BIECHT.

„Our public opinion, our literature, our customs, our laws,

are saturated with the notion of the uncleanness of Sex and

are so making the conditions of its cleanness more and more

difficult. Our children, as said, have to pick up their

intelligence on the subject in the gutter.... Till this dirty

and dismal sentiment with regard to the human body is removed,

there can be little hope of anything like a free and gracious

public life. With the regeneration of our social ideas the

whole conception of Sex as a thing covert and to be ashamed of,

marketable and unclean, will have to be regenerated. That

inestimable freedom and pride which is the basis of all true

manhood and womanhood will have to enter into this most

intimate relation to preserve it frank and pure—pure from the

damnable commercialism which buys and sells all human things,

and from the religious hypocrisy which covers and conceals; and

a healthy delight in and cultivation of the body and all its

natural functions and a determination to keep them pure and

beautiful, open and sane and free, will have to become a

recognised part of national life.”

Sex-Love, and its place in a free society, by Edw. Carpenter.

Levendig herinner ik mij een avond uit het begin onzer verhouding. Wij

lagen te bed in de weldadige narust van genoten gemeenschap, als het

lichaam zich krachtig, verjongd gevoelt en het hoofd ’t leven

frisch-weelderig aanziet. Er was lampeschemer in de kamer. Ik had haar

vroeger wel meer willen vragen van het verleden; ze had het ontweken.

Dien avond kwamen de dingen vanzelf.

We hadden geruzied over malligheden. Ik wilde het goedmaken. Zij bleef

koppen. Maar zachtjes gingen mijn armen om haar heen, zoende ’k haar op

het oor, wat ze niet hebben kon, wat haar dee gillen zoo wéé als ze ’t

vond.

„Judas! Met je gezoen op me oor. Hè, ’t klinkt me nog door me

hersens!.... Nee toe, Alf doe ’t niet meer.”

„Zul je dan zoet zijn, Mol... anders begin ’k te bijten!” Mol was haar

bijnaam geworden.

„Wat ben-jij lastig in bed. Zoo’n lastige....” In eens hield ze op.

„Ga maar door.”

„Wàt door?”

„Wat je verder wou zeggen.”

„Verder zegge—’k wou niks verder zegge.”

„Je wou wèl wat verder zeggen.”

„Op me woord niet.”

„Wou jij niet zeggen: Zoo’n lastige hé’k nog nooit ontmoet?—in bed,”

dacht ik er bij.

„Hé, wat vies.”

„Hoe—vies?”

„Om zóó iets te zegge. Over die dinge moest je niet spreke, als je ’n

beetje kiesch was.”

„O—Vin je dat?”

„Ja, natuurlijk.”

„Wil je je wel eens gauw omdraaien, Mol?”

„Nee.”

„Draai je je om, ja of nee?”

„Nee.”

„Denk je da’k je warme billen voor pleizier in me schoot heb? Draai je

je om, of ’k knijp!”

„Nee!.... Hé, wat ben je geméén!.... Wat ben jij ruw met ’n vrouw!....

Me armen zitten vol blauwe vlekken.... Netjes voor de artieste als ’k

gedekolleteerd ben!”

„Reden om je in je billen te blijven knijpen!”

„Nou, is ’t gedáán! Wat ben jij ’n sar.... Wil ik jou is knijpe, als je

’t zoo prettig vin?”

„Hier is me arm. Knijp maar raak.”

In m’n opgezette biceps probeerde ze te knijpen. ’t Ging niet.

„Hé, wat is dat eng-hard. Wacht, voel je niks?”

„Nou, maak ìk zoo’n spektakel?”

„Doet je dat heusch geen pijn?”

„Nee.”

’t Doet wèl pijn. Terwijl we verder praten gloeien de scherpe nagels in

de huid, alsof ’n heete naald me gebrand heeft—en àl pratend is er ’n

chagrineerende onderstrooming in m’n gedachten, dat ze niet zoo vinnig

zou dóórgeknepen hebben, zoo indrukkend de nagels, als ze van me hield.

En zoolang de natinteling duurt is er ’n gemelijkheid in me, ben ’k

stiller, soes ’k tùsschen de woorden door over de waarheid dat een man

staat tot een vrouw als een manneknijp tot een vrouweknijp. Maar mét ’t

gloeien verdwijnt de geïrriteerdheid, denk ik me in—in bed zaag je

wonderlijk-helder over de kleinste dingen—in haar nijdigheidsgevoel

over de twee knepen in de bil en word weer opgewekt. Zoo doet ’n

wijsgeer.

„Wat hè-jij ’n boeken! Kolossaal. He je die àllemaal gelezen?.... Nee

wel? Dat lees je in geen eeuw uit.... Strakkies mot je ’n èrg gemeen,

’n erreg gemeen uitzoeke voor me.”

„D’r is niet één gemeen bij.... Die ’k had, heb ’k allemaal an

Kokernoot verpatst, als ’k geld noodig had.”

„Nou ’r zal ’r wel één gemeen—érreg piekant bij zijn. Niet?”

„Nee.”

„Dat zeg je maar om ze mij niet te late leze! ’k Kan je d’r zóo een

uitpikke, da’k zag staan.”

„Dan ben jij ’n knáppe Mol.”

„Zoo, dat zulle we zien.”

Ze springt ’t bed uit, neemt van de derde plank ’n wit-zwart boek.

„En dàt dan?”

„Breng ’t maar mee.”

Ze kruipt weer in bed met... Johannes Viator.

„Nou?”

„Ganzekop, hàhaha! hàhaha! Dat moest Van Eeden eens hooren! hàhaha!”

„Wat lach je nou! Wat is ’r nou te lachen!.... Laat mij ’t maar

leze....”

„Goed lees jij ’t maar.”

„Johannes Viator.... Het Boek van de Liefde.... Zeker erreg vuil,

niet?”

„Hàhaha! Hahaha!”

„Jij kan zoo beleedigend lachen!”

„Lieve snoet—ik lach om je moppigheid—’k geef je m’n woord da’k geen

één vuil boek heb, geen enkle roman en”—hier scherpt m’n tong tot ’n

nijdigheidje—„je hoef me ook nooit om zoo’n boek te vragen. ’k Heb ’n

schrikkelijke puist an gemeene lektuur.”

„Ik niet. Als kind von ’k ’t al heerlijk. Hoe piekanter, hoe echter.

Hè-je van Paul de Kock gelezen Laura of ’t ophaalgordijntje? Nee? Of

Gustaaf de losbol? ’k Herinner me nog zóó die scène as-die ònder ’t bed

van jonggetrouwde menschen ligt en ’t bed hoort krake”....

