Dagen traagden in evenwichtige regelmaat. We hielden van elkander,
gelúkkigst in de nachturen als Doedelaar en z’n vrouw te slapen lagen,
als beneden en boven, voor en achter stilte was. Zij, over mij aan ’t
breien, aan ’t verstellen van ’n jurkje—ik aan ’t schrijven en de
paisible rust rondom. ’s Nachts, als we zoo opzaten in het loom-staande
huis, bijna met het gevoel van alléén op de wereld te zijn, was onze
liefde het grootst, buiten het bereik van kijkende menschen. ’s Nachts
was er gedragen vrede, feestelijk-stille vreugde in de kleine kamer,
was het huwelijk volkomen. Overdag plompten de dingen bruut, spatte het
slijk van de buitenwereld in de kleine woning, kwam de kruidenier
boodschappen brengen bij de „mintenee”, groette beleefd den „heer”,
kwam de slager ’t vleesch brengen bij de „mintenee”, wachtend op zijn
geld—bij mintenees mot je oppasse—, kwam de groenteboer met groenten
bij de „mintenee”, kwamen allen die wij nóódig hadden, die geld aan
mijn vrouw verdienden, haar minachtten met vrijpostige oogen. Overdag
bleef de glazen deur vóór op slot, lichtte Georgine ’n gordijntip op
eer ze opendeed uit vrees voor ’n beertje, meer nog voor den verren
mán, dien ze op nerveuze dagen zocht achter elke schaduw. Overdag
kwamen moeder of vader, altijd met geheimen, apartjes, bangmakerijen
voor die of die, die den man zou waarschuwen. Overdag werd ze op straat
lastig gevallen door studenten, kantoorheeren uit de buurt. Bij een
vrouw die buiten je verachtelijk huwelijkswetje leeft, kun je licht ’n
kans wagen. Dat compromitteert niet. Die is toch ’n halve hoer. Overdag
stootten alle vijandige, reëele dingen, als ijsschollen die in kruiing
opsplinteren, tegen ’t weggedoken kamertje, dee de straat, deeën de
buren, deeën de menschen zich gèlden, driest, zelfbewust, sterk in hun
ploertig bourgeois-gemeenschapsgevoel. Overdag stommelde buiten het
stratenlawaai, bralde de stad, gromde karrengedreun, klonk het
schreeuwen van sjaggerjoodjes, werd tegen de ruit van de voordeur
getikt, gonsden de stemmen beneê van den barbier, van de vrouw, van den
barbiersjongen, kakelden de kippen in ’t gore tuintje, speelden de
kinderen. ’s Nachts was alles subliem van onverbroken stilte, leek het
kamertje eene feesthal met de rust van een blankliggend meer, openden
zich onze twee levens, zacht en eerlijk, wat overdag niet mógelijk was.
Telkens wéér, in die mooie sereene nachtsfeer, vónd ik haar hart
kinderlijk-onbedorven, als eene kelk die onder modder en vuil pure
lotoswitheid behouden heeft. En nooit—het was wonderlijk-treffend—was
in die nachtstilte iets in haar stem, iets in haar oogen, dat aan
onoprechtheid deed denken, waartoe de menschen haar overdag dwòngen.
Op een dag had een juffrouw me verzen gezonden „ter beoordeeling”. Dat
gaf aanleiding tot het volgende gesprek:
„... Wat heb je die juffrouw geantwoord?”
„... Welke juffrouw?”
„... Nou, dat nuffie dat je verzen heeft gezonden.”
„... Dat ’t naar niks leek... Dat ’r niet één mooie regel...”
„Nou ja!”
„Wat, nou ja?”
„Je zult ’r wel geschreve hebbe, dat je ze erg mooi vond en dat ze maar
is bij je moest kome...”
„Nee, mal kind...”
„O, ik ben zoo ongelukkig als je zùlke brieve ontvangt, Alf...”
„Wààrom dan toch?”
„Ik weet wel dat ’t dwáás van me is, maar ik wil je heelemaal van mij,
héélemaal. Niet één haartje van jou gun ik anderen. Op alles ben ik
jaloersch. Je kunt ’t zoo gek niet verzinne. Ben je daar kwààd om?”
„Nee—m’n lieve snoet.”
„Heb je d’r héúsch niks anders geschreve?”
„Niks.”
„Je moet me is ’n boek met móóie verzen geve...”
„Jij, verze?”
„’k Hou ’r wel niet van—maar ’k wil leere alles mooi te vinde wat jij
mooi vindt.”
Ik zoende haar.
„Want je vindt me dom, niet?”
„Nee, née kind. Heelemaal niet.”
„Dat vóél ik toch. Als ik jou zoo elken avond zie werken, boeken lezen
in talen die ik niet versta, zou ik wel kunne huile... ik zou graag zoo
geléérd wille worde als de juffrouwe die je verze zende...”
„Blijf in Godsnaam zooals je bén,” schrikte ik. Ik schrikte werkelijk.
„Als ik geléérd was, zou ik nooit meer bang zijn dat ’r is een dag kon
komen...”
„Nou?”
„Zul je niet boos worde?”
„Nee, heusch niet.”
„Eérst je woord van eer.”
„Op mijn woord.”
„... Dat je... dat je... op ’n vrouw van jóúw stand...”
„Bravo!... Nee, nóú weet ’k weer genoeg. Kijk me nu is in m’n oogen!...
Zul je dan nooit eerlijk worden, Mol?”
„Bèn ’k dan nóg niet eerlijk?”
„Zoolang je wantrouwt, néé”...
„Ik zal probeere... ’k Heb zoo’n slechte school gehad... Kan ik Vondel
begrijpe?”
„... Vondel!... Vondel?” glimlachte ik... „’k Zal je wel eens ’n mooi,
eenvoudig boek meebrenge... D’r zijn ’r tegenwoordig wel niet veel”...
