer verhure an ’n getrouwde vrouw met twee kindere die ’t met ’n
ander houdt?
Leentje Plas: Wou jij hebbe dat alle getrouwde vrouwe, die ’t lekker
vinde om is met ’n ander naar bed te gaan, op ’t politieburo moste
slape? Háhàhà! Nee, díé is goed! Wat steekt ’r voor schande in? Bèn jij
belazerd! Wat hebbe die kerels van jullie ’n kouwe kak op d’r lijf!
Amélie: Wees u nou asjeblief niet zoo ordinair.
Leentje Plas: ’n Drol an me hiel! Wat jij, Charles! Wat gaat jouw
Georgine an! Als elk zich bemoeit met z’n eige vuil komme d’r geen
groote hoope!
Amélie: Nou, mama, ik heb ’t u gezegd. Wij geve u niet meer an de huur,
als u ... als u ... enfin u wéét ’t.... Is dàt schoon water?.... ’k Heb
weer zoo’n rotsmaak in me mond.
Charles: Wij late ons geen wette voorschrijve—ben jij bedonderd!
Veuve Perron: Stil nou, Charles, maak nou geen onnoodige ruzie.
Leentje Plas: Kom-ie strakkies je boterhammetje hale, Sjarles?
Charles: Ja, èngel.
Leentje Plas: Goed, schat.
Charles: Dag, rozeknop!
Leentje Plas: Verrèk! Rozeknop! Zeg liever blomkool! Háhaha! Hàhaha!
Rozeknop! ’n Rozeknop in me aars! Hàhàhà!
Georgine werd wakker van ’t gelach. Haar oogen, groot in het witte
gezicht, keken slaapdronken rond.
„Dag Alf! Da-à-àg....”
„Suscht! Suscht voor de mense in de andere kamer.”
„O ja.”
Ze stond op, kleedde zich half aan, liep naar achter om water te halen.
Met ’t hoofd in ’t kussen, moe, toch-glimlachend, luisterde ik weer.
Leentje Plas: Zoo, Sorsien! Bè-je al op! Amélie wou je goeie morrege
segge.
Amélie: Dag Georgien. Hoe maak jij ’t?
Georgine: Bèst en met jou?
Amélie: Beroerd. ’k Geef bloed op.
Georgine: Tètètètè. Maggie wel mee oppasse. Je ziet ’r anders góéd uit.
Amélie: Jij ook. Je bent dik geworden. Stengevis heeft gister je man
gesproke.
Georgine: Ze wist toch niet da’k hier woon?
Amélie: Wel nee. ’k Ga effen mee naar je kamer, zèg.
Georgine: Nee. De boel is niet opgeruimd.
Amélie (scharrelend): Wat kan mij dat schele, ’k heb wel is meer
slaapkamers gezien.
Georgine: Nee, je kan nou niet binnekomme.... ’t Is zoo vies ...
strakkìès.
Amélie: ’k Zal niet rondkijke.
Leentje Plas: Goddoome wat sta jij de mense toch te belazere! Ze heeft
nog niks anders gedaan dan kwaad van je spreke, Sorsien! ’k Kan dat
gemier goddoome niet ankijke!
Georgine: Wát voor kwaad?
Amélie: Ach, dat liegt ze.
Leentje Plas: ’k Geef je zóó ’n slag in je smoel als je ’t wéér zegt,
gepoeierd schijthuis!.... ’k Zal je strakkies wel alles vertelle
Sorsien.... Is me dat ’n flapdrol van ’n meid! Jij ben me ’n sekreet
hoor! Jassus!
De deur flapte dicht. Er was even stilte terwijl het water in de kan
liep. Dan weer de stemmen:
Amélie: Mama hoe kan u dat ordinaire schepsel toch in godsnaam
ontvangen. Geen wòòrd heb ik in je nadeel gezegd, Georgien—geen woord.
Georgine: Of ’r wat meer of wat minder over me gekletst wordt, daar
geef ik niet dàt om! Laat u wat worst en wat eiere hale, juffrouw
Perron? Haal u d’r maar zes en ’n stukkie kaas.
Veuve Perron: Kan je me nog an ’n daalder hellepe, Georgine?
Charles: Mama heeft de sleutel van d’r brandkast gisteravond bij Van
Laar, nee ’t was bij Riche, verlore!
Georgine: Hè wat ’n mop! Hahaha! ’k Zal even ’n daalder hale. Nee
Amélie, ’k kan je nou niet hebbe. Strakkies. Dag!
Amélie: Dag! De complimenten!
Georgine: An wie?
Amélie: An ... an ... nou as je zeker iemand is tegenkomt....
Ik was opgestaan, keek door de tulle gordijnen naar de regenachtige
straat, naar de stinkgracht, naar de waskaarsen-fabriek. Georgine lei
de kachel aan. In melankolieke ziening der dingen, ’t voorhoofd tegen
’t gordijn, soesde ik lang. Roetachtig, log, vaal van vormen in de
grauwe regenlucht, hijgde de platte fabriek haar traag-bruine walmen.