„Ja—je heb ’t me al eens verteld—weet je niet meer: die avond toen we

naar Apollo gingen, dat je dol ben op zulke vuiligheid. Als ’k ooit

zoo’n boek in je handen zie, verscheur ’k ’t.”

„Dat zal je wel late.”

„Nee dat zal ’k niet. Ik wil ’t niet.”

„Nou je wilt niet! Jij wilt niet. ’k Heb toch ook ’n wil. Mag ’k niet

leze wat ’k wil?”

„Nee. Ik zal wel voor je uitkiezen”....

„Onzin. ’k Ben geen meissie van veertien jaar.”

„Hou je nou op of niet! Ik zeg je da’k elk vies boek da’k bij je vin

verscheur.”

„Welzeker! En me gulden statiegeld van de leesbibliotheek?”

„Dat kan me niet schelen.”

„Dat kan jou niet schelen? Je mot nou niet zoo’n toon anslaan. Dat kan

jou niet schelen! Wat-n-onzin! Da’s kinderpraat.”

„Nou-én je doet ’t niet meer!”

„Wat vlieg je toch op! ’k Schrik ’r van, zoo hard als je schreeuwt. Jij

ben net zoo opvliegend als”....

„Als wie?”

„Als niemand”....

Stil liggen we naast elkander met Johannes Viator boven op de deken.

Dat ze zoo verduiveld koppig is—dat ze alles beter wil weten—wat is dat

hatelijk van d’r—en stom van d’r—en wat beroerd om over zoo’n misselijk

onderwerp ruzie te krijgen. Warm, donzig-warm drukt haar dij tegen mijn

been, gladde vleesch tegen gladde vleesch met haartjes zacht-warm er

tusschen.—Je ben net zoo opvliegend—als wie?—als wie?—als wie: heeft

die wie ook zoo gelegen met z’n been langs ’t glad-warme vleesch in de

stilte na ’n ruzie—als wie?—als niemand—Dat liegt ze.—Als d’r vader?

Als d’r broer?—Nee, dan zou ze ’t wel zeggen.—Als d’r man?—Hé jassus

hoe misselijk, om van te kotsen, om an je man te denken.—Nee niet an

d’r man.—Wie dan?—Wie dan? Wat ’n koppig schepsel.—Nou is kijken wie ’t

eerst z’n mond open doet.—Effen anwrijven met je been.—Wat is ze toch

vet.—Nou wegtrekken je been.—Ze verdomt ’t.—Nog is andouwen.—Nou trekt

ze d’r dij weg.—Hé, wat haatdragend,—nog is andouwen,—effen d’r

kriewelen, onder d’r voet....

„Nou! Begin je weer, sar!”

„Kom laten w’elkaar maar weer afzoenen.”

„Nee.”

„Toe nou, Mol”—en de lippen plakken op elkaar, met ’n zacht gestoot van

adems, met ’n licht gekietel van pluimhaar over m’n voorhoofd.

„Als wie ben ik zoo opvliegend?” zeg ’k dan. „Hou haar vast in m’n

armen.”

„Als niemand.”

„Jok nou niet.”

„Ik jok niet.”

„Denk je nog wel eens an andere mannen”....

„Zeg, ben je”....

„.... Nou ja.... We leven al veertien dagen als man en vrouw... waarom

zou je me niet àlles zeggen?”

„Watte?”

„Van vroeger.”

„Dat wéét je”....

„Nee, dat weet ik niet.”

„Van me man hé’k je verteld”....

„Jawel.”

„Wat wi-je dan nòg van me.”

„Niks.”

„Geloof je da’k”....

„Ik geloof niks. Ik vráág”....

„Wat kan ’t jou schele”....

„Van me vróúw wil ’k alles weten.”

„Van je vrouw? Hou me maar voor de gek. Ik voel wel da’k hier leg

als.... als ’n hoer”....

„Georgine!”....

„Denk je da’k ’t niet méér voel dan ’k ’t zegge kan, wàt ’k ben, nou ’k

hier màg zijn om ’n caprice bij ’n vrijgezel”....

„Wil je je mond houen!”

„Denk je dat ’t niet schrikkelijk voor me is.... als ’k er over

nadenk... da’k ’n gevallen vrouw ben... ’n gewone hóér!... Gotogot...

Wat is dat geméén van je!”

Haar heete tranen glijden met stootende glijdinkjes over de haren van

mijn borst; elk van haar snikjes schokt tegen de warmte van m’n arm.

„Kom, snoetje.”

„Niks begrijpe jullie. Niks! ’k Schaam me dood op je stoep, als de

buren naar me kijke... En dan kom jij door je gang ansloffe.... zien ze

me binnen gaan.... Strakkies mot jij weer uitkijke of ’r niemand in de

straat is.... kan ’k wegsluipe langs de huizenkant... Ik ben maar je

tijdverdrijf... Anders niks! Anders niks!”

„Toe, schei nou uit met je lafheden,” zeg ik booswordend.

„Daarnet heb je ook zoo iets vies gevraagd, alsof ’k ’n snol ben.... Je

heb nou al minachting voor me omdat ’k gevallen ben.... Daar begin ’t

mee!.... Toen je de eerste keer met me naar bed ging was je ook

zoo—zonder respect—heb je me behandeld als ’n publieke vrouw”....

„Georgine, bedaar toch malle meid”....

„Nee! ’k Zal je àlles zegge.... ’t Heeft me lang dwars gezete, dat je

toen je hemd heb uitgetrokke—zoo spiernaakt in bed te komme—dat was ’n

beleediging voor me—zoo iets doe je niet bij ’n vrouw die je

respecteert.... dat doen jullie in bordeele!”....

„Luister nou eens, mal, opgewonden kind. Luister eens goed. Ik bezweer

je nòg eens bij mijn heilige fantasie van God, da’k niet anders denk

dan dat je mijn vrouw ben, da’k je als mijn vrouw zal behandelen en

voor de menschen zal toonen dat je mijn vrouw...”

„Dat kan toch niet! ’k Bén toch getrouwd... Doen we nou niet alles

stiekem?.... En als me man uit Amerika komt”...

„Jouw man?... Ha-ha! Dàt wil ik wel zien, wie recht heeft, de man

met-het-kontrakt òf de man van je vrijen wil”...

„En me kindere?”

„Die zijn van jou. Daar ben jij beter voor geweest dan hij. Die neem

jij. Die zijn jóúw eigendom. Ik zal voor ze zorgen.”

„Maar als die me doodsteekt.”

„Ach schaap—je weet toch wel dat ’t verboden is wapenen te dragen... An

vijf en twintig gulden boete waagt iemand zich zoo gauw niet.”

„Jij heb makkelijk spotten.”