Dat denkbeeld van zich op te werken tot de kleine hoogte van haar man,
uit vrouwelijk-voelen dat zij hem dàn gehéél zou hebben bracht haar tot
aandoenlijk schoone dingen. Op een middag bezorgde de post een rose
briefje. Het handschrift herkende ik niet dadelijk.
Aan Alfred.
Ik daalde heel laag
Ik zonk tot den grond
tot god een lieve engel mij zond
O, engel van goedheid
ik wijd u mijn leven
gij hebt mij de rust
in hart weer gegeven
gij gaaf mij in het leven een doel
rein van gedachte
O zoet gevoel.
O engel voor u een heerlijk victorie
mijn hart nu tot rust
o zoete glorie
gij hebt mij niet zooals anderen vermeden
als gevallen vrouw
of als een worm vertreden
en daar ik door u in het reine verkeer
Herleef ik in deez heldere atmosfeer.
Ik zie vol ontzetting op die jaren terug
en ben voor weerkeeren dezer tijden beducht
ik leef nu als in een warmen zonneschijn
gesteund door u gij van gedachte zoo rein
ik wil u, daarom met hart en ziel vertrouwen
en op u eerlijk hart en oogen als op de lieve god bouwen
Deze letteren lieve Alfred zij zijn van uw Mol
Lach!! er niet om ik was met poëzie niet dol
maar ik zend ze u omdat ik u bemin
en deugt mijn vers niet ’t was maar een begin.
Georgine.
Als je er om lacht, ben ik voor EEUWIG kwaad. Dag lieve engel!...
Georgine.
Het schrift was zoo goed mogelijk verzorgd, haperend, maar de eenvoud
der woorden, de gouden bedoeling van dat „vertrouwen als op de lieve
god”, de heele naïveteit van het vers, uitzeggende de opréchte
gevoelens van het oogenblik, maakte het voor mij tot een bode van
stijgend geluk. Was niet dit gebrekkig rijmsel het éérst náderkomen van
de waarlijke vrouw tot den waarlijken man? Was het niet béter,
volmaakter, échter dan ’t sonnetten-gepruts van jonge dames en heeren à
la suite van Hélène Swarth, Perk, Kloos? Was niet elke taalfout
prachtiger kreet dan ’t beschaafd ziekelijk-wee getriller van
hysterische meisjes? Verlegen stond ze bij ’t fornuis toen ’k dien
middag kwam eten. Ik zoende haar overal, op de oogen, op den mond, blij
dat ze zóó was, niet anders.
Maar om de mysterieus-gelukkige oogenblikken van nánacht, om het innige
samenvloeien onzer twee levens in de kleine kamer, wanneer de stad in
steenen slaap was, schokte het groote, plompe ruw-dreunende leven der
ànderen als een stootende kar die slijk en vuil naar de vensterruiten
moddert. Met juffrouw Doedelaar was ’t natuurlijk na een paar weken tot
een zachtaardige vijandschap geworden. Georgine beweerde dat ’t
kiespijnmensch „verkoeld” was omdat de barbier vrijpostig-dikwijls
àchter te scharrelen had, als ik niet thuis was, dàn om ’n kram in te
slaan, dàn om den kachel in ’t keukentje hooger te stellen. Vrouwen
beoorloogen elkander met grappig geschut, voelen vijandelijkheden waar
’n man ze niet oplet. Juffrouw Doedelaar was even zuur zoetig van
glimlach, éven buurvrindelijk. Maar ze kon haar ommeletpan soms niet
missen én Frits was dikwijls zoek als Georgine ’m noodig had voor ’n
boodschap èn de plee die zìj moest schoonhouden liet ze aan Georgine
over èn ze klaagde als ’t emmertje met vuil en aardappelschillen voor
de tuindeur stond èn ze had al twéémaal niet kunnen helpen an ’n lichte
turf om den kachel aan te maken èn ze had zuur gekeke omdat ’r ’n kop
koffie over ’t tafelkleed was gevallen èn ze had op ’t boekje zes
centen voor ’n half flessie bier opgeschreven in plaats van vijf èn ze
had ééns an Kaatje ’s morgens gezegd—wat Kaatje had overgebracht—dat
d’r moeder d’r zellef nèt zoo goed kon ankleeje—èn kwam ópzettelijk
dikwijls—ópzettelijk—om emmertjes water—èn—èn—èn...
Iederen dag meende Georgine nieuwe hatelijkheden op te letten. Zij
oorlogde terug. „... ’k Heb d’r lekker d’r pan vuil teruggegeve... als
zij denkt da’k ’t angebakke email zal schoonmake voor d’r—dan heeft ze
’t mis!”—Of: „ze had de brutaliteit om ’n táfelbeschuit en vier eieren
te leen te vrage, Alf—’n Mooi bakkes, die Doedelaar, om
táfelbeschuitjes te ete!... Zulleke mense vergéte altijd d’r stand.
Komt ’t van ze te pas om táfelbeschuit te ete?... En vier eiere!...
Mààr vier eiere te leen vrage... Je had ’r geen een van
teruggezien”—Of: „’k Heb ’n slot gehange op de keukenkast, zeg... D’r
lag ’n haar op ’t brood... Echt zoo iets gemééns van dat wijf. ’k Heb
d’r in de spíéze. Wat ’n gemééne streek, hè?... Da’s nou enkel om ruzie
te make tusschen jou en mijn. Begrijp-ie wel? Als jij ’n haar in ’t ete
vin krijg ik een standje.—Néé, ’t wás geen haar van mijn.—Heb ik zúlk
haar? Kijk is? ’k Heb ’m bewáárd.—Is dat haar van mij? Nee, niewaar?