De hooge pijp-schoorsteen braakte rookrige kwallen; uit een zijpijp met
hortende rukken siste de stoomdamp. Over het opene veld lagen de
glimmende tonnen, zwaar van natte vetbuiken, op de binnenplaats spatte
het water uit klakkende goten. Het overhaal-pontje stroef aan den
ketting bewoog. Alles was loom-van-triestigheid. Roetbonkingen dwaalden
het dak om, tonnen buikten in plassen.... Nou had je ’n man op de
plaats.... Kijkt-ie is trappen in ’t water....—als-ie maar hééle
schoenen heeft—anders natte kousen—natte voeten—z’n buis wordt
zwart—kijk ’m nou staan, nou stáán.... Wat mot-ie? Ja, wat mòt-ie? Zoo
nat. Zoo nat. Wat is dat allemaal nat. Wat is die plaats nat. Wat zijn
die dakpannen nat. Wat zijn die tonnen nat.—Wat doet-ie nou?.... Hij
mot ’n ton hebben.—Nee, hij mot in de schuit wezen.—Wat gaat-ie in de
schuit doen?—Wat doet-ie?—Nou strijkt-ie z’n broek af.—Koud, om zoo te
zitte.—Kijk de regen spettren in ’t water—’n tip van z’n hemd.—Wat is
die schuit nat.—Zit-ie zoo maar in ’t water?—Doe je ook niet voor je
pleizier.—Nou trekt-ie z’n broek op.—Z’n eene bretel—z’n andre
bretel—gek—komiek.—Nou weer over de plaats.—Wat trapt-ie in
plassen.—Voorbij de dakgoot.—Deur open—Deur open.—Deur dicht.—Niks
meer.—Wat kruipt dat allemaal uit de aarde op, uit de natte, zwarte,
vertrapte aarde.—De fabriek kruipt uit de aarde, de schoorsteen, de
tonnen—alles kruipt uit de aarde, uit de nàtte, zwarte ààrde, uit ’t
zwarte, gore water, uit de aarde èn ’t water.—Wat is ’t allemaal
nát—allemaal zwàrt.—De grond is nat—de steenen zijn zwart,—de daken
zijn nat—de schoorsteen is nat—de rook is nat—de tonnen zijn nat—’t
overhaalpontje is nat.—Wat ’n nat Beest... Kijk dat Beest hijgen.—O wat
is alles zwart en nat.—Wat spet de regen in de sloot.—Wat tikkelt ’t in
de regenplassen op straat.—Wat ’n zwarte modder.—Wat ’n natte
lantarenpaal.—Wat ’n natte takken.—Wat loopt die
goot—tèk-tèk-tèk-tèk—O—wat slaat ’t nat en zwart terug—wat kletst ’t
aan tegen je oogen, tegen je warme lijf—wat dompt ’t je in
stilkijken—wat smeult ’t in je op als nat-brandende, stikkende
spaanders—wat bekruipt ’t je met zwarte inertie.... Wat is ’t allemaal
dierlijk, leelijk nàt, nàt—hoe komt ’t zoo nàt....
„Alf!”
„Ja-a.”
„Wat is ’r?”
„Niks.”
„Waar denk je an?”
„An niks.”
„Je denkt wèl an wat.”—Haar handen vuil van ’t kachelanmaken, slaat ze
hartstochtelijk om mijn hals: „Waar dàcht je an? Waar dènk je an?”
„An niks, Mol.”
„Da’s niet waar. Da’s níét waar! Je hebt verdriet. Je wil van me af! Je
wil van me af!.... Wij zijn je te veel!”
„Wie, wij?”
„Ik. De kindere. Ach toe, zèg dat ’t niet waar is.”
„Lieve snoet, ’t weer maakt je triestig. Ik dacht an niks bijzonders.”
„Dat zèg je maar. Dat zèg je maar. Ach ik heb zoo’n meelij met jou,
maar ’k kan ’r toch niks an doen.”
„Wel nee. Jij ben mijn vrouw, mijn vrouw. Niet zoo’n gezicht zetten.
Vroolijk! Vroolijk! Zijn wij jònge menschen? Wij lijken wel afgeleefde
ouwetjes!”
„Wees jij dan ook wat vroolijk...”
„Ben ik niet vroolijk? Wacht ’k zal is even ’n hoogstand make. D’r is
te weinig bloed in m’n hersens.”
„Wat ben jij ’n gemeenert! Zóó met je bloote beenen in de hoogte!
Hahaha!”
„Je ziet da’k ’m nog dóé! D’r zit nog fut in me spieren. Laat ze maar
opkommen!... Ik wil de kinderen strakkies híér hebben, hoor je?”
„... De kindere? Wat begin je nou?”
„’t Kan me niet schelen. ’k Heb Ka in geen tien dagen gezien. Ze moeten
met ons koffie drinken. ’k Zou zoo wel bij ze willen gaan! Wat spelen
ze?”
„Keukentje... Maar Alf—hoe kom je daar nou op!... Heeft niet de
advocaat...”
„Laat mij maar gaan! Laat mij maar gaan! Als ’k gekleed ben ga ’k
stilletjes weg en bel weer an. Dan zeg jij an Perron dat ’r ’n heer
blijft ontbijte en dan ga ’k nà ’t ontbijt weg. Mag ik niet op
klaarlichten dag ’n visite bij je make? O zoo! O zoo! Trala! Hoe is me
uitvinding? Ben ’k niet geboren om advocaat te worden?”
„Als je ’t maar weet.”
„Ja ik wéét ’t, Mol, dikke Mol, vette Mol! Willen w’ is dansen?”
„God, wat ben jij in eens uitgelaten...”
Met z’n viertjes zaten we te ontbijten. Ka met haar kuitje op mijn
knie. Veuve Perron lief, beleefd, was al driemaal binnen geweest om me
te zíén. We hadden ’n feestmaal van worst, eieren en ’n blikkie
sardines, da’k was wezen koopen. Leentje Plas kwam beneden met ’n
bordje warme gebakken schelvisch, goedhartig, nábabbelend,
ruw-van-lach. De kinderen smulden. Ka had schelvisch, sardientjes,
worst en een gebakken ei op haar bordje. En als een heerlijke,
schaterende zonneplassing doorbabbelden de kinderstemmetjes de kamer,
druk, schelletjes, blij-dat-ze-zoo-lekker-aten.
„Ga u nou weer weg, oome?”
„Strakkies.”
„Hou u dan niet meer van ons?”
„Ik hou zooveel van je als van taart, als van koek—als van
bruidsuikers—als van chocola!—Nou? Hou ’k nou van je? Maar hou jij van
mij, Ka?”
„Nou-nou,” zei ’t volle mondje.
„Hoeveel?”
„Zooveel als van—als van—als van mamma.”
„Maar hòù je veel van mamma?”
„Nou-ou!”
„En jij Toos?”
Toos kon niet praten. Haar mond was te vol.
„Wat stop jij die kindere, Alf!”
„Nou wil ik! Onze bankjes zijn nog lang niet op!... Hou je van mamma,
Toos?”
„Ja, oome.”
„O mamma wil ik u is wat vertelle? Oome Sjarles die het gezegd”...
„Je mag niet klikke, Ka.”
„Nou-ou as-die zegt da’k zoo léélijk ben”...
„Dat ben je ook.”