„Je heb op één ding antwoord te geven, lieve Georgine: hou ’k van hèm

of van hèm? Hou je van hém dan bedrieg ’m niet, dan zondig je niet

tegen z’n kontrakt. Van wie hou je, volgens je geweten, zóó dat je erg

lúchtig voelt als je ’t zegt?”

„Van jou natuurlijk. An hém denk ik heelemaal niet.”

„Praat dan ook niet verder over die vreemde man, die ons geen van twee

interesseert. Vertrouw je me? Kijk me goed an—recht in de oogen—vrouw,

vróúw—vertrouw je me heelemaal?”

„Als je zoo spreekt vertrouw ik je héélemáál, voel ’k me

goddelijk-gelukkig.”

„En wie was nou die iemand die óok zoo opvliegend was?” vraag ik

glimlachend.

„Nee—nóú niet Alf.”

„An je man moet je àlles zeggen—anders krijg je nooit een huwelijk—Wie

was de.... éérste?”

„Nee... nee, lieve Alf.”

„’k Vraag niet uit nieuwsgierigheid—God nee!—en ’k zal niet vreemd

opkijken—al zeg je me de ergste dingen, ’k hecht er niet aan; ’k hecht

er níéts aan—maar ’k zou ’t je nooit vergeven als je nu maar éven

liegen kon.—Met alles te zeggen maak je schoon schip, met te verzwijgen

blijf je, wór je gevallen vrouw. Nou kindje?”

„Ach God, ’t is zoo moeilijk....”

„Zet niet ’n gezicht als de boetende Magdalena, lieve vrouw. Ik hou

niet van boetende zondaars. Magdalena vin ’k ’n schááp.... Zeg nou

álles.”

„Alles?”....

„Alles, als ik àlles weet, is ’t geen schande meer voor jou, kun je me

altijd in de oogen zien—ben je volkomen, voor-god éérbare vrouw

geworden. Mijn fantassie van God is zoo volkomen ànders dan die van

heel-brave lui. Voor mijn God eerbaar kun je nu worden! Voel je dat?”

„Ik voel dat jij goed ben ... lìève jongen”....

Met de nog natte oogen bleef ze me aankijken, de minste uitdrukking in

de mijne bespiedend, oog in oog, soms even ophoudend, met ’n angst dat

’k iets zeggen zou, soms aarzelend, schipperend met wóórden om te

verzachten of te verbergen.

„.... Ik ben niet altijd zoo geweest, Alf.... Als jong meisje was ’k

fatsoenlijk—op m’n woord van waarachtig—vraag dat maar an me moeder....

En ’k ben toch wel in verleiding geweest....—Kijk me nou niet zoo

constant an! Toe!—Je mot de mensche in België kenne.... We reisden toen

... me vader, me moeder, me broer en ik—hoe lang is dat wel geleje?....

’n jaar of vijf na de Fransch-Duitsche oorlog ... ’k herinner me nog

best hoe Metz er uitzag.... Als kind van twaalef jaar keke de manne al

naar me.... ’k Herinner me in Antwerpen—daar ha’k gezonge, toen d’r ’n

heer naar me toekwam, die me tien franke beloofde as ’k effen met ’m

meeging achter de deur—om wat te doen? zei ik—Nou dat zal je wel zien

zei-die—’k zal ’t effen an me moeder zegge da’k mee-ga zei-ik en toen

was-die al weg. Je kan begrijpe hoe woedend me vader was—’n Andere

keer, o, ’t zijn zulke vuilike, zulke schobbers in België, bood ’r een

tweehonderd franke an me moeder en dan zou-die me broer ook ’n goeie

opvoeding geve.... Is me moeder dan geen brave vrouw, hè, dat ze met al

d’r arremoe al die schooiers van me lijf het gehoue. As kind begreep ’k

’r niks van.—Eens hè’k de artieste zoo doen lache, toen d’r een vroeg

of ’k al wist hóé de kinderen kwamme.—’k Wou toen erg wijs zijn en zei:

de mensche doen net as de hondjes.—Zóóveel wist ik toen, zeg—op me

woord van waarachtig. ’k Was een mooi kind hoor, vraag dat maar an me

moeder—net zullek dik haar as nou en veel blonder—verleje jaar hè’k ’t

geverfd en dat zit nog in me haar—zie je wel an de puntjes? Op me

twaalfde jaar droeg ’k al lange rokke en zagen ze me voor zestien

an.... Nou van de zake hoef ik je niks te vertelle wat ’n schrik of dat

was.... Hoe oud was ’k toen?.... Dertien.... Ja dertien.... Ik an ’t

huile van de schrik.... Ik dacht niet anders of ’k was ziek.... Me

moeder an ’t lache! Wat heeft me dat mensch gelache! Da’s niks zei-ze:

dat heeft ellek jong meissie.—Nou maar wat is ’t dan, vroeg ik

huilend.—Ach niks, de prins is jarig.—De prins is jarig? vroeg ik—Ja,

de prins is jarig—zoo noeme ze dat in België as ’n vrouw de regels

heeft—Nou toen me vader thuis kwam, lag ik uit ’t raam en riep met

zoo’n blij gezicht: vader, de prins is jarig!—Wat hè’k toen op me

gezicht gehad! ’s Avonds toen zei moeder tegen me: nou za’k je nog is

wat zeggen: als de prins bij ’n meissie jarig is geweest, dan mot ze

erreg oppasse, anders krijgt ze ’n kind. Als ’n man je nou aanraakt of

ankijkt, krijg je ’n kind, hóór.—Dus je past op hóór en je laat je door

geen man anrake of ankijke.—Wil je geloove da’k tot me vijftiende jaar

wegliep van me stoel op ’t tooneel—we zatte toen nog allemaal in ’n

kringetje op stoele—as d’r een làng naar me keek—Dat geloof je nou

niet, wel?—Vraag ’t maar gerust an me moeder, da’k niet lieg....

„Nee, ik gelóóf je wel, kind.”

„.... In de Vic kreeg ’k kennis an me man—’k zal sterreve as ’k lieg:

de eerste nacht heeft ie niks bij me gedaan.... Begrijp jij zoo

iets?.... Toen ’k ’t an me moeder zei, wou ze ’t niet geloove.... ’t Is

ook niet om te geloove.... God, god, wat was dat een koele.... Eens in

de veertien dagen dee-die wat ... en dan most j’m nog anhale.... Was

dat nou ’n man om te trouwe?.... Mot ’n man trouwe as-die zoo óp

is?.... Je trouwt wel niet om de heele dag in bed te legge, maar ’n

blok steen, da’s toch ook niet pleizierig voor ’n jonge vrouw, wat?....