Da’s al de derde die ’k vin. Eérst een op de kaas. Tóén een in de
sardines en nou een op ’t brood. Da’s géén toeval. Ik zeg je dat ’t
géén toeval is. ’k Heb zellef de oogies van ’t hangslot ingedraaid. En
nou zal ’k op me groente passe. Dat verzeker ik je.” Gróót van daden
was het vrouwengeweld nog niet geweest. Het was een kleine,
geacharneerde krijg achter glimlachjes, zàcht-praten. Als juffrouw
Doedelaar in de kamer kwam, dee ze onderdanig-beleefd, mat van
liefheid. Maar de dwarsstrakke oogen met de harde gemáákte lachkringen
er onder waren in stage bescherming van haar eigendommetjes. Zoo kon ze
belangstellend-glimlachend luisteren naar ’n beklág en dwars strak
oogknippren van Georgine nààr ’n kring op het blad van de tafel,
ántwoorden, meê-beklagen, kwaadspreken en Kaatje onder het kinnetje
strijken—altijd met de schadeberekening in de grijs-glanzende oogjes.
Ze had een grooten, voorzichtigen haat, een knagende
burgervrouwtjes-verdrietigheid, een lieve afgunst—tegenover die àndere,
mooie jonge vrouw, die béter leefde, béter kleeren had, dagelijks
vleesch at, die haar kind liet gaan op ’n dúre school, die uitging,
háár verdrongen had uit háár huiskamer. Fatsoenlijk gehuwde
barbiersvrouw, vastgepolsd aan ’n geelbleeken barbier, aan ’n
kelderverdieping met alléén Zondags twee ons magere lappies en anders
aardappele ... aardappele ... aardappele ... hààtte ze innig die
àndere, die ’t goed had bij ’n „heer”, die vrijer leefde dan zij. En al
zei ze ’t niet uit, blij met ’n kamerhuur van vijf en twintig gulden
die de heele huishuur zoowat dekte, blij dat ze cente trok van ’n
kamer, waarom máánden lang niemand gekomen was—in haar kleine fossiele
bewegingen was een smeulende, giftige, kwaadaardige afgunst.
Wat zou ze gehoerd hebbe voor geld—as God d’r maar geschape had met ’n
móóier smoel—wat zou ze gehoerd hebbe—in plaats van die kelder—ándere
bediene—aardappele vrete met speksaus—al de verdienste door ’t schrappe
van vuile kinne à vijf cent per stuk.—As God ’t gewild had, was ze nog
liever voor hoer gaan zitte met goed, ruim vrete en knappe kleere, dan
dat eeuwig geneuk in ’n donkere bedstee met zoo’n lijk van ’n kèrel—en
geen vooruitzichte om ’r ooit bovenòp te komme.—As ze ’t óver zou kunne
doen!.... Liever dat ’t sap ’r bijvloog as wèèr ’n barbier, wèèr dat
fatsoenlijke hongerlijje.... Wat kòcht je voor je fatsoen?.... Wat
hadje an fatsoen? Geen mieter!.... Met fatsoen hoerde je je heele leven
en niemand zei-je d’r dankie voor.—En nou zoo’n mintenée in je huis,
die ’n kàkkie op d’r lijf had van de andere wereld en zoo’n trotsche
stinkert van ’n vent, die net ’t noodige met d’r sprak.—As ze ’t maar
is òver kon doen:....
„Me man en ikke geloove an geen God, geen gebod”—zei ze op een middag,
om Georgine te troosten, die beléédigd was door den kruidenier van de
overzij die voortaan wél op crediet wou leveren, als de „heer” eerst
z’n handteekening in ’t boekje zette: „—U mot u d’r niks van
antrekke.—Soo’n vent die sellef niet te vrete het. As mijn Netje groot
is en se vráágt mijn ... en se vráágt mijn ... dan laat ’k ’r liever in
’n kást gaan dan trouwe met ’n burgerman van mijn stand!.... De mense
sijn niet wijser.... Wat heb ìk an me leve?.... Sórreg en gesappel....
Dàn weer in de sorrég voor ’t gaslich.... Dan weer in de sorrég voor de
belasting.... En me man die allemaal kouwe komplimente en stront mot
afwachte van vijf-cents-klante ... ’n kelner het ’t véél beter.... Wat
hebbe wij?.... Seg u nou sellef?.... U het geen sorrege.... Wat kan u
gebeure?.... Doedelaar mot maar is ’n sweer àn sijn hand krijge, bij
wijse van spreke, en we sitte op ons gat, niewaar?.... Netje mot ’t
sellef wete as se ouwer wordt.... ’k Wou dat ik nog haar jare had....”
Doedelaar minder expansief dan z’n vrouw, kwam alleen los, vóór, in den
winkel, met een zoetsappige gemeenzaamheid, met eene ingehouden
hartstochtelijkheid die scherpe lijnen in z’n beenige kop had gevreten.
Slaperig schrapte hij z’n gewone klanten, sprak over ’t weer, vertelde
vuile moppen an de buren. Als ik me liet scheren kwam-ie dikwijls los.
Ik had ’n pré. Den meneer, die met ’n getrouwde vrouw leefde, vond-ie
een zoo schunnig, ganschelijk te vertrouwen mensch, dat-ie zich niet
kón inhouen, dat ie zwijnigheden aan Fritsje zei, die graag door ’m
onderwezen werd en verhalen deed van ’n paar mintenees, die hij kapte
als ze uit gingen. Ook bediende hij ’n rendezvous in de Govert
Flinckstraat. Als-ie dààrvan vertelde, zakte z’n stem voor de
gehoorigheid, lichtten z’n zwarte oogen in ’t doodskop-gezicht, schoor
hij met kleine voorzichtige zetjes, omdat z’n hand te veel bibberde
voor lánge halen. Ik verlangde zijn gore verhalen niet te hooren, maar
de meneer, dien hij dagelijks om zich had, die ’r ’n „mintenee” op na
hield, die stelde stilzwijgend belang in de warme, heetschrijnende
gedachtetjes, die zijn mager barbiers-lichaam verschrompelden.
„.... Van morge bien iek weer ien die Govert Flienckstraat
geweest.—Daar ies nou een bieldschoone meid mijneer.... Daar gaat je
piepel bij staan, héhéhé!.... Dat zou iets voor Frietz zijn....
