AVOND.

„Mag ik binnen?”

„Wie-ie-ie?”

„Ikke.... Spier”....

„Lisy staat moederziel nakend.... Effen wachten.”

„Lasz ien nur herein.”

„Goeienavond, dames.”

Georgine zit voor ’n kleinen, aan weerszijden uitgeloopen spiegel. Lisy

staat in haar onderlijfje.

„Jij moet niet naar mijn keike,” zegt Lisy.

„Waar heb jij gezeten?”, vraagt Georgine.

„Ik ben even weg geweest.”

„Effen. Dat noemt-ie éffen.”

„Heb je d’r zóón notitie van genomen?”

„Sie had telkens door het gaatje van den Schirm gesucht.”

„Waar ben je geweest?”

„’k Heb ’n luchie geschept. ’k Kreeg ’t zoo benauwd. Wat ’n hette, hè?”

„’k Mot daar dadelik weer optrejen. Succes gehad de eerste keer, hè?”

„Jawel.”

„Ga je weer in de zaal?”

„Nee, ’k blijf hier. ’t Is hier aardiger.”

„Wat zie jij bleek en wat heb jij ’n kringen onder je oogen!”

„Ikke?”

„Du bist ja verrückt. Hij ziet heel gut aus.”

„Geneer je toch wat, Lisy. Doe je lijfje dicht.”

„Ach was! D’r valt aan mijn nieks te keike”....

„Je mot je effen omkeeren, zeg. Ik mot me kostuum antrekken.”

„Ja dàt ies gut. Dan kan iek mijn ook umkleiden.”

Ik keer een stoel naar den muur, zuig op den knop van mijn stok.

Terwijl ze praten hoor ik kleeren ritselen. Het harde satijn kraakt,

krast. Als ik m’n hoofd ’n beetje omdraai, kan ik in den spiegel zien.

Dat zou gemeen zijn. Nee. De kamerlucht is zoet-heet, met prikkelingen

van odeur en poudre de riz. Zacht weeldegevoel komt over me—om zoo bij

in te slapen—lekker je hoofd achterover te laten glijden.

„Waar zijn uw duiven?” vraag ik.

„Sind schon oben.... Vroeger heb iek ze wel in mein kleidkamer

genommen, maar zij kakken zoo.”

Even in den spiegel glimpje van blooten arm.

„Maak eens dicht Lisy.”

„Atem einhalten.... Nog meer.... Nog meer.... Wat bien jij diek

geworden.”

„Is-die ’r?”

„Nog nicht.... Ies das corset wohl gut geregen?”

„Harder antrekken.”

„Die wird so diek wie ’n Schwein.”

„Hè! Hè!”

„Mag ik me omdraaien?”

„Nee. Jij zit goed. Je hoorde heelemaal niet hier.”

„Gott! Geniren jullie je voor einander?”

„Trek ’t nog een beetje af.”

„So. Sitzt ganz net.”

„Klaar?”

„Keer je maar om.”

Ze is in rose baltoilet met opstaanden kraag van geel satijn. Voor het

spiegeltje zet ze de oogen met zwart aan, poedert zich. Lisy is in

vleeschtricot, met een nauwsluitend maillot om ’t bovenlijf.

„Wie seh iek aus?”

„Uitstekend,” zeg ik, kijk naar het aardig figuurtje.

„En ik, Alf?”

Wat zegt ze dat Alf lìèf.

„Jij.... Heel aardig.... ’k Heb ’r niet zooveel verstand van.”

Georgine blijft voor den spiegel zitten. Lisy scharrelt met armbanden

en ringen. Ik kijk in ’t spiegelglas naar ’t vreemde gezicht met de

geverfde oogen, lippen, ooren. Wat is ’n vrouw zoo léélijk.

„Mag iek jou schmink eens gebruiken?”

„Hier hebbie de doos.”

Lisy buigt in ’t volle licht van den gasbrander, strijkt onder de

wimpers, over de wenkbrauwen. Het licht plast op het witte vleesch van

haar schouders en armen, op de rondingen der opbollende borsten. ’k

Vind haar zoo wel frisch met haar meisjesgezicht en haar zwarte oogen.