En zoo vies as die was in bed.... ’n Heel bad nam-die nooit ... z’n

voete gaf die eens in ’n winter ’n beurt.... Lekker, hè? En altijd

spoege op de grond. Zóó ha’k de grond gedwijld, zoo lag d’r spoeg van

’m.... Maar die éérste nacht, die éérste nacht, toen ik lag te wachte

en niks zegge dorst ... en toen die slape ging omdat de wijn ’m naar

z’n kop gestege was ... en ik niet inslape kon, omdat ’k ’t zoo vreemd

von, die zweetende man in me bed.... Wat hè’k de volgende dag

gehuild.... Verbeel-je:—dat schiet me nou te binne—’k zal geen gezond

uur meer hebbe als ’k lieg—dat vloeke he’k van hèm, zeg, ik zìè wel dat

je lacht—... ’k was zoo nijdig op ’m da’k de trouwacte verscheurde om

’t uit te make. Me moeder was ’r bij.... Isaac en zij an ’t lache!....

Wat was ’k toen nog onnoozel, hè?.... Net ’n gans! al ha’k al zes jaar

in een café-chantant gezonge.... Om kort te gaan ’k kreeg eerst

Kaatje.—De weeën begonnen toen die ’s morgens naar de fabriek

ging—thuisblijve dee die niet—wat die man nou kon verdomme weet ’k nog

niet—en toe-die thuis kwam ete, was de dokter net zoo wat klaar. Hij

wou ’t kind Sarah noeme, naar z’n grootmoeder. Dat heeft toen nog wat

ruzie gegeve, maar me moeder was d’r ook bij.—Zeg, stel je nou is voor:

„Sarah je rok zakt af, moeder ’k draag ’n sleep!” Hahaha! Hahaha! Ik

kreeg me zin. En toen ’t kind een half jaar oud was, had-ie geen werk,

liep-ie te slentere over straat met z’n sabbatjas an. Zoo bang as-die

was, hè! Dat schiet me nou ook te binne.—Eens had-ie kwestie met de

bewoner van beneje—wij woonden twee hoog.—Dat was op ’n Zaterdag.—„As

je de trap afkomt vuile jood, breek ’k je je nek!”—schreeuwde-die, die

man natuurlijk. Denk je dattie naar beneje dorst? Tot ’s middags vijf

uur bleef-die boven draaie. Toen kwamme me vader en me broer en werd-ie

dapper. En de deur most op slot blijve zeg! Hahaha!—Nou, hij verdiende

geen cent. Als jij weer is zinge ging zei-die. Nou daar had ’k de pest

an. As je eenmaal uit ’t vak ben, kom je d’r liever niet in terug. Me

moeder waarschouwde ’m—je kunt ’t ’r vrage. Maar de nood, zie je en

daar zal ’k ’m geen ongelijk in geve. Ik heb toen tòch staan te zingen,

zeg, met Toosje op de komst, da’k me corset niet an kon houe en zóo

hartkloppinge kreeg.... En toen maakte ’k kennis met Barend ... van ’t

Salon en daar wer’k verliefd op.... Ze zegge dat Toosje op ’m lijkt,

maar dat liegen ze ... ’t kind is eerlijk van hèm.... Ben je boos

omda’k op Barend verliefd was?”

„Wel nèe, kindje.”

„.... Zie je, die wist met me om te gaan, die was zoo lief—die had

zulleke aardige maniere—die wist je zoo in te palme—die had altijd van

die aardige attenties, die was zoo gesoigneerd met nèt zulleke witte

tanden as jij en die had zulleke mooie handen ... en zulleke maantjes

op z’n nagels—wat kijk je nou raar? Wil ’k liever ophoue? Nee?....—en

die bracht me ’s avonds ’n eind weg. Van Toosje beviel ik wéér alleen,

zonder dat iemand ’r bij was—’k dacht da’k stierf.—’n Paar maande

later, nou, toen was ’t ’r door—toen gingen we eerst naar een

rendez-vous, maar ik geneerde me niks en kwam bij ’m op z’n

kamer—Gotogot wat ’n tijd was dat, zeg,—as me man an me lijf kwam was

’k vies van ’m. As die zich ’s avonds uitkleedde en in z’n hemd stond

met z’n vuile voete, dan ha’k zoo wel weg kenne loope.... En as die dan

wat doen wou ... dan was ’t ’n márteling ... dan hield ’k m’n oogen

dicht om ’m niet te zien en as die klaargekomme was—ik kon niet meer

bij ’m klaarkomme—dan veegde ’k me mond af, zoo’n walg had ’k van ’m.

Gotogot wa’s dat verschrikkelijk voor ’n vrouw om in bed te legge met

’n man waarvan ze niet houdt, zeg!.... As de manne dàt is konde

voele.... Een avond dacht ’k dat-ie me vermoorden zou—stop ’t dek is

achter me rug.—As die ’t gedaan had, ha’k respect voor ’m gehad. Ook ’n

onzin om zooiets te zeggen, hè?, alsof je ’t zal navertelle! Hahaha!

Toen bracht Barend me tot an de deur en was zoo stom om me te zoene.

Isaac had uit ’t raam gelege. Jeesis wat had-ie een gezicht toen ’k

bove kwam. ’k Schrok er van, de schrik sloeg me in me beene, zoo wit as

die was. Nou, dacht ’k—wat ken je gauw denke, as je in de ras zit hè,

net tienmaal zoo gauw as anders, hè?—nou vermoordt-ie me en da’s maar

goed ook, want zoo’n leven hou ’k niet vol—„Me vrouw is ’n hoer

geworde! Me vrouw is ’n hoer geworde!” schreeuwde-die. Toen vloog-ie me

an naar me keel. Wat von’k dat héérlijk, héérlijk toen z’n nagels in me

strot stonde. Niks bang was ’k. Maar toen liet-ie me weer los en

zei—dat hoor ’k ’m nòg zegge—: „’k Zal me handen niet an je vuil make.

’k Verdom ’t om voor jou de kast in te gaan.” Zoo was-die nou. Van de

eerste schrik kreeg ’k ’n miskraam. Daar ben ’k zes weke mooi mee

geweest. Ze dachte da’k doodbloeide.... Zeker had-ie alles an z’n

moeder verteld, want dat beest—’k heb je toch verteld dat ze me eens op

straat tegenkwam en me in me gezicht spoegde, omdat d’r zoon met me

getrouwd en ik niet van d’r geloof was—was niet van de kamer af te

slaan in die dagen. Die hoopte da’k krepeere zou. En Isaac was zóó goed

voor me. As-die nijdig was gebleve ha’k nog van ’m gehoue. Maar ’n

goeie man, ’n poes-lieve man... o, ’t was zoo’n aterling poes-lief te

zijn omdat ik ’t gèld verdiende. De grootste ellende kwam nog. Toen ’k

beter was en uitging, naar de kamer van Barend, zei dìè schooier dat ’t

maar uit most weze, dat-ie toch in de eerste zes maande niks bij me

doen kon, omdat-ie wat opgeloope had bij ’n del. Daar maal ’k niks om,

zei ik—zoo dol was ’k toen op ’m, zoo weinig begreep ’k van die

dinge!—dan zal ’k wel wachte.... ’k Hou niet enkel van je om dàt....