„Niewaar, Ka.”
„Waarom magge we nou ’s morges niet binnekomme?”
„Omdat mamma slape mot.”
„Nou-ou vroeger lag u toch altijd bij mamma”...
„Zeg d’r nou Alf dat ze dat nìèt meer zegt—zoo’n kind zou alles kunnen
verklappen.”
„Néé. ’k Leer ’r niet liegen.”
„Wat ’n onzin! Mot ze dan an elkeen”...
„Laat ’r maar babbele... wat hebbe jullie gespeeld, jonges?”
„Keuketje.”
„En schooltje”...
„’k Heb d’r versies geleerd, oome.”
„Heb jij an Toos versies geleerd? Wat ’n knappe meid.”
„Mag ze is opzegge, mamma?”
„Ja, zeg jij is op dikke To.”
„Nee-ee. Nee-ee. ’k Heb nog zoo’n hònger.”
„Laat ’r dan eerst maar ete. Wat èèt dat kind. Wat eet dat kind!”
„Ik heb óok honger, mamma.”
„Hoe komme jullie zoo te ete! Beware wat ète die kindere!”
„’s Middags krijge ze ook niet te veel. Je moet de porties vleesch is
zien! Om zoo van je bord te blaze.”
„Proost, Ka.”
„Proost, oome.”
Het was de ouwe aardigheid om met de kopjes „te klinken”. Toos wou ’t
dan ook.
„Proost, oome.”
„Proost, Toos.”
Met haar schelle kinderstemmetjes babbelden ze tusschen ’t eten door,
tot Toos haar versje opzei.
„Nou mot u is hoore, mamma”....
„Nou dan.”
„U... u... u...”
„Hè, ze weet ’t niet meer, oome. Zal ik ’t is doen?”
„Nee. Toos moet ’t doen. Zeg maar de eerste regel.”
„D’r ware drie eendjes in ’n pontje... Nou, weet je ’t nou verder,
Toosie?”
„Ja. Jà-a-a! Jà, kind,” zei Toos beleedigd en met het eiermondje begon
ze:
„D’r waren is drie eendjes op ’n pontje
’t Eene dat hiette Bòntje
’t Tweede dat hiette...”
„Gontje...”
„Ja, kind. Ik weet ’t wel!...
„’t Tweede dat hiette Gòntje
En ’t derde klisklasklepeldeklontje
En dat vond is ’n klontje
En die wou ’t niet geve an Bòntje”...
„God, god, wat ben jij toch óók ’n engel van ’n kind,” zei Georgine,
Toos in eens beetpakkend en haar vertroetelend.
„Ik ben nog niet klaar, mamma!”
„Ze is nog niet klaar! Wat ben je toch dom Georgine! Hoor je dat dan
niet! Ze is nog niet klaar!”
„... Enne toen... enne toen:
„En toen nam Bontje ’n steen,
En gooide d’r mee naar klisklasklepeldeklontjes been
Wel foei, Bóntje!” zei Gòntje
Neem jij ’n steen??
En gooi je d’r mee na klisklasklepeldeklontjes been???”...
„Prachtig! Heel mooi!”
En nou ikke ’n versie, hè oome?”
Ja. Nòù Ka!”
Ons aankijkend met haar teerblauwe oogen, lacherig, draaiend met ’t
pinkje, haar teer pinkje, zei ze háár versje, ’t versje dat ons dee
denken aan de benauwde angstnachten toen ze ziek lag.
„D’r was is ’n mannetje dat was niet wijs.
Dat bouwde z’n huissie al op ’t ijs
’t Begon te dooie en niet te vrìèzè
Toen most-ie z’n huissie ver-lie-ze”...
„Weet je wie dat mannetje is, Ka?”
„Nou-ou.”
„Da’s oome... Dat ben ik”...
„Hè! Niewaar! Sliep uit! Sliep uit! U mag niet jokke”...
„Nee. Dat mag ’k net niet”...
„En nou ìk weer ’n versie, hè oome?”
„Ja. Nou Toos-ie. Maar ’n móói versie”...
En weer klepelde ’t falsetstemmetje, zilver van inzet, kleurig als
kristal in zonlicht...
„Bom-Bam-Beiere...
De poes die lus geen eiere...
Wat lus ons poessie dan...
Spek uit de pan...
Daar wordt ’t poessie vèt van...”
„Heel mooi! Heel mooi!”
„En nou ikke, hè, mamma—Luister u nou oome”...
Maar ’r kwam ’n brief met de post, uit Den Haag, van Georgine’s moeder.
Het was weer ’n typische komma-, punt- en hoofdletter-looze brief.
Den Haag.
Waarde lieve georgine ge zult wel zegge mijn moeder is ook een
mooije we ontvangen haar zoo goed en nu krijgen we geen taal of
teeken wat ondankbaar hè maar georginelief ik kon je niet alle
treurige dingen schrijven en dus heb ik nog maar een beetje gewacht
eerstens was ik de heele week ziek zoodat ik in bed moest blijven
en tot overmaat van ramp was ik ongerust omdat die jan en die door
niet goed harmoneere, lieve georgiene als die izaak maar niets doet
hij was zoo driftig en as je an die heer maar vastigheid heb lieve
georgine ziet eens een paar dagen over te komen ik denk tusschen
beide gek te worden als ik alles zoo nadenk dan zou ik het wel
wille uitgille bij wie moet ik gaan klaagen ik heb niets meer jan
en door lewe als kat en hond en wij moeten nog van hun eten want je
pa die heeft nog niks om hande pa is met alles onverschillig hij is
de heele dag weg en als hij te huis komt hoef ik je niets te
vertellen daarbij komt nog dat pa tegenwoordig aan ’t sukelen is
met jicht die ken haast niet loope ja ik heb wel een goede oude dag
juist als je kinderen het meeste noodig hebt ben je van alles
verlaate ik heb al teege pa gezegt als alfred soms een baantje voor
hem heb al is het maar om voor te koome pa zegt dat izaak niets
doen zal dat hij blij zal zijn om van alles af te koome
georginelief stuur mij die paar cente van dat manteltje ik zou je
er niet om vraage maar je weet wij zijn er om verleege schrijf nu
dadelijk antwoord en doet de hartelijke groette an alfred en
vergeef mij mijn gekriebel krabel maar ik ben in het kort zoo
zeeneewachtig dat ik haast geen pen in mijn hand kan houde nu
nogmaals gekust en omhelst van je liefhebbende ouders en van je
moeder.