„Blijf je hier vannacht, Alf?” vraagt Georgine die in den spiegel mijn

oogenlijn volgt.

Weer Alf. Waarom is ze zoo vrindelijk?

„Dat weet ik nog niet.”

„Toe nou.”

„’k Zal is zien.”

„Wat zit je snor miserabel. Geef de vaseline is an, Lisy.... Zit nou

effen stil.... Zoo met punten.... Ziet-ie ’r zoò niet duizendmaal beter

uit?”

Ik kijk naast Lisy in den spiegel, wrijf ’t goed weg met m’n zakdoek.

„’k Zie ’r uit als ’n kelner!”

„Laat nou zitten!”

„Voor geen geld,” lach ik.

„Narigheid!”

„Maak u dat voor mijn eens vast, àlsjeblief.”

Ik probeer ’t openingetje van ’t gouden slot te vinden.

„Nicht so kriebelen ien mijn nek.”

„Vraag ’t hem dan ook niet,” zegt Georgine bits.

„Maag iek iem nicht vragen um”....

„Nee. Da’s niet noodig. Ik hou niet van die kùnsten!”

„Was künste? Bist ja rein verrückt!”

„Jij zal zoo verrückt zijn! An vrinden van mij heb jij niks te vragen.

Ik vraag an jouw vrinden ook niks.”

„Ja! Du bist anständig! Hahaha!”

„Daar kan jij ’n puntje an zuigen.”

„Du bist ja frech! Zal iek mal vertellen”....

„Vertel wat je wil! Jij heb hèm niet te vragen je ketting vast te

maken. Dat doet de eene vriendin niet met de ander.”

„Hast Du nicht mit dem kleinen Offizier intrigirt? Du! Du! Jij heb mijn

nieks te leeren!”

„Ik wil niet dat je d’r helpt, Alf!”

„Ik blijf ’r liever buiten, Georgine,” zeg ik glimlachend-verlegen.

„Der Herr ist viel zu anständig für dich!”

„Dan toch zeker ook voor jou!”

„Maken jullie nou geen ruzie om ’n kleinigheid!”

„Iek maak kein roezie.”

„Lisie! Lisie! Kom vooruit nou! ’t Doek is al neer! Vooruit! Vooruit!”

„Ja, iek kom! Iek kom!”

„Vooruit dan!”—, schreeuwt Piet achter de deur.

„Ja, iek kom!”

„Zoo’n èchte moffin,” zegt Georgine: „zoo’n typische moffin. Hé-je nou

niet gemerkt dat ze je in wou palmen met d’r hoerestreken.... „Maak u

dat voor mijn eens vast asjeblief”.... met zóó’n zoeten

pruimenmond!.... Ze zijn allemaal valsch moffinnen.... Je kent ze geen

van allen vertrouwen.... Je mot voor d’r oppassen, hoor. Ze heeft

laatst in ’n hotel zes zilveren lepeltjes gemoerd. En die kerel van d’r

bedriegt ze met open oogen.... Groot gelijk dat-ie ’r slaat.... Zoo’n

loeder!”

.... „Waarom maak je je nou zoo kwaad?”

„Nou ja! Ik kan die kunsten niet zien.... „Maak u dat voor mijn eens

vast alsjeblief”.... „alsjeblief”.... En dan zoo tegen je lachen in de

spiegel met d’r valsche tanden!.... Hoe von je dat ’k voordroeg?”

.... „Je belletje zit los”....

.... „Niet erg bizonder, he? As d’r iemand van me kennissen in de zaal

is, voel ik me altijd gegeneerd.... Weet je wat ’k dacht, toen ’k je

niet meer in de zaal zag, zeg?”

„Nou?”

„Dat je tòch naar ’n bloemenwinkel was gegaan.... Hè-’k goed gerajen?”

„Néé.—Wat ben je wanhopig-kinderachtig, Georgine.”

„’t Is om duvels te worden met jou, zoo’n hárde kop as je heb!”

„Dank je.”

„Waar ga je terwijl ik zing?”

„Dat weet ik nog niet.”

„Ga maar zoolang bij Piet in de kleekamer. Boven is toch geen plaats.”

„O. Da’s zeker om me weg te hebben?”