Maar hij wou van me af zijn.... Dat merkte ’k wel. Dat zei die ook....

Toen ben ’k van ’m weggeloope.... Da’s ’n hárde tijd geweest, Alf.—’n

Paar maal hè-’k me wille verdrinke,—an me kindere dacht ’k heelemaal

niet—’n Verliefde vrouw is zoo kránkzinnig!—, maar ik dorst niet. As ’k

bij ’t water stond, werd ’k bang, god zoo-bang—eens wou ’k op de rails

gaan legge—, maar ik dorst niet, ik dorst niet. Ik was bang om dood te

gaan, dood te gaan. Een avond liep ik in den regen naar het huis waar

Barend woonde, zag ’t licht in z’n kamer, z’n schaduw die telkens heen

en weer ging. Zeker studeerde die ’n rol in. En dan kwam m’n haat

boven, vloekte ’k ’m, vloekte ’k ’m als de pest van me leven. Een avond

liep ’k de kerk in—gek hè?—hoe kwam ’k ’r toe?—probeerde te bidden, te

bidden. Een avond dronk ik zooveel cognac dat ’k twee dagen lang ziek

was. D’r was niks meer in me leven. Niks. Thuis kon ’k niet blijve; die

kerel lag meestal te slape. Als ’k ’m bij me voelde wer ’k koud. O wat

’n straf waren die dagen, die dágen, die donkere avonde. Wat zijn de

avonde donker, hè, as je verdriet heb en wat dùre de nachte!.... Vin je

niet? Vin je niet? Soms lag ’k ùre te snikke, heel-zachies, dat me man

’t niet zou hoore.... Dan bad ik God.... ’k weet zelf niet wat... ’k

bad maar raak om an iets anders te denke dan an die vuile komediant....

En as ’k z’n naam las in de krante, dat-ie wat moois gespeeld had, dan

had ’k ’t wel van de dake kenne schreeuwe: die mán is ’n vuilik, ’n

schooier, jullie motte z’n naam niet in de krante zette!—Gek, hè?—Ja

zoo doe je. Da’k toen niet dood gegaan ben verwondert me nog.... O

lieve, lieve Alf bedrieg me niet, bedrieg me niet, bedrieg me niet....

Denk is an da’k zoo alléén op de wereld ben, dat de wereld zoo leeg is

als je van niemand houdt”....:

„Ik zal je nóóit bedriegen, kind, nooit,” zei ik en na een kleine

stilte: „En toen?.... „En verder?”

„... Wàt verder?”....

„... Van anderen”....

„... Van anderen... moet je àlles, àlles wete?”

„... Alles.... Je moet nu niks overslaan, al je herinneringen zeggen

alsof ’k ’n heel goed vriend, je beste vriend ben... hoor je

kindje?”....

„... Toen... toen—’k zal éérlijk alles zegge... toen kreeg ’k kennis an

’n zoon van ’n bankier—die jongen was dol met me—maar d’r heeft nooit

wat tusschen ons bestaan—als ’k je dát zeg is dat zoo—die jongen was

gek op me, zond me de prachtigste cadeaus en Isaac wist ’r van. Dat

vond-ie heel goed. Soms kwam ’r ’n bankie van tweehonderd gulden as ’k

geklaagd had da’k ’t zoo arrem had en dan most je Isaac is lief zien,

dat vond-ie allemaal best en in bed liet-ie me gelukkig met rust. Daar

ha’k ’m wel voor kunne zoene. Die kennis van me was ’n nette jonge.

Voor z’n vader most-ie naar ’t zuijen van Frankrijk omdat-ie zoo

teringachtig was en bloed opgaf. Toen die wegging zei-die: dag

Georgientje. Mag ’k je ’n zoen geve? Die hè-’k ’m natuurlijk niet

geweigerd. ’t Was ’n leelijke jongen, zoo bleek, zoo mager. Nog ééns

heeft-ie me geschreve dattie niks vooruitging en toen hè’k verder niks

meer van ’m gehoord.—Die arreme stakker.—Toen hè’k drie weke geleefd

met ’n officier van de marine.... Daar herinner ’k me zoo goed als niks

van.... ’t Was geloof ’k wel ’n gezellige vent... maar altijd met z’n

vrinde an ’t klesse over de dienst en over ’t ministerie en over de

schepe... nee hoor.... Drie weke was ’k met ’m op de reis

natuurlijk.... In Amsterdam zou ’t niet mogelijk geweest zijn.... ’k

Ben ’m heelemaal kwijt geraakt.... ’k Geloof dattie in Indië zit....

Eens ha’k ’m wat geld te leen gevraagd en had Isaac de brief

opengemaakt en er ’t geld uitgenome. Hoe vin je zoo iets?.... Wat

verdomd smerig, hè?... En dan zei-die wel is tegen me... je mot niks

afslaan, as de heere je wat geve wille.... Op ’n dag wou die naar

Amerika.... Daar moest zooveel geld verdiend worde.... Ik blij.... Ik

voor hem an ’t werk om ’m an passagegeld en an kleere te helpe. Me

laatste cente hè’k ’m gegeve. Je had ’m is motte zien weggaan as ’n

heer met ’n nieuwe jas met ’n bonte kraag en met zes nieuwe

tricot-broeke en met twaalf paar sokke en met nog veertig gulde

zakgeld.... ’k Heb ’m met de kindere weggebracht tot an de boot. Gek

toch, hè—toen de boot wegging stond hij te huile en most ik ook

huile.—Hoe zou dat nou komme bij twee menschen, die elkaar niet zien

magge?... Zóó ha’k me uitgekleed da’k niet eens die week cente had om

me bakker en me groenboer te betale. Nou toen hè’k hoe langer hoe meer

de beest gespeeld. Samengeleefd hè’k nooit meer. Jij ben de eerste.

Maar ’k heb veel gescharreld met kerels waarvan ’k de naam niet meer

weet, ’k heb veel champagne gezope om me directeure te pleziere en ’k

ben dikkels ’s morgens zes, zeven, acht uur op me bed gekomme.”

... „Heb je met Piet ook?”

„Met welleke Piet?”

„Met die komiek uit Den Haag?”

„Nee, bij God niet. Hoe kom je dààrtoe?”

„Nou,—’k dacht ’t zoo.”