P. Z. Met door is ’t noch niets goed al maar sukele als god gaf dat
jan het maar uitmaakte want wat moet daarvan groeije een zwangere
vrouw en niet harmoneere groete an juf. perron.
„Heb je an je moeder geschreven, dat je verhuisd ben?”
„Ja. En d’r me nood geklaagd. Hartelijke brief, hè? Die mense zijn me
ongeluk geweest. Wat ’n belàngstelling, hè? En nog zoo interessant om
te vrage om geld voor ’n oud manteltje, da’k er vergete heb terug te
geve.”
„En nou ga ’k weg jonges.”
„Hè, blijf u nou nog wat, oome!”
„Nee, ’k moet weg. Volgende week kom ik weer is terug, hoor.”
„Krijg ik nou geen zoen?—U zoent me nooit meer, oome! U zoent mamma
altijd en mijn nooit, mijn nooit...”
„Ben je jaloersch m’n goddelijk kind, m’n schàt.”
O wat hield ik van haar, van dat goudkopje, van dat móóie blonde kind,
van haar kind, van die helle, limpiede, groote oogen. En hoe zijn ze me
gróót, hel, smàrtlijk bijgebleven.
Scherp lag gekleed te bed, stil—lusteloos. Ook een zieke.
„Scheelt ’r wat an?”
„Ben jij ’t? ’k Ben blij dat je komt, ik ben zoo belabberd.”
„Overwerk je je niet?”
„Nee. Ach nee... Ik ben belabberd... Trees maakt me ziek... Trees... O,
wat maakt die me kapot...”
Ik zweeg—zelf down, zwak van wil.
„... Ze is weggeloope van Druif, weg met ’n vent van Carré—weg met ’n
jockey—wèg—wèg—”
De stilte bleef meespreken in ’t kamertje.
„... Ik was nog zoo gelukkig—zoo gelukkig, dàt ze met Druif was, dat ze
’t góéd, dat—ze wéélde had—Zoo blij als ’k bij haar was, haar wat voor
kon lezen—Weet je dat zij me sterk maakte—stèrk voor mijn werk—stèrk
bij de dood van m’n moeder—stèrk in alles, in m’n leven, m’n denken...
Nou leg ik leeg zoo alléén, zoo alléén op m’n bed, in m’n bedstee.—Ze
is weg—wèg met ’n jockey met mooie zeemleeren beenen—wèg—wèg—’k Geloof
als jij daar niet was gekomen da’k rustig had kunnen kapot gaan—zoo
lèèg als ’t om me heen is...”
Ik zat in den armstoel, het hoofd weggezakt.
„... Wat zijn we oud geworden,” zei hij weer. „Wat is illusie ’n ding
als ’n trààn... Wat ben jij oud geworden... Wat ben ik lèég... Ouwe
jongen wàt is ’r in ons veranderd van af die avond dat we in de Bar
zaten, weet je nog...?”
„Ja, ik weet ’t nog...”, zei ik levenszat.
„... Toen was ik groen, jij ’n idealist... We slijten weg, als krijt in
gore handen... We leeren te pàssen in ’t leven... Herinner je je díé
avond... hoe jij sprak van trouwen... met licht in je huis... licht
vóór en achter... kaarsen bij je spiegel... bloempotten...
Ever-green... alles ’n zeepbel met glansjes van goud en licht... Weet
je nog?... Wéét je nog wel?... Waar zijn je meubeltjes?... Waar is je
illusie?... Je schoenen verslijten van ’t inbreken in ’t huis van je
vrouw... Je ben vermoeid zooals ik—dòf zooals ik, leeg zooals ik... We
loopen al met ’n etiket, met ’n nummer... Gister heb ’k drie cognacjes
lévenslust gedronken... Nou?... Nou?... Zeg je niks?”
„... Ik ben mòè.”
„... Waarom spreek je niet uit?”
„Ik ben moe... slàp... slaap haast niet... ’t Evenwicht is er uit...
Misschien als ’k rúst wor ’k weer stèrk, als ’k Zée zie, als niet
langer de huizen me verstikken... Heb je dat óók... ’t dréígen van de
huizen?... Huizen die je benauwen, wurgen... O, o, die Stàd!”
„Nou zitten we met onze moeë hoofden... met onze òùwe hoofden... òp...
òp... òp...” klaagde hij.
„Tot de zon weer schijnt...” zei ik doffer.
„Tot de zon weer schijnt,” vlamde hij koortsig-verward op.
„De zòn... de òranjezon... de zon van fatsoenlijke bourgeoisie... de
zon van Ibsen... de zon van Phaëton... De zòn... De zòn:... Jij kunt
zes maanden krijgen omdat je Georgine liefhebt... De zòn... De zòn...
Je kunt de kast ingaan als je je kleermaker niet betaalt—als je wat
zegt van de een of andere koninklijke bakvisch.—De zòn!—De zòn!—als je
opkomt tegen de machthebbers!—De zòn... De zòn—De zon is ’n lichtende
mop in den hemel... O ja... O ja... Die óúwe, goeie, bezopen zon van
Holland...”
Hij praatte verward-driftig door. Ik luisterde, moe, slaperig, tot ’k
indutte als ’n afgejakkerd koetspaard dat in het tuig te rusten hangt.
Schèl was de stem die ons wakker schrikte. De herkenning dee mijn hart
heftig schokken. Wat kwam Leentje Plas hìèr doen?
„Ben u ’t juffrouw Plas? Wat is ’r? God wat is ’r! Is ’r iets...
gebeurd?”
Leentje Plas hijgde van ’t trappen klimmen.
„... Effe wachte... Watte luizige pesttrappe... ’k Kan goddoome haast
niet prate... Hè... Hè...”
„Wat is ’r dan! Wat is ’r?”
„... Ze zijn om de kindere geweest...”
„Om de kinderen! Om Ka! Om Toos!”... schreeuwde ik.