„Geef me handschoenen is an.”

Twee deuren verder kleedde Piet.

„Kom binnen, kom binnen!”

’t Was er vol. Piet zat te zes-en-zestigen met drie artisten. Nog een

paar keken toe. In de haast werd er voorgesteld.... Her die.... Mister

die....—„Vijf en twintig gulden kiet of dubbel!”—Dat gaf ’n groote

stilte. Zachjes deunde de muziek, bromde ’t applaus uit de zaal. Bijna

in volkomen stilte ritsden de kaarten op de tafel—„.... En veertig!”,

zei Piet, die met groote oogen, anders heel rustig, speelde.—„Jij

b-b-b-boft,” stotterde de kleinste.—„O, hij stottert

alweer!”—„Hahaha!”—Allemaal lachten ze. Waarom begreep ik niet. Met

zenuwachtige haast schudde de kleine de vette kaarten.—„Wa’s

troef?”—„Klaveren.”—„Wel godverdomme! Nou trommelt-ie alwéér!”—„Troef

aas!”....—Weer die zonderlinge stilte met ’t gerits van de kaarten, ’t

zwakjes aanwrijven der muziek. Piet zat onbeweeglijk. Z’n oogen die

tweemaal zoo groot leken, waren in staag geflikker van de eene kaart

naar de andre. De athleet naast ’m keek met pijnlijke wegkrimping der

oogen—’n klein endje sigaret smeulde tusschen zijn dikke lippen. De

Engelsche muzikale clown rookte z’n meerschuimen pijp, spuwde op den

grond, smeet kaarten bij met driftige rukjes. De kleine, zenuwachtig,

rood, was telkens in bevende afwachting, van de kaarten.—„En

twintig!”—„Knave of clubs!”—„Hé je ’n geen ruiten?”—„No.... Ace of

hearts!”—„Godverdomme.... Wat ’n tegentippel!”—„Nom de Dieu.... Quelle

chance!”—„Il gagne toujours avec son air de petit Jésus!”—„En harten

heer! En harten vrouw!”—„Be quick! Be quick!”—„... K... k... k... k...

an mij niet v... v... v... verdomme”...—„Kijk is hoever Lise staat,

Willem?”—„Wa’s troef?”—„Ten of diamonds! How do you say that in

Dutch?”.... „Nou niet lùllen! Kom uit!”—De kaarten schuren, klitten op

elkaar. De muziek zoemt, soms met heel ver gestommel. De athleet hoest

met ’t endje sigaret in den mond. De asch tippelt op z’n nieuwe das met

de nieuwe doekspeld. De eerste slagen gaan in stilte. Klets, ’n kaart

op tafel. Klets, ’n ander ’r bovenop. Tegen ’t eind, als ze ’t spel

zoowat overzien, worden ze luidruchtig, komt er woede over de

gezichten. Piet’s oogen schitteren, de athleet zit rechtop, de clown

buigt zich voorover, de kleine wrijft de vuile vingers over z’n

kaarten.—„Queen of diamonds!”—„Daar heb ik ’n heer voor!”—„Nou niet

zoolang ouwe-hoeren! Smijt bij! Lisy mot haast klaar zijn!”—„Allez!

Allez!”—„Merde!”—„You are a clever fellow!.... Knave of spades!....

Come on!”—„Schoppenboer.”—„Ruiten negen.... Daar gaan jullie...

Troef!... Hèhèhè!.... Dat smoel van die Hein is goud waard!

Hèhèhé!”—.... „V... v... v... v... errèk jij! Dat k... k... k... k...

ost me ’n maand gage!”—„Uitscheijen?”—„Nou geen zes en zestig meer...

Dat duurt zoo verdomd lang!.... Hebben jullie lust in ’n bankie?”—„Doe

je mee, zeg?”—„Non merci. J’ai pas d’galette!”—„Ja-wel. Dat kennen we!

Pot jij maar!”—Ze beginnen te banken. Piet heeft net op ’n kaart gezet,

als-ie gewaarschuwd wordt.—„Piet! Pie-iet!”—„Is die lamstraal al

klaar?”—„Vooruit, vooruit!”—„Eerst afbanken!”—„Nee. Leg niet te

donderjagen! Zit me pruik goed?.... Gaan jullie mee?.... Neem jij mijn

kaarten Willem.... ’k Zal je wel wijzen!”...