Bieldschoon, mijneer.... En die zat ien haar oenderlijfje en moest iek
kappen.... Joeffrou zei iek—iek zou wel ies wielle.... Ja, dat gloof
iek wol zei zij—als jij maar sjente heb, wie?—En toen vertelde zij
mijn—als je viel ien zoo’n rendeewoe komt raak je gauw partikoelier—dat
daar giesteravond een mijneer van die Nassaukade—zijn naam ben iek
vergete—door die polizei uitgehaald ies geworden.—Die wou óok voor
nieks, hèhèhè!.... Wie’k wel geloove.... En toen vertelde zij mij nog
een goeie.... Die heer.... Ies ’t mes wol goed?.... Ja?.... had haar
ausgeschimpft voor miespoent omdat madam ’t niet wou ... toen had zij
èm gezeid: „Miespoent? Miespoent?.... Miespoent ies wat achter jou
hemmetje zit!” hèhèhè!.... Goed, wie?.... Ja, da’s een bieldschoone
meid.... De prammetjes van mijn vrouw zijn ’r nieks bij.... Mijn vrouw
is zoo plat wie een pfannekoek ... hèhèhè.... Maar zoo eens an een
bieldschoone meid te smulle vóór mijn dood.... Daar leg iek elke week
één doebeltje voor weg, niewaar Frietz? En dan gaan Frietz en iek samen
naar die hoere, niewaar Frietz?.... Klaar, mijneer.”
Achter elk zinnetje kwam ’n schrapertje van ’t mes. Zwaar hoekten de
jukbeenderen, omrand door blauwe tintingen van het gladgeschoren vel.
De steile haartjes van zijn sik, felzwart op de geel-dofheid der huid,
rulden tot een pluizige punt. Zijn zwarte wateroogjes, glinstrend in
matte kassen, leefden bij die wellust-opstanden, bij zulke fantasieën
van ànder, jong, weliger vleesch, bij die broeiingen van zijn bloed.
Als hij niet te scheren had, was hij bij z’n kippen die ’t snot hadden,
bij den krakig-ouwen haan, die met een gezwel aan ’t eene oog door ’t
hok tipte—, òf zat hij beduimelde, verdachte boekjes te lezen. Hij was
geabonneerd op De Echo en De Rooie Duivel.... „De Rooie Duivel ... dat
ies die beste koerant ien Holland.... Die zegt waar ’t op staat.... Die
wiendt er geen doekies om.... Heb u geleze hoe die die koningin te
pakke heit?... Als dat bij oens ien Duitschland geschreve werd, zou die
allang ien die kast ziete.... Geen troon, geen beurs, geen altaar—dat
ies ook mijn leus, wie?.... Vin u niet?... Ies ’t kein skandaal dat iek
zooviel belastoeng betale moet?.... Wat heb iek an dat geld?.... Daar
kon iek toch een joenge meid voor haben, wie?”....
Netje, onbedorven kindje, sliep met Ka in de bedstee naast onze keuken.
Díé waren vriendinnen geworden, redeneerden elkander ’s avonds in
slaap. Soms stonden Georgine en ik te luisteren:
Ka: Wat heb jij kouwe voete.
Netje: Jij trek ook al ’t dek af.
Ka: Niewaar. Ik leg van achter bloot. Is ’t zóó goed?
Netje: Nou leg ik heerlijk. Wat hebbe jullie vanmiddag gegete dat ’t
zoo róók?
Ka: Soep.... Soep met balletjes ... enne toen vleesch met ... metté
boontjes enne aarpele ... enne toen gries met alebessesaus.... Enne
watte hebbe jullie gegete?
Netje: Moe het wát lekker gekookt.
Ka: En je moe het niet eens ’n fornuis!
Netje: Kan je niet koke op een stel, kind? Wij hebbe véél lékkerder
gegete dan jullie.... Je mot niet denke dat jullie alleen lekker ete,
schaap!.... Eerst soep ... ieder drie borde ... enne toen óók vleesch
met blomkool en tuinboontjes en aarpele ... enne toen nóg is vleesch
met ... mette andijvie en aarpele ... enne toen zóó’n groote taart met
confituur as je wel is in de winkels ziet ... enne wijn.... Lekker,
hè?.... Enne morrege ete we wéér zoo.... Enne overmorrege weer.... Da’s
ècht waar....
Ka—ongeloovig—Wijn óok? Drinke jullie wijn?
Netje: Elleke dag.—Zooveel as ’k wil.... Jij met je bluf, kind, van je
sóép!
Ka: Nou maar wij gaan óok wijn drinke. Me oome is wàt rijk.
Netje: Mijn pa is véél rijker. Die het kippe en ’n haan en we hebbe ’n
hond die kindertjes mot krijge en wij hebbe ’n winkel en jullie
niet....
Ka: Enne wij wone lekker boven en jullie lekker benèje....
Netje: En wij hebbe ’n tuin, waar jij niet in mag.
Ka: ’k Zou niet wille in jòùw vieze tuin.
Netje: Dat zeggie omdat je niet màg.
Ka: Ik krijg elleke morrege lekkers in me trommeltje en jij niet.
Netje: Poe! Jou lekkers lus ik niet eens.—Nou ik mot óok dek hebbe!
Ka: Gut, kind, ik wil niet eens dek. Ik wil bloot legge.
Netje: Weet je wat ik in me hànd heb?
Ka: Kan me niks schele.
Netje: Ik heb ’n balletje van moe gekrege.
Ka: Je kan wel zooveel zegge.
Netje: Kijk maar! Nou? Nou?
Ka: Krijg ik ’n stukkie?
Netje: Jij heb mijn van morrege maar zoo’n pietsie van je appel gegeve.
Ka: Nou-ou. Die was ook zoo klein. Gister heb-ie sjokola van me
gehad.—En eergister zoutwater.
Netje: ’t Heet geen zoutwater, ’t heet o-deur—o-deur. Wi-je ’n stukkie
afbijte.
’n Stilte.
Ka: ’t Is zoo ha-árd. ’k Heb niks gehad.