„Nee, nooit. Met dàt soort lui he’k me nooit afgegeve”...

„Is dat àlles?”

„Da’s alles... Je wil toch niet da’k je die gewone scharrelerijtjes

vertel?”

„Nee...”

„Nou hè-je zeker ’n groote minachting voor me?...”

„Nee. Nóú hou ik meer van je. Voel je ’t verleden nu niet als ’n gróóte

rust... nu ’k álles weet.”

„Als je maar niet boos op me ben”...

„Boos? Waarom?”

„Ben ’k dan geen slechte vrouw?”

„Als je van me houdt ben je geen slechte vrouw meer, haal ik jou naar

boven, jij mij.”

„Ik jóú?”

„Jij mij.”

„Jij heb toch niks op je gewete?”

„Jaren lang... toen ’k jonger was, minder nadacht over de dingen was ’k

’n bordeellooper, kind... lei ’k m’n geld neer, net als andere manne...

Ze doen ’t allemaal, of ze doen èrger... of ze scharrelen met

dienstmeissies... of ze nemen ’n mentenee”...

„Nou, dat vin ’k zoo erreg niet, zoolang je ongetrouwd ben. Jullie

hebbe toch ook je behoefte.”

„Als ’r voor ’n vrouw schande is, is er ook schande voor ons. Over wa’k

toen gestoeid heb met vrouwen en meisjes, die me wel mochten en die ik

wel mocht hè’k geen spijt. Dàt was jong bloed, gaf geen voordeel, geen

verdriet. Maar toen ’k ouwer werk, ouwer in me gezicht door ’t werken,

’t studeeren en dan ’s avonds idee kreeg om wat te gaan doen en dan

liep éérst na die kast, met voorzichtig uitkijken of ’r niemand in de

buurt was en dan anbellen en achter ’t loketje de stem van de

gouvernante—zoo noemen ze zoo’n mensch—en dan binnenkommen in ’n gang

met zoete lucht en doorloopen naar ’t salon en dan uitzoeken een van

die vrouwen, die allemaal naar je kijken, allemaal lachen en dan na ’n

poosje gevraag of je geen flesch geeft.—O, mijn God, wat was dat ’n

tijd!—en dan je kunstmatig lachen en gewild-luidruchtig spreken en den

verzwabberde uithangen en dan eindelijk vragen of ’r geen andere dames

zijn, omdat je er geen naar je keus kan vinden, omdat je trek weg is en

je voor geen goud wat zou kunnen doen en dan opstaan en weggaan en

nagekeken en wat lachjes en dan weer buiten op de donkere gracht je

gevoel van misselijke eenzaamheid. Ik heb zoo’n meelij met de meeste

mannen, omda’k ’r zelf zoo een geweest ben. En als je dan buiten stond,

dan dacht je: wat nou? Zal ’k naar Mast gaan of naar ’n tjingeltangel

of zal ’k gaan naar die of die meid waar ’k wel is meer kom. Maar dan

dacht je: nee in die hè’k nou geen trek die kén ik zoo, die zuigt

altijd ’t bloed uit je vel en ’t ruikt zoo zuur op d’r kamer—nee. Wat

dan? Dan liep je te soezen langs den nattigen waterkant en te kijken

naar de lantaarns in ’t water en dan dacht je... nou ’k zal ’t nog is

bij Weinthal probeere... ’k mot ’t nou maar doen... Wel Jeezis ben ’k

geen jònge man?—Zoo liep-je jezelf op te warmen... O, ’t was triestig

en zoo doen ze ’t allemaal, de stakkers... Dan kwam je bij Weinthal,

stond ’r zoo’n man in ’t portiek van ’t Nieuws en dacht je: zal ’k maar

weer heengáán... maar dan dacht-je dadelijk weer: wel nee: wat kan me

die vent verdommen, hè’k wat om die vent te geven, ben ’k vrij in me

doen of laten, ja of nee en dan belde je weer an... En dan kwam de

gouvernante en die zei „Ach Sind-sie-es, Herr George?”—je gaf d’r

altijd ’n anderen naam op—en dan rook je wéér de zoete lucht van poeder

en parfumtjes en liep je nóg is door naar het achtersalon en ging je

zitten voor ’n tafel met gebarsten spiegelglas en riep de gouvernante

„Au salon! Au salon!” en dan kwamen ze met d’r bloote armen, bloote

borsten, zag je de vormen door de gazen kleeren en japonnen en vroegen

ze weer om wijn en zei je dat je ’n flesch boven zou drinken en bleef

je aarzelend zoeken... ’t Is niet na te vertellen, die triestigheid...

Dan dacht je: zal ’k die kleine nog is nemen—hoe hiet ze ook weer—maar

dan zag je die groote met d’r zwarte oogen—daar wou je dan wel mee—maar

dan dorst je weer niet voor de kleine blonde, die al naast je kwam

zitten en je hand drukte tegen d’r beenen—en dan dacht je weer: wat kan

mij die blonde schelen: ’k neem de zwarte, daar hè’k nou idee in van

avond—verveel ik je? Wil je ’t liever niet hooren?”

„... Nee. En dan?”...