Ik loop verwonderd mee. Da’s zelfs voor mij wat nieuws. Op ’t trapje

komen we Lisy tegen. Piet voelt haar in ’t voorbijgaan tusschen de

zweetende tricotbeenen.—„Poote thuis... du Schwein!”

„Klaar? Hàlen!”

Als-ie opkomt in z’n geruiten broek, z’n nauw vestje, heeft z’n glad

gezicht al applaus. Aan de overzij staat Georgine tusschen de

coulissen. Piet begint z’n voordracht. Je ziet niks van ’m zoolang ie

op den voorgrond blijft. Je begrijpt niet waarom ze om ’m lachen.

Telkens scharrelt hij naar den achtergrond, trekt malle gezichten boven

z’n nauw vestje, steekt ’n paar vingers op naar den kant der artisten

die beweeglijk samenhokken. Op een kist liggen de kaarten, met guldens

en rijksdaalders in vier hoopjes. De athleet houdt „de bank.” Willem

speelt voor Piet, koopt een kaart voor zooveel guldens als Piet vingers

opsteekt. In den gelen schijn van het voetlicht zingt hij. Z’n

„voordracht” is droog, handelt komiek-beschrijvend over

„tevredenheid”....

„Er is óóóóvervloed van schulden,

Nou voor de ouwe dag gespaard”....

Niks is van ’m te zien. Op den voorgrond staat hij met de handen in de

zakken van z’n geruiten pantalon. Het publiek lacht. Aan een van de

leege zakken draait-ie ’n punt. De kemiekert!

„Want ’n echte Nederlandsche gulden

Is veertig cent een gulden waard....

En koopt men soms een vaatje boter

Krijg je er een toe de helft gróóóóter,

Naar recht en niet uit vet bereid,

Dus slik het maar in tevréééédenheid.”

Den laatsten regel biseert-ie, dribbelt altijd komiek met ’n langzamen

draai over ’t tooneel, steekt grappig z’n vijf vingers schuin bij z’n

neus of achter z’n oor en zegt glimlachend, langzaam met een slikkende

beweging.... „Dus.... slik het maar in... te... vreeee... denheid!”...

Gerommel in de zaal. Piet vervolgt:

„Is het vrouwtje niet te sprééééken

Of wel draaft ze verschrikkelijk door,

Om de eendracht niet te brééééken

Daar heb ik een remedie voor.

Klets dan de voordeur wijdwaag open

En zet het daarna op een loopen,

Kom ’s nachts dan laat uit de societeit.

Dan lààààcht ze van tevréééédenheid”...

neemt weer z’n komieken dribbeldraai, die de menschen doet proesten...,

zingt, àchter, langzaam-blerrend... „Dan... lààààcht... ze.... van....

te... vreeee.. den... heid”—roept vlug, zachtjes tusschen de

coulissen... „Zeg dan godverdomme hoe ’t staat!”—wijst tien gulden met

z’n handen en zet weer genoeglijk-lachend in:

„’k Was laatst rond Neerbosch aan ’t wandlen...”

Bij z’n laatste te... vree.. den.. heid zakt het doek. Donker grommelt

het applaus door de zaal. Piet staat bij de kist.—„Hoeveel hé-’k

gewonne?”—„Twaalf gulden.”—„En ’k heb je de laatste maal tien gewezen!

Hoe kan dat nou?”—„Wel godverdomme, denk je da-’k je belazer!”—„Of jij

nou godverdomme speelt, daar maal ik geen bliksem om!.... ’k Hè-je

gewezen tien gulden in te zette”....

Weg is ie om voor het publiek te buigen, komt buiten de coulissen

lachend en komiek-doend terug en vervolgt....

„.... Hoe zit dat nou met die tien gulden?”

„’k Heb maar één poot van je gezien.”

„Dat lieg je!”

„Is ’t niet waar, Williams?”

„Yes. Certainly. He only noted five guilders”....

„’k Gloof dat jullie me allemaal verneuke.... Zóó dee ik ’t”...