Netje: Ik zal is bijte.
’n Stilte.
Netje: Jessus, wat is die hard. Me kieze doen me seer.
Ka: Krijg ik nou niks?
Netje: Nou. Heb maar geduld. Eerst zal ik tien telle zuige en dan jij,
hè? Tel jij nou tot tien.
Ka: Een, twee, drie....
Netje: Nee, niet zoo gauw. Zoo doe ’k ’t niet, kind.... Da’s valsch....
Zóó.... Eéne.... Twééë.... Drìèë.... Hoor je?
Ka: Eén ... twéé ... dríé ... víér ... vijf ... zes ... zéve ... acht
... nége ... tienè....
Netje: Nou jij... Niet kauwe, hoor. Eerlijk zuige, hoor?.... Eene...
Tweeë... Drieë... Viere... Vijfe.... Zesse... Zevene... Achte...
Negene... Tienè... Ho!... Hó!... Nou ik weer.
Dan begon Ka weer te tellen. ’n Kwartier later lagen ze te slapen,
blootgewoeld, met de koontjes tegen elkaar, de vlaskopjes teer pluizend
op ’t bultige wit van het kussen. Toosje, ’t jongste kind van Georgine
kwam éénmaal in de week met ze spelen. ’t Was ’n ziekelijk bleek meisje
van drie jaar met groote zwarte starende oogen. Juffrouw Stengevis,
vies-lachend bracht haar, wat ’n goeie gelegenheid voor haar was om
telkens het geld te komen halen, dat ik Georgine gaf. Vriendelijk had
ze mij als nieuwe heer geaccepteerd, als dè betalende heer. „Je mot
niks an Isaac schrijve,” had Georgine haar eens gezegd: „ik ga van ’m
scheije en trouw dan met Spier.”
—„Waarom doe je toch zulke verhálen,” zei ik boos, toen ze ’t me
vertelde.
„Wou je dan dat ze me man schreef?”
„Wat kan ons dat schelen?”
„Nou—’k heb ’t liever niet.”
„Je dee toch véél verstandiger ’t zelf an hèm te schrijven. Dan weet-ie
’t uit de beste bron. Och, en die scheidingskwestie vind ’k zoo’n
bijzaak. Wat doet ’t ’r toe of je de man mèt het kontrakt ben als je
vrouw niet van je houdt, niewaar? De scheiding is gebeurd. Jij ben nou
vrouw Spier of juffrouw Spier of mevróúw Spier, net wat je ’t liefst
ben. Schrijf hem royaal dat je’n anderen man genomen heb en básta!”—„Ik
zál hem schrijve.”—„Goed.”
Toosje was ’n stil kind. Als zij met Netje en Kaatje speelde, leek zij
het ouwelijk moedertje. Zwijgend zat ik er bij als zij keukentje
knoeiden. Toosje was de „mevrouw”, Kaatje de „dochter”, Netje de
„dienstmeid” en dan moest ik op visite komen.
„Kom u binne, meneer. Ga u zitte. Wat wil u gebruike?”...
„Nou liever niks, mevrouw.”
„Ik heet mevrouw Stengevis.”
„Zoo mevrouw. Héél aangenaam.”
„Wil u ’n koppie sjokola?”
„Asjeblief, mevrouw, dòlgraag.”
Lachend stond Georgine toe te kijken. Toosje brokte met fijn-witte
tandjes ’n paar natte piezeltjes chocola van ’t cents-tabletje, spuwde
die met bruine lipjes in ’n kopje van ’t kinderservies. Ka,
strak-ernstig, dee ’r ’n lepeltje melk bij en Netje, de meid, afgunstig
op mevrouw èn de dochter, die ’t lékkers hadden, terwijl zij alleen
voor water en suiker mocht zorgen, goot uit ’t speelgoedtrekpotje water
bij. Toosje begon dan de chocola, onder hevige belangstelling van Ka en
Netje, met ’t dun wijsvingertje in ’t kopje te wrijven tot de waterige
melk èrg zwart-bruin werd.
„Niet zoo morse, kind”—zei Netje.
„Bemoei je ’r niet mee”—zei Toos snibbig: „ik ben de mevrouw en jij de
meid, hóór, hóór?”
„Tòch zal ’k ’t zegge.”
„Zal ’k is proeve?”—vroeg Ka, die een prachtkleur van kinderlijke
blijheid had.
„Nee-éé. Zóóveel sjokola is ’r niet.”
„Nou maar de sjokola is van àllemaal, niewaar mamma?”
„Geen ruzie make Toosie.”
„Nou-maar zij màg niet proeve, mamma... ’t Is ’n koppie voor oomè.”
„Laat ’r maar eve proeve,” zei ik, báng voor ’t lekkers.
Ka proefde met verliefde roze-lipjes.
„D’r is geen genoeg suiker in, moe.”
Netje schepte wat suiker bij, Toos roerde nog eens. Toen likte zij het
roervingertje af, wou me ’t kopje brengen.
„Nee dat mot ik doen! Ik ben de dochter!”—protesteerde Ka en Netje
snibbig, uit haar humeur, pruilde dat zij de meid was en dat de meiden
boodschappen moesten doen.
„Wie mot ’t brenge, oome?”
„Nou,” meende ik: „Laat nou mevrouw ’t brenge en over ’n kwartier moet
’k nóg ’n koppie en dat moet de dochter brenge en over nòg ’n kwartier
moet ’t dienstmeissie bij me komme. ’k Ben dól op zulke chocola.”
Toos dan gewichtig-pasjes-nemend, met ’t vingerhoed-dopje voorzichtig
voor zich uit, bij mijn knie.
„Asjeblief meneer en wèl bekomme ’t u.”
„Dank u wel mevrouw.”
„Nee, u mot ’t drinke.”
„Ja zeker mevrouw. ’t Is héél lekker.”
„U drinkt niet.”
„Jawel mevrouw.”
„Laat dan is kijke.”
„Da’s niet beleefd mevrouw.”