„... Ja... Ja... En nou kom ik je waarschouwe...”
„Zijn ze wèg, wég? Wel gòdverdomme!”... Bijna begon ik te schreien.
„... Nee nog niet weg... Over ’n uur... Over ’n uur... Om zeven uur
zouen ze terug komme...”
„Terugkommen?... Vertel dan toch?... Nee ’k ga mee.”
„La me effe uitblaze... ’k Zweet as de verdommenis... We hebbe de
tijd... Nog ’n dik uur...”
„Ga dan zitte... Wàt is ’r gebeurd...”, herhaalde ik half suf.
„... ’k Heb ze gegeve!... ’k Had ’m haast op z’n sansodemieter
geslage... Die vuile jood... ’k Ben màkkelijk as ’k begin hoor! Ze
motte met mijn beginne!... Z’n ooge uit z’n kop zou ’k ’m gekrabd
hebbe... Zoo’n stuk pest-ellend!...”
„Wàtte dan? Wàtte dan!” hijgde ik.
„Je mèrkt toch dat we nieuwsgierig zijn,” zei Scherp, die opgesprongen
was.
„... Wacht dan... Wacht dan... Jeezis me aasem! Tegen vier uur—om en om
vier—gaat Sorsien effe ’n boodschap doen met Perron—’k geloof nieuwe
baleine voor d’r corset koope en vergif voor Perron d’r hondje dat
schurf het, afijn dat doet ’r niks toe, ik zou op de kindere passe. Ga
jij maar gerust, zeg ’k tegen Sorsien, ’k zal wel ’n oogie op ze
houe.—Nou, toen gaat ze—goddoome ’k kan me gedachte niet bij mekaar
houe—nou toen zegt die lekkere Ka tegen me: tante magge we voor de deur
spele met Jo—da’s ’t kind van de herberg naastan—Ja, zeg ’k, maar niet
van de deur weggaan en niet van de stoep en oppasse voor de honde.
Sorsien die liet ze ook elleke dag ’n uurtje voor de deur. Zulleke
schape, heelemaal geen lucht en pas ziek geweest, niewaar?...”
„Rek ’t nou asjeblief niet zoo, juffrouw!”
„... As je me nou nog zenewachtig maak kom ’k ’r heelemaal niet uit...
Ze gaan met d’r drieje de trap af en ik schuif ’t raam bij me ope om is
te kijke van tijd tot tijd... Net leg ’k weer uit ’t raam en daar komt
me ’n bakkie an en dat houdt vlak voor de deur stil. Wat mot dat nou
denk ik en toen hoor ’k ’r een in ’t rijtuig zegge: dat zijne ze en
medeen komt ’r een uit met ’n kleppet, zoo’n goddoomisse stille smeris
en die neemt Ka op.—Jeezis mierande, denk ik en ik de trap af—as de
verdommenis! Hoe ’k ’r niet afgesodemieterd ben, begrijp ’k nog
niet!—Van twee hoog, begrijp is an!... Net wou-die Toos, die an ’t
schreeuwe ging, ook opneme... Godverdommisse sodemieter, wil jij met je
klauwe van de kindere blijve, zeg ik en neem ’m zoo ’t kind uit z’n
poote. Toen zegt-ie: juffrouw wees voorzichtig, ik ben van de politie.
An me kont, lazerstraal, zeg ik: mot jij kindere stele!... Toen liet-ie
z’n penning zien. Nou die ken ’k van vròèger, hè? en toen zeit-ie: de
vader zit in ’t rijtuig en die het de machtiging van de president van
de rechtbank, hoor je, om de kindere te neme: Ben jij de moeder?—Nee,
zeg ik: je most je goddoome schame om mee te helpe an zoo’n
schooierstreek!—As je de moeder niet ben, zeit de smeris, heb je d’r
heelemaal geen bliksem mee te make. Geef op dat kind en bran je vingers
niet.—Nou, ’k vrat net zoo lief me eigen stront, hè? Zoo, zeg ik: zit
de vader in dat bakkie en het de vuilik niet eens ’t lef om ’r uit te
komme!—Ik naar ’t pertier en daar zate d’r twee en de eene die hield Ka
op z’n schoot.—Nou, toen ik tegen hem! Godverdomme wat heb ’k tegen ’m
opgespeeld! Rotzijker, zeg ik: mot jij kindere stele as de moeder niet
thuis is, stinkende kinderverkrachter—op je gemeene smoel most je
hebbe—op je smoel!... ’k Ben ’n lekkere as ’k begin, hoor! In ’n wip
stinge d’r hoope wijve om ’t bakkie! Kan je begrijpe: dàt most ’k
hebbe, dat wou ’k juist, daar was ’t me om te doen.—Mense, zeg ik: die
kerel die haalt kindertjes weg van de juffrouw bòven, die sallemander,
die flikker!—Toen zeit de agent: wil jij nou opdondere en ’t kind geve?
Toen zeg ik: de stoep is vrij: kommandeer jij godverdomme je soort,
stuk stront van ’n kerel! Bewijs jij me, dat die smaus de vader is, de
kindere lijke geen mieter op ’m. Ben jij belazerd!—En toen zei de
juffrouw van naastan: da’s me óók ’n lekkere as die begint, die kan ’r
wel drie an:—Gooi ’m met stront die vuilik om kindere van d’r moer weg
te hale!—Toen zei de agent: ik waarschouw jullie: maak me geen
haarlemmerdijkies: vooruit! doorloope!... Jawèl, wìj loope door! Om de
verdommenis niet... Wat ’n opstand! D’r ware wel tweehonderd mense.
Toen kwamme d’r ’n paar andere smerisse bij en die woue met geweld
beginne. Mense, zeg ik, de moeder die is effe uitgegaan voor baleine
van d’r corset en nou wil die stinkert stiekem die twee engele van
meissies weghale: laat-ie dan goddoome wachte tot de moeder thuis is!