Weg is-ie. ’t Gerommel houdt aan, tot de muziek invalt en zijn

kurkachtige stem het populair kermislied inzet....

„k Heb een nichtje ze heet Adèl,

’n Aardig lief meisje je kent haar wel,

Beetje scheel maar dat hindert niet,

Verliefd wordt ge daadlijk als ge haar ziet,

’k Zou met haar naar de kermis gaan

Doch die grap kwam me duur te staan.

Ach sprak Adèle, ik durf haast niet

Als men mijne oogen ziet.

Adèle, Adèle,

Niemand die op je oogen let,

Wij klinken, wij drinken

Met kermis heeft iedereen pret!”

„Nou allemaal!” schreeuwt Piet in de zaal. Dàt heeft succes. Dat is

iets voor het publiek. Adeele! Adeele!—, brullen ze in koor, terwijl

Piet op z’n gemak met Willems spreekt.

„Hé-je vijf voor mijn ingezet?”

„Ja!”

„As ik win verdubbel je, hoor? Anders ’n riks!”....

„Zoo gingen wij naar de schouwburg heen

Adèle was echter niet vlug ter been”....

Weer heeft hij succes. Hij zingt goede platte liedjes, verstaat z’n

vak. Het doek is nog niet gezakt of hij is bij de spelers. ’t Publiek

stampt en roept.—„Nee, ik verdom ’t. Twee nummers is genoeg.” Toch

geeft hij een biscouplet. Dan gaan ze terug naar de kleekamer, wordt er

gescheld, treedt Georgine voor de tweede maal op.

Door ’n gaatje in de voorste coulis kijk ik toe, zie haar bewegen,

flirten voor het voetlicht. Ze heeft geen of ’n ráár soort succes. Als

ze aan haar refrein toe is en een hooge noot uithaalt, begint er een op

de gaanderij mee te gillen. Oe-oe-oe!, wat het sein is voor de andren

om ’t refrein over te nemen en er lollig op los te gillen.

„Wat ’n pestpubliek!” zegt Georgine tot den man van ’t touw.

„Nou! Zulleke sekreete,” knikt de man, inniglijk verontwaardigd.—„Da’s

nou jé schuim,” zegt-ie, terwijl hij pruimsop tot bij m’n voeten

neersiept—„je zou ze d’r afsodemietere!”

„Sigaar opsteken?” vraag ik.

„Nou alsjeblief.”

Ook ’t tweede couplet heeft een even groot succes. Oe! Oe! Oei!—gillen

ze, als ze weer aan haar hooge noot is. Vreemd dat ruwe mannen

geïrriteerd worden door een hooge vrouwenstem.

„’k Zal maar late zakke,” zegt de tooneelknecht wijsgeerig.

Georgine is woedend.

„Da’s nou Piet z’n schuld. Die bederft ’t altijd voor ’n ander...

Zullek vee!”

In de zaal klappen ze zoo, dat de man van het doek meent te moeten

„halen.”

„Nee! Ik ga niet meer op! Da’s me nou nog nooit gebeurd! Wat ’n

pestpubliek, hè?”

„Ga nog maar is op,” zeg ik.—„Ze roepen je toch!”

„Nee. Ze kenne allemaal doodvallen.”

„Ja ’t binne sekreete, nog te beroerd om verzope te worde,” zegt de

man.

„Wa’s d’r nou? Wa’s d’r nou? Wa’s d’r?” roept Piet, die in ’n paar

sprongen ’t trapje opkomt.... „Waarom zing je niet?”

„Ze gillen mee!”

„Wat kan jou dat verdomme! Allo, halen! Wat is dat voor gebliksem hier!

Halen! Kom maak nou geen haarlemmerdijkies!... Donder godverdomme niet!

Vooruit!”

Lachend, lief lachend wipt Georgine het tooneel weer op, begint een

nieuwe serie.

„Lastig volk, die artiste,” zegt Piet: „’k Heb liever dat de baas zelf

meegaat. ’t Is godverdomme of ze voor ’t eerst op de planken staat.

Allemaal ànstellerij as ’r vreemden bij zijn.”

„Nou aangenaam lijkt ’t niet”....