„... Maar dan dorst je toch niet voor de blonde... en dan ging je mee

naar boven zonder zin, zonder ’t minste idée... En dan begon ze je daar

te zoenen en ging je op de canapee zitten tot de gouvernante geweest

was met de flesch... en altijd ’t zelfde gezanik om ’n doossie

cigaretten en dan ging de deur op de knip... en dan dronk je’n paar

glazen en dan zei de kleine blonde... Geef-ie nog ’n flesch—’t was ’n

Fransche—’k zeg ’t maar in ’t Hollandsch.—Nee, zei je dan, ’t zit ’r

niet an—of zoo iets.—Toe geef ’r nou maar een, dan mag ’k langer boven

blijven.—Nee, ’k heb geen geld genoeg bij me... En dan ging zij naar

boven om zich te wasschen—’k zie ’t voor me alsof ’t nóú gebeurt—en dan

trok je je goed uit en zat je je zelf an te kijken in den voetspiegel,

met zúlleke schapige oogen en geeuwde eens en ging languit liggen op de

canapee met niks geen idee, zoo moe en zóó down... En dan kwam ze in

een zijen hemd... en kwam bij je zitten en draaide an je snor en begon

nog is te zaniken om ’n flesch—dat ze zoo’n dorst had—dat ze ’t anders

niet twéémaal dee—en dan vertikte je ’t—en dan ging ze op bed—alles

vreugdeloos, ellendig, en dan dacht je terwijl an àndere vrouwen—kneep

je oogen dicht—met je oogen open zou je niet gekùnd hebben—dacht an ’n

buurmeisje of an ’n vrouw die je wel is in de Kalverstraat in ’n winkel

zag òf an ’n kennis uit je kinderjaren... Gemeen hè?... Maar ’t wás

zoo... Altijd dacht je an andere, zàg je de andere, kwam je op die

andere klaar... En als ’t gebeurd was, zelfs nog terwijl ’t gebeurde,

kroop ’n triestigheid in je op, dat je iets ellendigs, iets

onnoembaar-vuils had gedaan... en je bleef op ’r liggen, leeg an leven,

leeg an opgewektheid, leeg an veerkracht... je lippen stilletjes

afwrijvend tegen ’t kussen... tot zij ’t eerst zei: wille we ons gaan

wassche... Dan ging zij de deur uit, bleef je liggen,

slaperig-vermoeid, met droge oogen kijkend in de gasvlam, luisterend

naar de piano aanrinkelingen van benee... Maar dan stond je op en begon

je te wasschen, góéd te wasschen met zeep, bang om iets op te

loopen.—God wat ’n schrikkelijke dingen—spoelde je mond met wat wijn

na... en dan kwam ze weer binnen met de kouwe kilheid van de gangen an

d’r lijf, kroop weer in bed en zei: nou mot j’t is langzaam doen da’k

’r ook wat an heb—of zoo iets—en dan lei je stil naast ’r zonder

verlangen, levenszat, vroeg hoe ’t met d’r zuster of d’r moeder ging—de

verhalen van die stumpers!—en of de dokter nog altijd geregeld kwam

voor de keuring—en dan kwam de gouvernante nijdig op de deur bonsen—of

we nog niet klaar waren—dat ’r ’n heer beneden zat te wachten—of zoo

iets—en dan zei de kleine blonde: haast je dan wat! en dan ging ’t

wéér, wond je je op, dacht an ’n meisje dat je járen, jaren geleden

eens ontmoet had, of an ’n meisje dat je gekend had toen je nog op ’t

gymnasium ging... en dan kwam zij klaar en begon te huilen, te

snikken—zulke vreemde gevallen van hysterie—en dan lagen we, làgen we

als twee klompen vleesch naast elkaar, met de oogen gesloten op ’t

kussen... kwam de gouvernante nog is kloppen—dat ze d’r beboeten zou,

dat de meneer benejen ongeduldig werd—en dan ging de kleine zich

wasschen, boven, op de Bazar, kleedde je je an, twee- drie- viermaal je

mond spoelend—en dan gaf je ’r ’n riks fooi voor haar, die ze in d’r

kous liet glijjen en betaalde je de gouvernante vijf gulden voor de

kamer en vijf voor de wijn en dan nog ’n fooi voor haar... en dan

schreeuwde ze an de trap... Es kommt jemand... en dan gingen alle

deuren toe... en dan wèg, de straat op... de frissche nachtlucht en ’n

steegje inschieten naar de Kalverstraat en met vreemde smart opkijken

naar den hemel... en lachen... en ’n borrel pakken in de Bar... en

ingehurkt zitten achter je glas... en alles háten... Zie je, zóó en op

die manier hè’k ’t ’n paar jaar volgehouen, met gèld... Telkens ’t

branderig er heen loopen en telkens de duffe, afschuwelijke

terugslag—tot ’k niet meer kón, tot m’n wil zoo gegroeid was, da’k niet

meer wóú... tot ’k in m’n melankolie zat als een kluizenaar. Dat zijn

niet m’n gelukkigste, niet m’n slechtste jaren geweest... Nou weet

j’t... Later ben ’k nog dikwijls naar zoo’n bordeel gegaan of naar

zoo’n half bordeel, maar dan was ’t om toe te kijken, om m’n eigen

melankolie te wrijven an de melankolie van de dingen... Dan kocht ik

wel is ’n zes pond paling, ging die vrouwen tracteeren... Dàn hadden we

geregelde soupers van paling, bier, en brood... ze vroegen me heelemaal

niet om mee naar boven te gaan... Een kwam er hier en leende boeken...

Die was dol met Multatuli”...

„Nóú komt ze toch niet meer?”... angstig-vroeg Georgine.

„... Nee... Ze is dood. De studentjes hebben d’r armen, d’r handen, d’r

beenen, d’r hersens, d’r zenuwen geprepareerd”....

„Hè toe, hou op, hou op, Alf!”

„Dat is àlles van mìjn kant... Nee, niet alles... toen ’k ’n kwajongen

was, twaalf, dertien jaar gelejen hè’k ’n tijd met ’n schaap an me arm

geloopen, ’n burgernuffie, dat nou rijk getrouwd is... Ja nou hè’k je

alles gezegd, niks verzwegen”...

„Ben ik de eenige van wie je houdt?”

„De àllereenigste... Als ik nu terugdenk an die tij-jen... an ’t

gescharrel bij flessies bier... an de bordeelen—is ’t me vreemd,

niet-geleefd, nooit-geleefd.... Ik voel me nou als an ’t strand met ’t

koel, rustig slaan van de golven, met den wind die in rukken anwaait...

’t Verleden is me ’n vèrre benauwing in schroeiend heete

binnenkamertjes, die me nou dood zouen maken.”

„Hou je van me?”

„Hou jij van mij?”

„Of ’k van je hòú?... ’k Heb nog nooit zóó van iemand gehouen.”

„En als je ooit van een ander méér gaat houen... zul j’t dan eerlijk

zeggen... nooit iets in stilte, iets onoprechts doen?”

„Hè-jakkes, wat ’n onwijze praat! Ben jij dan soms van plan me de bons

te geve, als j’op ’n ander verliefd raakt?”...

Maar dan pakte ’k haar in m’n armen, bleven de monden op elkaar en als

ze spreken wou zoende ’k de woorden weg.

Tegen middernacht stonden we op, kleedden ons aan, gingen uit.

Het was ’n strak-koude, heldere Novembernacht. De Amstel rustte op

gouden zuilen. ’n Enkele gele lantaarn van ’n verlaat jolletje twinkte

in de duisternis.

„Pas op, laat me arm los,” zei ze plots.

„Waarvoor?” vroeg ik verrast.

„’k Geloof dat—daar—god ja—dat was een kennis van me man.—Hé!—’k Heb ’r

hartkloppingen van... Waarom laat je me ook niet gauwer los?—Kijkt-ie

om?”

„Jawel... Wat kan jou dat schelen?”

„Nou. Da’s ook ’n vraag van je... Als me schoonmoeder ’t hoort... Wat

stóm ook om hier gearmd te loopen... Hè!... ’k Ben er wee van geworde.”

„Wordt ’t nu geen tijd, kind, om ’n end te maken an die angsten. Denk

je da’k je arm wil loslaten als ’r iemand ankomt? Nog voor je eigen man

niet, niet voor den duvel en z’n moer!”