Ik mot op de kindere passe en ik verdom ’t! Ik laat me niet
verneuke!... Wat hebbe ze die kerel uitgejouwd!... Kinderedief! Vuile
smaus! Rotzak! Inbreker! Lazermakkro! Wat ze maar wouen. Toen zei die
eene kerel binne in: late we verstandig zijn en tot vanavond wachte as
zè thuis is en toen zeit-die ander wat an de stille smeris en toen
zeit-die tegen mijn: we komme vanavend om zeven uur terug, dan mag de
juffrou eerst d’r kindere gedag zegge en dan geen gedonder hoor, anders
bè je d’r gloeiend verdomd bij!—Verrek jij maar, dacht ik en ik gauw
met Ka en Toos naar binne en de deur op ’t nachtslot... Zulke
sansodemieters!... Toen ik uit ’t ràám, maar ’t rijtuig was weg en al
de mense voor de deur en toen ging die rotte pelisie d’r op in slaan
met d’r latte omdat de mense ’t verdomde om dadelijk door te
loope—alsof de straat niet van iedereen is en toen werd me goddoome
Arie van de hoek nog opgebracht, die kale sallemanders! Maar ìk had de
kindere... Ze motte met mijn beginne, dan zijn ze an ’t goeie kantoor!
Zulleke snotkokers!... Zulleke lamstrale!... Mèt komt Sorsien thuis en
die vraagt: wat is ’r an ’t handje... En toen zij ’t op d’r zenuwe, op
d’r zenuwe... godverdomme ’k mot ’r om huile as ’k ’r an denk... Die
arreme bliksem! Die arreme meid om d’r meissies te motte misse!...”
„Nou, huil nou maar niet,” zei Scherp, die haar ’n glas water gaf.
„... Nou en toen vroeg ze mijn om jou te gaan hale... toen ben ’k gauw
met me kont op de tram gaan staan en nou weet je ’t! Hoe zijn jullie
ook zoo godverdommes stom geweest om ’t zóó an te legge... die
schape... die dot van ’n Ka... die Toosie... ’k Zou me d’r dood om
vechte... Ga je nou mee?”
„Ja, ik ga mee,” zei ik bevend.
„Ik ook.”
„Nee, Scherp. Nou niet. Dank je... Nee, laat me alleen gaan.”
„Je mot ze niet afgeve vanavond hoor. Zou je zoo’n vent niet in z’n
schurftige sodemieter neme dat-ie schaapies van dìè jare van d’r moeder
haalt?... Wat bliksem, jullie benne toch góéd voor ze geweest!... Zoo’n
flikker, zoo’n lazersteen die in geen jare na ze om het gekeke!... Die
arme Sorsien! God, wat hè’k ’n meelij met die meid!”
Kwart over zes kwamen we op de Ruysdaelkade.
„Waar is me vrouw, juffrouw?”
„Achter. Bij mij.”
„Bij u? Waarom niet op haar èìgen kamer?”
„Ze wou vóór geen licht op hebbe... Als ’t rijtuig wéér komt... met d’r
man... begrijp u... en dàn vóór licht op... dat staat zoo akelig... vin
u ook niet?”
In de voorkamer brandde de haard, lichtvlammingen laaiend naar het
plafond. Ik liep de tusschendeur van de alkoof door, zag Georgine, die
aan ’t kleine, bezeilde tafeltje zat. Kaatje, aangekleed, met haar
Zondagsch bloemenhoedje op, vloog op me toe, Toos zat op den schoot van
Leentje Plas, die haar opgenomen had.
„Dag Georgine.”
„Dag Alf.”
’k Dorst haar niet aankijken. Als we elkander in de oogen gezien hadden
zouen we beiden gehuild hebben, zou de scène wanhopiger geweest zijn.
„Oome, we gaan uit Toos en ik.”
„Ga je uit?”
„Ja, Toosie en ik. Ben ik netjes, oome?”
„Nou!”
„En ikke oome?”
„Jij òòk, Toos.”
„Wil u ’n koppie koffie meneer?”, vroeg juffrouw Perron.
„Dank u.”
Ik ging naast Georgine zitten, háár hand in mijn hand, Ka op mijn knie.
Er kwam een stilte van lang drensend klokkegetik. Georgine bleef zonder
spreken, stil wit—, Leentje Plas keek mij aan met dik-roode oogen,
juffrouw Perron schuchter, verlegen, zat bij de klok.
„We gaan rijje oome met pappa...”, zei Ka, vroolijk.
„Zoo!”
„Hij kwam ons hale in ’n rijtuig, oome, en toen kwam ’r pelisie... en
zóó ’n boel mense... en nou komt-ie wéér... niewaar mamma?... niewaar
mamma?...”
„Niet zooveel prate,” zei ’k met beevrige stem.
„’k Heb de kleertjes vast ingepakt,” fluisterde juffrouw Perron:
„jammer dat de koffers ’r nog niet zijn... nou is ’r maar zoo’n béétje
linnegoed, niewaar:... van Toosie haast heelemaal niks... van Ka maar
twee hemmetjes en een paar schoone sokke...”
„Wat leg-ie nou te kutkauwen!”, viel Leentje Plas uit: „Daar mot die
sodemieter dan maar zelf voor zorge. Licht dat-ie wàt doet, die...”
Ze hield zich in, waarschijnlijk voelend hoe wreed schelden nu was.
„’k Meen dat ’r nog wat zakdoekies in de kast ligge,” zei Georgine,
lichtschuw kijkend naar juffrouw Perron bij de klok.
„Nee. Ze legge d’r niet”
„Op de bovenste plank... En legt daar nog niet ’n schoone smul?”
Juffrouw Perron liep de alkoof in, scharrelde in de donkere voorkamer.
„Heb u ze?...”
„Een, twee, drie zaddoekies,” telde juffrouw Perron in ’t donker...:
„èn ’n smul net as je zegt... en dan is ’r nog wat da’k nie-weet wat ’t
is.”
In de deuropening kwam ze met ’n wit, scherp-in-de-stijfsel krakend
kinderbroekje, ’n màl wit, klein broekje.
„Za’k dat ’r nog maar bij doen?”
„Ja, doet u dat ’r maar bij.”
Op de tafel speldde de kleine vrouw ’t pakje open, waarin ’n paar
rokjes, hemmetjes, kousjes—allemaal poppegoed, poppegoed. Haar bruine
handen pluisden ’t goed glad, de spelden glimmerden in haar mond.