„Ach wat! Je doet ’t om te vrèten! Hoor nou maar is hoe ze meezingen!”

Georgine zingt het refrein: „En al te saam maar meegezongen, hiep,

hiep, hoera, hiep, hiep, hoera!”, dat gul meegeliederlijkt wordt.

„Hoeveel nummers komen ’r nog?”

„De Amors en de muzikale clowns.”

„Piet! Pie-iet—kommie niet af?”

„Ja! Hou je smoel ’n beetje!”

„Die kleine kan zeker niet tegen verliezen?”, vraag ik.

„Jawel, jawel. We lachen ons altijd ’n bààroerte om ’m. As-die verliest

stottert-ie. ’t Is ’n komieke kerel. Daarnet heeft-ie z’n horloge

verloren. Toen heeft-ie zoo gestotterd, da’k me ’n breuk heb gelachen.

Hèhèhè! Jezus, wat maakt de zaal vanavond ’n spektakel. Pst! Pst!

Georgine!.... Na je derde maar uitscheien hoor!.... Ik bof van avond.

Dat kan je zoo hebbe met ’t spel, hè? Verlejen week was ’k me gage van

de heele kermis achter, was ’k me ringe kwijt en had van Georgine

drie-vijftig geleend.... Hèhèhè! ’t Kan flikkers gek loope met spel....

’k Heb ’t wel bijgewoond dat ’r op één nacht vier honderd gulden

gewonnen werd.”

„Nou, da’s gokken!”

„Wil je nou geloove dat as Hein morgen thuiskomt z’n vrouw ’m op z’n

verdommenis slaat.... Eens hè-’k ’t bijgewoond, dat ze ’n pook op ’m

kromsloeg, omdat-ie zonder ’n cent thuiskwam. Das me ’n huishouen. Da’s

me ’n huishouen. Zakken maar! Zakken!.... Goed zoo, Georgine! Vooruit!

Halen! Halen! Afgeloopen. Waar zijn de Amors! Godverdomme waar zijn de

Amors! Kleed leggen! De gewichten! Waar is de honderdzestiger! Kè-je

dat ding godverdomme niet alleen sjouwen! Waar zijn de Amors! Sind Sie

fertig? Sie sind zu spät! Halen! Weg nou jij!”

Tetteretette! Tetteretettetè!

„Ben je moe, Georgine?”

„Moe? Heelemaal niet! ’k Heb hún de centen laten verdienen! Heb je al

die tijd hier met Piet staan kletse? Als je maar geen woord gelooft van

’t geen die zegt. Die spreekt kwaad van de duivel en z’n moer. Wat

het-ie je van mijn verteld?”

„Niks.”

„Nou. Dat verwondert me. Ga je mee?”

Lisy is al aangekleed.

„Zal iek op jou wachten?”

„Da’s goed. Keer je om, Alf.”

’n Tien minuten zit ik te kijken naar handteekeningen en inscripties op

den muur. Lisy en Georgine praten over ’t Haagsch publiek dat zoo

lastig mot zijn, over Piet die zoo’n gokker is, over den eenen

muzikalen clown die z’n kinderen zoo’n goeie opvoeding geeft, over ’n

meneer, links met ’n bruinen snor, die, die.... dat hoor ik niet....,

over goekoop graslinnen, over rozijnen die zoo goed moeten zijn voor

navelbreukjes bij kinderen, over de vrouw van ’n zekeren meneer, die

drie maanden kraamsch was en nog d’r zog niet houen kon.

Om twaalf uur zitten we voor „Centraal.” Piet doet verhalen. Lisy en

Georgine lachen. Ik „betaal.”

„Wat kun je hier na één uur doen?”

„Naar bed gaan.”

„Is ’r nergens iets open?”

„Nee. Laten we bij Fryda wat blijven opzitten.”

„Ook niet gezellig.”

„Nou ik ben hondsch moe.”

Ik loop met Georgine gearmd. Vlak voor ons Lisy en Piet. Ze is

vriendlijk en aardig, babbelt gezelligjes, spreekt me telkens aan met

Alf. Even heb ik weer dàt gevoel, de gelukkige wieging van rust.

„’k Wou je kleintje toch wel is zien, Georgine.”