„Hè, drink u ’t nou uit, oome, ’t is zóó lekker!”
„Mag ’k de dames ellek ’n slokkie geve?”
Toos, Ka en Netje an ’t proeven en Toos an ’t nalikken van ’t grondsop.
En dan weer in ’t hoekje bij ’t raam, om ’t serviesje, knoeiden zij
verdere kopjes, zoet, gezellig-kinderlijk morsend, soms met kleine
ruzietjes, alle drie met vieze bruine vingertjes en chocolade-mondjes.
Ook zaten Toos en Ka wel eens sámen op mijn knieën, keek ik naar buiten
naar ’t lange, groenlooze tuintje, waar de kippenren was en de zwangere
hond rondliep, vertelde wonderlijke histories van reuzen, goeie
koningen en tooverheksen. Bij wijlen luisterde Georgine, glimlachend,
keken de zes oogen naar mijn mond, kéék ik naar ’t kale tuintje, naar
de overzijde van ramen, gordijnen, kamerende menschjes, groeide het
bizarre kinderverhaal naar de fletse regenwolken, óver de vierkantlijn
der daken—kleurend de avonturen van eene purperroode prinses, die op
een kopergroenen zwaan door witmarmeren paleizen aan ’t dwalen was om
een marsepijnen prins te zoeken op wien ze razend verliefd was.
Karel kwam wel eens op bezoek, druk, vertellend van zijn sigaren,
hengelend naar ’n nieuwe bestelling, gekscherend over de „weddingschap”
bij Thomas. Zijn klein eigenbelang had hem tòch maar doen blijven bij
de menschen die ons zoo christelijk verjaagd hadden. Hij at er zoo
goedkoop. Hij sliep er zoo goedkoop. Ze waren zoo góéd voor hem. Eens
werden we verrast door Lisy, de vriendin van Georgine, die ’k in Den
Haag had leeren kennen. Ze had haar man „laten stieken, den
Scheiszdreck”, nu de varkens „gedresseerd” waren, leefde met een rijk
diamantjoodje. Duur aangekleed, met een mantel, dien Georgine op
honderd gulden taxeerde, benauwde ze een vol uur het pover gemeubileerd
kamertje, dronk een half fleschje port, deed verhalen van ’n
champagnefuif bij Van Laar samen met àndere mintenees en minteneurs.
Moos, stil, in-zichzelf-gekeerd at de meeste middagen bij ons. Hij
„werkte” aan een treurspel, kwam tegen etenstijd, hol van oogen,
vermoeid, speelde met Kaatje, ging weer dàdelijk na het eten weg. De
langdurigste, gedeeltelijk pijnlijkste bezoeken waren die van Dirk. Op
een publiek Bal-masqué in het „Paleis” hadden Georgine en ik Guus bij
oesters en champagne gezien met den ouden bankier, die wel eens bij De
Mijtelaar „soupeerde”. Zij was dronken. Hij, ook dronken, bevoelde haar
bloote armen tot onder de oksels. Achter onze maskers hadden we
verbaasd toegekeken. Dirk kwam toevallig den volgenden dag bitteren.
Georgine was in de keuken.
„Ben je uit de stad geweest?” vroeg ik.—„Uit de stad? Welnee. Hoe kom
je dáár op?”—„Was je op ’t Bal-masqué in het Paleis?”—„Nee. Guus was
niet lekker.”—„Niet lèkker? Wat scheelde ze?”—„Maagpijn. Om zeven uur
is ze al in bed gekrope.”—„Zoo. Heeft zij je dat verteld?”—„’k Heb haar
zelf naar huis gebracht. Wat vráág je toch? Is ’r wat?”—„Weet je dat ik
je eens op m’n woord beloofd heb, je te zullen wáárschuwen?”—„Wát is ’r
dan?”—Z’n gezicht spande in aandacht.—„Guus was gister drònken op ’t
Bal-masqué met dien ouden zwabber Van Gool.”—„Mèt?”...—„Met Van Gool,
die alles kóópt, die ’r tracteerde op oesters en
champagne.”—Gebukt-zittend voor z’n bittertje; zei hij alleen maar
dof-woedend: „... Wel gòdverdomme... Wel gódverdomme.”—„Als ’r
mogelijkheid bestond voor ’n vergissing zou ’k m’n mond gehouen hebben.
Maar die mogelijkheid was ’r níét. Georgine en ik hebben ’t duidelijk
gezien.”—Bleek-zwijgend, hoekte hij in den leunstoel, de oogen
onzichtbaar door ’t glad-glimmen der brilleglazen.—„Ze had zich
gedémaskeerd in de souperzaal... Ze was dronken... lachte
akelig-hard... Ik had vanavond bij je aan willen komen.”—Roerloos hokte
z’n lichaam. De brilleglazen spiegelden in ’t lamplicht. ’k Verschoof
om z’n óógen te zien.—„Wat ’n sekreet,”—gromde hij, heesch:—„wat-’n
sekréét...”—„Je zult verstandig doen haar af te schrijven...”—„... Wat
schrijven!... Wat schrijven, Goddoome!... God mag ’r genadig zijn als
’k ’r zie, die hòèr, die hòèr!”—„Wees verstandiger kerel...”—„... Nou
’k geen cente meer heb... Nou me zaak in aardappele en kole naar de
gloeiende verdommenis is... Nou ’k ’r niet meer kan vóéren... Die
hòèr!... Dat sekréét!... Als ’k ’r hier had! Goddoome... als ’k ’r nek
tusschen m’n poote had... Godverdomme!... Godverdomme!... ’n Man zoo
gemeen te belazeren!... Dat krèng!”—Rood uitpuilden z’n oogen achter de
brilleglazen. De aeren van zijn slapen zwollen in ’t bleeke vel.—„Wat
gebeurt hier? Hebbe jullie ruzie?”, vroeg Georgine die uit de keuken
kwam.—„Nee, Mol. ’k Heb hem van gisteren nacht verteld.”—„Waarom heb je
dat nou gedaan, Alf?”—„Om ’m te waarschuwen.”—„Had-ie soms mee motte
helpe om me te verneuke!”—kwam Dirk bleek-driftig los: „àlles heb ’k an
d’r gespendeerd... Me heele erfenis opgemaakt... Me halve zaak heeft ze
verzòpe... En me nou zóó te belazere... Zoo godsnakend gemeen... met ’n
ouwen patser... Die stinkhoer!... Maar ze zal ’t wète!... Levend komt
ze niet uit me klauwe... ’k Vermoor d’r!... ’k Waag ’r tien, twintig
jaar an... Niks kan me meer verdomme! Bonjour!”—„Hoho! Hé... Wees niet
krankzinnig... Sluit z’n hoed is weg, Georgine... Ben je gék, kerel...