Georgine’s oogen liepen vol.
„Zouen we vóór ’t licht opsteke, kind?”
„Nee. Nog niet.”
„Toe—laat me ’t licht opsteke.”
„Nee. Nee. ’k Wil ze zien instappe...”
„Wat gezellig! Wat heerlijk,” zei Ka met vreugdewieblende beentjes:
„uit rijje... en zoo laat op, hè oome.”
„Ja snoet”
Toosje zat bleek-witjes op den schoot van Leentje Plas, knikklend van
slaap.
Dàt zette Leentje Plas weer in woede.
„... Zoo’n stuk pest-ellend!... Neem me niet kwalijk, Sorsien... Maar
’k vin ’t toch beestachtig om zoo’n schaap nou weg te late gaan...
Laat-ie dan morrege terugkomme as ’t schaap geslape het... Ze valt
haast om...”
„Ach got nee,” verzocht juffrouw Perron, verlegen: „niet overdag... Dan
krijg ’k weer zoo’n herrie voor me deur... niewaar?”
„Nee,” zei Georgine, kalm: „nòù—wij hebbe ’r geen beschikking over—nòù,
nòù...”
Scheemrig in ’t licht van de laag-hangende lamp, vierkantten de
behangselwanden met portretglimmingen en lijsten. Glad van kringrige
witheid bolde de lampepeer. Leentje Plas huilde, juffrouw Perron hield
’t pakje in haar schoot. Wij waren straf van ingehouden angst-smart.
Zenuwheeschheid kropte in mijn keel—’k moest sterk het been op en neer
wiegelen om me goed te houen.
Ka keek verwonderd.
„Waarom huilt tante Plas, mamma?”
„Weet ik niet.”
„Heb u kiespijn, juffrouw?”
Leentje lachte even op.
„Nee màlle! Nee lekkere drol-met-’n-hoed!”
„Waar rijje we met pappa naar toe, oome?”
„Weet ’k niet...”
„Echt! Echt!... In ’n rijtuig zitte... met ’n paard ’r voor... Is ’t
wéér Sinterklaas?”
„Néé. Niet zooveel prate.”
Maar ze kon niet stil zijn van kindervreugd. Haar koontjes gloeiden
scharlaken. Haar oogen stonden groot. Haar handjes speelden met ’n
knoop van m’n jas en ze begon gezelligjes-blij, zachies te zingen.
„Onder ’t tafeltje dààr ik zat
daar ik gebraje vleessie at
daar ik rooie wijntje dronk
die al in mijn hartje klonk...”
Ik had niet den moed haar stil te laten zijn.
„Niet zinge,” zei Leentje Plas, met dikke oogen: „je moe het zoo’n
hoofpijn.”
„Heb-u hoofpijn, mamma?”
„Ja, m’n engel, ja m’n goddelijkheid... Geef ’r even hier Alf.”
Ze hield het kind in haar armen, aandrukkend het scharlaken kopje tegen
haar wit gezicht.
„Huil u, mamma?”
„Nee. ’k Huil niet. ’k Heb zoo’n hoofdpijn.”
„Zoo goed?”
’t Kleine, mollige handje lei ze op ’t voorhoofd van Georgine.
„Ja—zoo gaat ’t beter.—Zul je nou altijd an mamma denke—als je rijdt—as
je rijdt...?”
„Altijd en altijd!”
„Altijd?”
„Altijd èn altijd èn altijd en honderdmaal-en-altijd en as ’k terugkom
dan breng ’k lekkers mee, hè mamma, wat hééééél lekkers, hè? Sjokola?
Wil u sjokola?”
„Goed Ka, goed me snoetje. As je maar an me denkt en me nooit vergeet,
hoor je?... Wat hè-je me vanmiddag beloofd?”
„Vanmiddag?...”
„Bè-j ’t nou al vergete?”
„... Da’k elleke avond mot zegge: dag mamma... Maar dat dòè ik ommers
altijd?”
„Zul je ’t altijd doen?”
„Altijd èn altijd en honderdmaal-en-altijd.”
„Goed me snoetje.”
„Mag de pop ook meerijje, mamma?”
„Nee, de pop niet.”
„Waarom niet?”
„Nee, de pop niet”
„’k Heb ’m toch van oome Alfred gekrege?”
„Zou ’k ’m meegeve, Alf?—Als hij vraagt van wíé z’m heeft?”
„Geef ’m maar mee. Wat hindert ’t!”
„Weet je waar ’k zoo bang voor ben?”
„Voor wat?”
„Dat-ze—als de kindere zijn bij zijn moeder, bij dat wijf, dat me eens
in me gezicht gespoegd heeft—dat ze dan—wat de joden doen—en dàt is
zoo’n vùìle jodin—dat ze dan me kinderen ’n krieje zullen snij je...
Daar denk ’k al de heele tijd an!...”
„Wat is ’n krieje snijje?...”
„Dat doen ze as ’n vader of ’n moeder gestorreve is... O god as ze dàt
maar niet doen!...”
„Zóó wraakzuchtig zal ze niet zijn...”
„Je ken d’r niet... Je ken d’r niet... Over ’n paar maande make ze ’t
zeker an Ka wijs da’k dóód ben... Niet geloove Ka as ze zegge da’k dood
ben... Ik ga niet dood, hoor! Ik ga nóóit dood, hoor! O! O! O groote
God!”... Zacht snikte ze tegen ’t kransje van goudglanzend haar.
„Nee mamma... as pappa zegt dat mamma dóód is, dan zeg ik: da’s
nìèwaar... niewaar mamma?”
„Ja, snoet.”
„Heb-u nog hoofdpijn?”
„Nee. Nou is ’t over...”
„Waar blijft ’t rijtuig nou?... Zou pappa niet komme?... Waar blijft-ie
nou?”
Ongeduldig keek ze naar de deur.
„... Reje ze maar in ’n grach,” zei Leentje Plas, met ingeslapen Toosje
op haar schoot: „Och Jeezis, niemand is gelukkig voor-ie z’n houten
palletootje om het!”
„Laar ’r niet slape,” waarschuwde juffrouw Perron, „dan hebbie
strakkies last met ’r.”