„Me Kaatje? Die lekkere dot.”

„Wie past op ’r als je op reis ben?”

„Juffrouw Bok. Ze speelt de heele dag op straat. ’t Is zoo’n zacht

kind.”

„Gaat ze op school?”

„Nee. Dat kan ’k niet betalen.”

„’k Wou d’r wel is zien.”

„Kom is bij me eten.”

„Nee da’s te lastig voor je.”

„Zeg maar liever dat je d’r geen idee in heb.”

„Wanneer wil je?”

„Nou wanneer jij wil.”

„’t Kan me niet schelen.”

„Zaterdag?”

„Goed.”

„Zeg, Alf—je moest toch is ’n anderen hoed koopen. Die staat je niet.

En die jas van je.... Hoeveel keer in ’t jaar borstel je die?.... ’k

Heb me geërgerd omdat zìj ’r naar keek”....

„Ja, díé mot naar anderen kijken! ’k Zag d’r strakkies d’r kam vòl

haren in d’r tasch pakken,” kwaadspreek ik.

„Op d’r lijf is ze ook zoo vies. Je mot d’r stootkante is zien...

Waarom heb je je niet eerst laten scheren in Amsterdam? Hoe kan ’n heer

met zoo’n baard loopen!”

„Nou zoo erreg is ’t niet.”

„Je zal wel zeggen da ’k ’n hoop aanmerkingen heb, maar je broek is an

een pijp van achter afgetrapt. Toen je op je stoel zat met je rug naar

ons toe, zag ik zúlleke drajen.”

„’k Zal ze morgen afknippen.”

„Toe koop nou is ’n nieuw pak.”

„’k Heb al zoo’n rekening bij me kleermaker.”

„Dan laat j’m maar wachten en koopt ’r een contant bij ’n ander.”

„Heb je nog meer?”

„Nou.... Nou.... Je mag je laarzen ook wel is laten repareere. Wat loop

jij je hakken scheef!”....

„Nog meer?”

„Nou ben ’k uitgesmoesd. ’n Nieuwe das zal ik je morgen koopen.”

„Dat zal je wel laten.”

„Daar heb ik nou pleizier in.”

Bij Fryda zitten de commis-voyageurs, de jodenman met den kroeskop,

Zakkie en de anderen. Ze hebben een kaartje gelegd, groccen wat na.

„Veel succes gehad?” vraagt Zakkie.

„Ja, ja,” zegt Piet: „wìj werken niet zonder succes.”

Dan komt de kroeskop weer op dreef, doet een zéér grappig verhaal van

hoe die eens meegedaan heeft in ’n rederijkerskamer.

„Ik was Othello of zoo iets en swaite soo—’t was in ’t laast van

Augustus—dat ’t swarte swait sóó op me hande viel.”

„Hèhèhè!”

„Toen ’k voor dood lag smeet ’r een van de gaanderij ’n rotte

sinaasappel op me gesich. Soe ies mot je overkomme! Verrek!, schreeuw

ik naar boven: hou je vulnis bij je! En toen weer voor dood legge!

Hahaha!”....

„As ik je staaltjes most vertelle,” zegt Piet.... „’k Herinner me in

Breda. We voerden op—’k was toen nog an ’t theater—’n draak met zeven

dooien. Ik was ’r een. Boven m’n hoofd hing ’n luster met kaarsen—’t

was in de kerk mot je weten.—Wel goddoome denk ik wat is dat toch!

Klets. Nog is klets. De kaarsen waren an ’t druipen. Ik verzeker je

da’k me lachen houen kon.—’n Andere keer was ’k weer dood en wou ’t

doek niet naar beneden. Stel je is voor! ’t Was om ’n beroerte van ’t

lachen te krijge. D’r was niks an te doen. ’k Most opstaan. Zulleke

dingen gebeuren dikkels.”

„Op de reis gebeurt je ook wát! Ik kan je staaltjes vertelle!”

„Ken je die mop van die officier en die boeremeid?”....

„Geen gemeene moppen waar dames bij zijn!”