„Jij heb makkelijk praten... Jij bent niet getrouwd”....

„Zoo. Dat zal ’k je dan is toonen. Ik wil dat je heelemaal bij me komt

inwonen; jij met ’t kind.”

„Nee, Alf. Dat gaat niet. Dat zou iedereen ’n klap in ’t gezicht...”

„Sla jij maar. Ik zal de klappen wel opvangen.”

„Nee, dat gaat niet. Zoolang ’k getrouwd ben, gaat dat niet.”

„Waarom gaat dat niet?”...

„Nee dát durf ik niet... En al jou buren, die weten dat je niet

getrouwd ben en ’t kind dat zoo’n leven maakt, terwijl jij zit te

schrijve en als de artieste me noodig hebben—wellek adres moet ’k dan

opgeve?—en ’t schandaal voor jouw deur als me man is mocht overkomen òf

van z’n femilie hier in de stad—en zoo’n vieze boel bij jou, hahaha!

Mot ik koke op dat eene stel en in je twee pannetjes? En je afgeklove

messe en je beschimmelde laarze in ’t gootsteen-kastje en je kom waarin

Scherp zich wascht en waarin je de borden schoonmaakt en dat vuile hemd

waarmee je afdroogt! Hahaha! Nee, inwone dat doe ik niet... Denk is an

me ouwelui... en an me broer, die me toch al niet aanziet omda’k met

jouw loop!”...

„Jouw broer! Vraagt-ie of ’t naaistertje dat-ie op ’n kamer gezet

heeft, of die familie heeft? Waar bemoeit-ie zich mee! Laat elk voor

zich zorgen! Zooals we nu leven wil ’k ’t niet langer. Jij moet je niet

voelen als ’n vrouw die iets verkeerds, iets slechts doet en ik wil

niet zijn één in de rij van de ploerten die jij heb leeren kennen.

Begrijp je? Waar is je arm? Hóór je me niet, Mol. Ik wíl gearmd

loopen.”

„Nou-nou, driftkop!... Maar samenwone in jouw huis gaat niet, gaat nóg

niet.”

„Goed. Best. Maar dàt binnensluipen in m’n huis wil ik niet meer. Jij

moet je niet meer vernederen. Dan zie ’k je voortaan liever alleen in

gezèlschap.”

„Is dat ’n anloopie om van me af te komme?” vroeg ze ongerust.

„Georgine, weest toch niet altijd zoo klein!”

„Dan moet je zulke dingen niet zegge. Wie zegt dat nou! Wil je liever

van me af? Zeg ’t dan ruiterlijk!”

„Daar dènk ik niet an. Maar dat sluwe, bedekte gescharrel wil ik niet

langer. Da’s toch wel een bewijs da’k eerlijk ben, niet? Heb je

strakkies niet zelf geklaagd over de juffrouw met den scheeven nek, die

jou door ’t spionnetje zit te beloeren en over de bovenbuurtjes die uit

d’r raam hangen? Jij ben mijn vróúw en mijn vrouw laat ik niet langer

op de stoep staan.”

„Goed en wel, maar dat doe’k nog liever dan inwonen... Wor d’r niet

kwaad om, maar ’t geeft me zoo’n gevoel van afhankelijkheid, zoo’n

gevoel dat je me met koffers en al op straat kan zetten als ’t jou

blieft.”—

Nee. Ik werd niet kwaad. ’n Groote triestigheid kwam over me, dat ze

zoo niets begreep, niets, niets, niets, van mijn verlangen, zoo

schrikkelijk vast zat aan kleine bedenkingen. Maar ’t zou wel komen. Ik

had wil voor twee.

„Zie je, nou loop je stil en denkt kwáád van me. Ik geloof wel dat jij

’t goed meent, maar de omstandigheden zie je... Wat moet ik, om nog is

’n voorbeeld te noemen, doen als je papa onverwacht overkomt—da’s toch

zoo ònmogelijk niet?—of je ma, of je zusters? Mo’k me dan zoolang

verstoppe in je kelder of stel je me voor als je huishoudster?—Of

als—of als—’k wil d’r niet an denke—maar ’t kan toch gebeure—we zijn

alle sterfelijk—of als je iets overkwam—heb ik dan recht om in jouw

huis te blijve?—Weet je da’k ’t eens heb bijgewoond met ’n vriendin van

me, die nou làng dood is—ze had tering—en die met ’n dokter

leefde.—Toen-ie later verliefd werd op ’n meisje uit zijn stand,

heeft-ie d’r met de politie uit z’n huis late zette... Wat ’n fielt

hé?—nou is ’t een van je eerste lui uit de stad.—Als mij zoo iets

gebeurde, sprong ’k de Amstel in”...

Dat was niet onjuist, die gedachte aan doodgaan, aan het overkomen van

de ouwelui...

„Hoe moet ’t dàn, Georgine.—Bij jou kan ik toch niet komen inwònen—,

wat?—bij die zure juffrouw Bok?”

„Nee. Maar ’k zou kunnen verhuizen.”

„Ja—jij zou kunnen verhuizen.”

„En dan bij die mensche de conditie maken, da’k jou bij me op me kamer

mag ontvange”...

„Ben je gek! Dan denken ze dat je ’n scharrel ben.”

„Nou—dan zegge we da-we getrouwd zijn.”

„Nee. Ik lieg niet.”

„Of da’k in scheiding leg... en zoolang...”

„Nee. ’k Huur gewoon ’n kamer voor ons samen en ’t kind en zeg da-we

niet getrouwd zijn voor de wet—voor de wet, haha!!”

„Daar krijg je last mee. Je moet de menschen niet zoo wijs maken, Alf.”

„Ik zal ze naar mijn pijpe laten dansen,” zei ik dwaas-sterk.

„Jij bekijkt dikwijls de dingen zoo rooskleurig—hoe zal ’k ’t

zeggen?—zoo luchtig, met zoo’n vertrouwen op de mensche, die je nóóit

vertrouwe kan, da’k soms bang voor je wor”...

„Bang?”

„... Bang voor je drift als ’t tegenloopt”...

„Ik vertrouw de menschen niet, kind. Ik vertrouw op mijn voelen van

God, God die grooter, mooier is dan menschen ’m denken, God, die niet

meet met hun maat, God, die ’k zie als iets breeds, wijds, vèr weg van

arme, stomme gewoel. Dat maakt me onbuigbaar”...

Ze stond stil, sloeg haar armen om mijn hals. In de schaduw der boomen

bij ’t water, omhelsden we elkaar als twee dwaze jonge verliefden in

dien strak-helderen, lichtenden Novembernacht.

Kamertjeszonde · 第 33 / 77 题