„Neem jij Ka weer, Alf—dan neem ik ’t kleine hondje... Kom nou Toosie,
kom nog is bij me.”
Toos, blind van slaap, met saamgetrokken oogjes, begon klaaglijk te
huilen.
„... ’k Wil naar bedje toe!... ’k Wil naar be-è-è-èd!”...
„Dadelijk Toosie... Nou niet huile... Kom nou me hartje, me schatje, me
dotje”...
„’k Wil naar bè-è-èd!”
„Je gaat lekker rijje met pappa... met ’n paardje hè?... Toe nou, niet
huile”...
„Nee-ee-ee! Bij mamma blijve! Niet rijje!... Niet rijje!”
„Suscht! Suscht! Dòdò... Do-do... Do-do... Niet huile... groote meid...
Zoo... Zoo ben je zoet”...
’t Slaaprig hoofdje vlijde ze aan tegen Georgine. Zacht zuchtte het
borstje.
„Wat ’n klèìn kind, hè, oome?... Om te huile, hè!... Ik huil niet, hè
oome?”...
„Daar is ’t rijtuig,” schrikte Leentje Plas. Wielengeratel klepperde
over de keien, dreunde aan door ’t huis. Nee. ’t Reed voorbij. Stilte
was ’r mee in de kamer geslagen.
„... Is dat ’t?...”
„Sust... Niemeer prate Ka... Stil zijn”...
De klok stond op vijf minuten voor zeven. Stil, het slapend kind in de
armen, wit in de schrijning der lamp, met omkringde oogen, keek
Georgine naar den grond.
„Geef mij ’t vast,” zei Leentje Plas, voorzichtig.
’t Kind ging over in haar armen. Dof, starend met zwart-open pupillen
keek Georgine naar de lamp. Haar handen trilden.
En we wachtten of ’t niet kwam, maar ’t kwam niet.
In mijn oogen gloeiden tranen, heet-benauwde tranen. Een zakte ’r weg,
stooterig-heet langs m’n neus, plaste op ’t Zondagsch bloemenhoedje van
’t kind. Ik verroerde me niet, heeschwarm, tintelend van
zenuw-inspanning.
Juffrouw Perron, schuchter, zacht-betastend den koffiepot, schonk zich
’n kopje koffie in, slurpte voorzichtig, rustig slobberend, ophoudend
als ze tè hard slúrpte.
Dan wou Leentje Plas weer opvroolijken.
„... ’k Heb tòch lol van vanmiddag... die schooiers!... Om ’t zoo
stiekem te doen!... Zoo judasgemeen kindere van de straat oppakke...
Dat heet nou goddoome ’n vrij land!... Daar heb je pelisie voor!”
„Ja,” zei juffrouw Perron, slurpend: „’t is àllesbehalve,
àllesbehalve... Weet je nog Sorsien da’k ’m nóóit lijje mocht, hè?...
Mocht ’k ’m ooit lijje?... Die man had zoo iets om z’n neus dat me niet
anstond...”
„Mensch zit toch niet te neukepitten en laat Sorsien met rust,” zei
Leentje grof-goedig.
Het werd weer stil, stilte van lang-rekkerig klokkegetik.
„Komme ze niet, oome?”
„Ja, ja, Ka. Niet zoo dikkels vrage.”
Pien. Pien. Pien. Pien. Pien. Pien. Pien. Zeven uur. Achter elk slaagje
’n snorrend gebrom.
„Ze zijn over d’r tijd,” zei Leentje Plas, zenuwachtig ongeduldig:
„god, ik vrèèt me op.”
Maar op ’t zelfde oogenblik kraakte wielengeratel op den hoek van de
straat, zachter hobbelend, verstervend voor de deur. Er sloeg een
portier dicht. De bel ging over, als ’n klacht door het stille huis.
Georgine schokte wakker, stond star-van-kijken op, zoende Ka op de
oogjes, op het mondje, nog eens, nog eens—, toen nòg eens, haar
opnemend van den grond, haar klampend tegen het lichaam—zònder huilen.
„Dag mamma... ’k Zal wat voor u meebrenge... Dag oome”...
En terwijl Georgine zich bukte over Toos, gaf ik Ka ’n ènkele zoen, zàg
haar niet door de heete natheid der oogen... toen Toos... toen Toos.
Georgine was in de voorkamer, zocht daar suf. Ik trok de deur achter me
dicht. We waren alleen in de donkere voorkamer, waar ’t haardvuur
laaiingen gaf op ’t plafond. In ’t huis gingen deuren open, werden
ramen opengeschoven, kraakte de trap onder het geloop van de vrouwen.
„Worde ze... worde ze...” Verder bracht zij ’t niet. Uitgillend haar
smart, uitkrijschend het ingehouden verdriet, jammerend als ’n vrouw in
weeën, rukte zij aan den knop van de deur, die gesloten was.
„... Me kinderè!... Me kinderè!”...
Woest, de tafel opzij duwend, vloog zij naar ’t raam, trok met één ruk
van drift het gordijn op. Het rijtuig, glad-glimmend-vierkant reed weg.
Er stond een agent naast ’n heer met ’n parapluie. Anders niet. Het
gordijn barstte neer, neerflappend van de rol en met een snijdenden
angstkreet, rauw-gillend, rende zij naar de deur, met de vuisten en ’t
hoofd bebonzend het hout, heesch-krijschend gillend: „Me kin-de-re!...
Me kin-de-re!... O God me kin-der-tjes!...” Ik greep haar in mijn
armen, sleurde haar weg van de deur, waartegen zij het arme,
krankzinnige hoofd beukte, zoende, suste haar, maar ze zàg me niet,
worstelde om los te komen, jammerend, rauwgillend, het hoofd in
smartkramp achterover, tot ze verstijfde en in mijn armen wegzakte naar
den grond, waar ze bewusteloos bleef liggen, dicht bij den vlammenden
haard, die haar doode gelaat belichtte.
Volgenden dag was zij dof-rustig, kwam er een deurwaarder met een
papier, dat ik las—, omdat zij het niet wou:
Extract der minuten, berustende ter Griffie der Arrondissements
Rechtbank te Amsterdam.
Aan de Arrondissements Rechtbank te Amsterdam.