Wil je wel is gauw weer gaan zitte!... Is Guus ’n vrouw om ’n moord an
te begaan?... Respecteer jezelf toch... Denk is na... Is ze niet tè
verachtelijk, tè rot!... Die wil liever de geldhoer zijn van ’n ouwen
dan de vrouw van ’n jongen man!... Laat ’r verrèkken... Laat ’r stikken
in d’r vuil!... Dank God dat-ie je verlost van zoo’n slet! Die vrouw
was de kànker van jouw leven!...”—„D’r vermoorde”—vulde Georgine aan:
„wat heb je daar an?... Guus heeft zich vuil gedrage... Echt-gemeen...
Net zooals ’k van d’r wachtte... Bederf je toekomst niet om zoo’n méíd!
Wat heeft ze vroeger al niet uitgehaald vóór jij met d’r was?... Jezis,
weet je daar niks van? Vraag maar is an Duif!... Die weet ’r meer van
dan één van ons... Ze heeft ’t angelegd met ’n kelner van Kras en die
heeft ze ’t leven zoo verzuurd dat-ie zich opgehangen heeft... Zij en
Trees, da’s ’n stelletje... Naar bed gaan met ’n ouwe vent... met zoo’n
viezerik as die Van Gool... as je ’n eigen man heb, waarvan je houdt...
Alf heeft groot gelijk... Breng je niet in ongelegenheid... Misschien
is ’t wel góéd voor je... Want ’n vrouw voor je, was ze zeker niet...
Dee ze ooit wat an je ondergoed?... Je mot me niet kwalijk nemen, maar
als ’k bij jullie kwam...”—„Nou-nou-nou, Georgine... Dat heeft hier nou
niet mee te make.”—„Zoo-o? Zoo-o? Heeft dat ’r niet mee te make? Als ’n
vrouw van ’n man houdt dan past ze op z’n boeltje... Dan laat z’m niet
loope zonder ’n knoopie an z’n hemd en met zulke kapotte boorde... Dat
merke wíj vrouwe ’t best... D’r zijn nog vrouwe genoeg op de wereld,
Dirk... Laat je hoofd maar niet hangen, hoor!... Dan heeft zij ’r nog
lol van...”—Dirk bleef beweegloos, de handen slap-hangend op z’n
buik.—„En àltijd die Duif bij jullie over de vloer...”—„Maar lieve
snoet, is dat nou ’n troost voor Dirk, als je over z’n vroeger
huishouden kwaad spreekt?”—„... Wàs ’t dan niet waar? Niks dee Guus
voor hèm... Elleke avond bij La Fuente visch koope... en sardines
koope... en gerookte paling... en blikkies zallem.... Dat dóét geen
vrouw die op ’t boeltje van d’r man past... Vroeger dee ik ook allemaal
zulke dinge... kon ’t me niks verdomme hoeveel geld ’r voor me
uitgegeve werd... maar tegenwoordig, tegenwoordig ben ’k tòch wel een
goed vrouwtje niewaar Alf en hou ’k de cente bij mekaar, àls ze d’r
zijn, niewaar?... Maar Gúús... ’k Zat me dikkels te ergere... Altijd de
baas spele... Altijd ’t hoogste woord... Altijd geld wegsmijte... En
als je me nou eerlijk vraagt: denk je dat ze hem voor ’t éérst bedroge
heeft?... God, wat was jij onnoozel Dirk... Begreep-je dan niet, dat ze
je altijd zat voor te liege?... Weet je nog die avond bij Apollo...
toen hij zoo woedend was op die gemeene liedjes... Herinner je je niet
meer?... Toen had ze je al te pakke!... Niemand van ons geloofde dat
zij de heele avond was thuisgebleve... Dat kón zij niet en dat kàn ze
nog niet. Als jij voor d’r deur stond, was zij met àndere uit. Anders
niet! Van d’r verhalen van d’r moeder en d’r zussies geloof ik geen
jota!... Wees jij de verstandigste en geef jìj háár de bons... Je zult
is zien wat ze dan ’n moeite zal doen om ’t weer goed te make... en als
jij dan voet bij stuk houdt... heeft zij de pest in.”—„Ik weet ’t
niet.. Ik weet ’t niet,” zei Dirk, suf, moe.—„Heb jij álles voor die
vrouw gedaan?” vroeg ik weer.—„Alles. Bij Gòd.”—„Wil je verder met ’r
leven?”—„God mag me verdommen als ’k ’r ooit weer anraak!”—„Dan ga jij
jouw weg en laat haar doen zooals zìj wil... Met van ’n vrouw te houen,
heb je niet ’t recht op haar leven en zoo’n òneerlijke daad moest je
zóó stuiten, dat ’t je niet in je gedachte moest opkomen om er wraak
over te nemen...”—Dof luisterde hij, oud-van-zitten en mijzelf klonken
die woorden vréémd. Als ik Georgine aankeek, die bij zijn stoel stond,
flitsten woelingen van wraak door mijn hoofd bij ’t bedenken hóé ’t
wezen zou als ik zoo iets van háár hoorde. Dirk scheen iets dergelijks
te voelen.—„... Jij heb makkelek lulle,” zei hij: „jij kunt ’t
bérédénéére... Théorie is zoo godluizig-mooi... zoo verdomd-mooi... ’k
Wou jou wel is zien”...—Koppig hield ik aan: „... Nou, dat méén ik...
dat méén ik... Een vrouw bedriegt ’n man alleen als ze mooi weer speelt
en ’t mèt ’n ànder anlegt... Als ze je eerlijk zegt, zóó en zóó—ik hou
niet meer van jou en ik wil vrij zijn—dan heb je geen rècht ’r te houen
en dan bedriegt ze je niet... Guus hééft jou bedrogen... verdómd
vies... Maar om zóo’n soort bedrog moet je heelemaal niet woedend
worden”...—„Klets! Klets! Klets!” vlamde Dirk op: ... „Allemaal ’r
naast! Allemaal theoretische kúl, niks anders! Ik vóél me vrouw als ’n
bezit en als ze hier was, zou ’k d’r hersens intrappe!”—„Ja, jij zegt
ook ràre dinge,” meende Georgine: „dan zou ’n man an ’n vrouw kunne
zeggen: ’k hou niet meer van jou èn bejour! Nee die is goed! Da’s nou
toch ook kemiek”...—„En wat doe jij dan met jouw man?”, vroeg ik,
redeneerend.—„Met mijn man? Da’s ’n héél ander geval...”—„En wat is ’r
ánders an?”—„Nou, dat weet jij ook wel.”—„Nee. Dat weet ik niet. Ik wil
van jou nou wel is ’t onderscheid hooren.”—„Hè, wat zààg jij! Is ’t met
mij niet ànders?”, zei zij geprikkeld.—„Zeg dan maar wàt,” hield ik
aan.—„Mijn man was slecht voor me”...—„Dat heeft niks te maken, kind,
met wat ik zei... Jij hield niet meer van die ánder... Jij bent
ruiterlijk met mij gaan samenwonen en je hebt hem geschreven hòè en
wàt, niewaar?... Hèm bedrieg jij dus niet... En nou móét hij zich
schikken, nìèwaar?... D’r helpt geen moedertjelief an.”—„En als-ie nou
is hier kwam en jòù vermoordde?”—, begon Dirk, afgeleid, mee te
redeneeren.—„Dan zou ’k me verdedigen of de politie ’r bij halen. Want
jé eenige huwelijk is toch maar dat van twee vrìje willen...”—„Goed en
wel”—redeneerde Dirk: „Maar als Georgine jóú morgen de bons geeft?
Redeneer jij de natuur weg?”—„Stel je is voor, míjn Alf,” zei Georgine,
haar armen om mij heen-slaand.—„... Ja—jòùw Alf—Wàt dan?... Dan vin jij
’t goed, hè? en dan beredeneer jij de nieuwe rechten van den nieuwen
man? Onzin! Klets!”—„... Ik hoop dat ’t me niet zal gebeuren,
Dirk.—Maar àls zij zich niet gelukkig bij me voelt of op ’n ander
verliefd raakt, dan is ze volkómen vrij—als ze ’t maar éérlijk zegt.
Wie heeft ’n „recht” om ’n ander vast te houen. En als je wil, hoe kùn
je? Wat hebben de kracht en de ploertigheid van ’n man bereikt tot op
vandaag? Zeg nou is zelf!... Niks. Geen bliksem. Je hart en je ziel
zijn geen gedresseerde juffershondjes, geen voorbijgangers an wie te
kommandeere valt „Rechts houen,” geen lastige vlooien die je maar te
knappen hebt...”—„Nètjes, nètjes,” vermaande Georgine.—„... Nou já!...
Of ze willen of niet, de pastoors, de dominees, heel
christelijk-fatsoenlijk Holland: liefde is ding van vrijen wil—al
bestaat er nou geen „vrije” wil door maatschappelijke omstandigheden.”
„En toch lùl jij!”, zei Dirk bot: „jij voelt net zoo goed als ik, dat
’r oogenblikken in je leven zijn, dat je niet vrààgt, niet dènkt,
alleen lust hebt ’n warme strot tusschen je handen te
knijpen.”—„Mogelijk”—zei ik: „maar je zult moeten toestemmen dat òns
geredeneer jòù al vast overtuigd heeft, dat ’n geval als dat van Guus,
heelemaal niet besproken kan worden, dat dàtzèlfde geredeneer je
glashelder zegt, dat Guus te vèr van je afstaat om notitie van ’r te
kunnen nemen.”—„Jà en weet je wat jij bent,” viel Georgine uit: „jij
bent ’n man die ’k niet vertrouw! Jij heb achterdeurtjes voor
àlles.”—Zij was echt-vrouwelijk gepiqueerd over mijne beschouwingen,
begon de trouwheid van man en vrouw te bepleiten, dat ’t ’n schánde was
als ze elkaar bedrogen en nòg gemeener als je zoo maar op ’n goeien dag
van elkaar genoeg kon krijgen. Waar was ’t begin en ’t end? En hoe
gemakkelijk dat voor de mànnen zijn zou! Die konden dan wel elken dag
’n andere vrouw nemen, hè? Zoo zou je één groot bordeel krijgen,
niewaar? Nee, als ze van elkander hielden, zooals zij van mij
bijvoorbeeld, dan moest ’r straf op staan als de man wegliep. Dan
had-ie maar niks moeten beginnen. Ze wond zich op. Wat een ònzinnige
redeneering. Als ik haar dus zei: Georgine, ik hou niet meer van jou—ik
ga met Lisy of Trees of Lilly samenleven, dan moest zij ’t goedvinden,
dan kon zij verkassen. Jawel. Liever krabde ze mijn oogen uit. Als ze
me óoit met ’n andere vrouw zag, zou ze ik-weet-niet-wat doen.
Zelfs Dirk moest om haar opwinding lachen. Dien middag bleef-ie mét
Scherp bij ons eten en eerst om drie uur ’s nachts bracht ik hem naar
Mast waar hij zou logeeren.