Ik zit tusschen Georgine en Lisy aan de groote tafel. Lisy babbelt en

Georgine’s knie rust tegen de mijne. Dàt en de ouwe klare maken me

wonderlijk opgewekt. Ik doe héélemaal mee, ben luidruchtig, druk,

vertel rotte moppen en zoek ruzie met den kroeskop, d.w.z.—ik zeg m’

nonsens dingen, die hij niet begrijpt.

„Die mop.... Die vin je al bij Aristoteles!”

„Bij wie?”

„Bij Aristoteles. Ken u Aristoteles niet? Die had vroeger ’n zaakje in

pepermunt en boterbiesjes op ’t hoekje van de groentenmarkt. Heb u niet

gelezen z’n Vrouw met de zeven corsetten? Nee? ’n Prachtig werk. Voor

vijf cent kun je ’t huren in elke apotheek.”

„Merk je nou niet dat meneer je verneukt?”

„Pardon, mijnheer!.... Heb u wel is gehoord van de formule voor

phosphorbereiding?.... Nee in alle ernst?”

„Waar wil U naar toe, hèhèhè!”

„Nooit van gehoord? Dan moet u nooit phosphorlucifers gebruiken. Je zou

’t kunnen treffen je sigaar op te steken aan de botjes van je grootpa.

Was uw grootpa ook in den handel?”

Georgine trapt op m’n voet. De reiziger lacht flauwtjes. Ik flap er den

reddeloozen onzin zoo serieus uit, dat-ie niet kwaad kan worden.

„’k Heb nooit ’n grootpa gehad,” lacht-ie met ’n lach

van-wat-zeggie-van-me-goeie mop.

„Da’s niet vleiend voor uw grootma.”

„Hèhèhè!”

„Heeft u niet ’n wijsgeer of ’n dichter in uw familie?”

„Voor zoover ik weet niet.”

„Hé, dàt verwondert me. Mag ik vragen waarin u handelt?”

„Schoenmakersgarnituren.”

„U moet zien de klandizie van Huijsmans en Ibsen te krijgen. Verkoop u

veters voor rijglaarzen? ’n Mooi vak niet? Wie verslijten meer

schoenen, wij of onze antipoden?”

„Als u mijn wil oetzen, mot u vroeger opstaan.”

„Wat oetzen? Studie van schoenmakersgarnituren in verband met de wetten

van de zwaartekracht en de aswenteling der aarde moet interessant zijn.

Da’s hóóge ernst, mijnheer! Wat drommel denk je dat zonder

zwaartekracht ’n mensch zou kunnen loopen? D’r hoeft maar ’n kleine

verstoring plaats te hebben en de menschen zweven als de vogels. Dan

ligt jullie zaak in schoenmakersgarnituren! Als je niet studeert,

mijnheer, kom je tot niks. Heb je wel eens nagedacht over de

schoenmakers op Mercurius? Die moeten heel wat beter waar leveren of

denk je dat een zesde meer aan dichtheid en soortelijk gewicht niet

meetelt! Kepler”.....

„Oets je mijn, oets je m’n togus,” zegt de reiziger nijdig.

Even is er een gaping. Ik voel da’k niet „moppig” ben, dat ze er niks

mee ophebben. Kan-me niks schelen. ’k Lijk wel tien jaar jonger zoo

kwajongensachtig als ik me voel. Wat is dat lòllig zoo’n stemming van

kattekwaad.

„Willen jullie nog wat drinken?”

„Om nog is op ’t theater terug te kommen,” zegt Piet, wijs—om de

menschen weer an ’t praten te krijgen: „ik heb ’t eens bijgewoond dat

een van je eerste spelers op de planken stond en z’n broek begon af te

zakken.... Hahaha!.... Dat was goddoome ’n spektakel.... hahaha.”

Ik fluister met Georgine en Lisy over den neus van Zakkie. Ze proesten

zachies. Georgine’s knie rust altijd tegen de mijne. Als ze zich naar

Lisy voorover buigt, klopt ’t bloed naar m’n keel. Nog nooit heeft ze

zoo vertrouwelijk tegen me aangeleund. Ik drink ouwe klare, wor hoe

langer hoe vroolijker. Als ’k me beweeg voel ik de smijdigheid van haar

japon. Een keer, legt ze, lachend, haar zachte hand op mijn knie, voel

ik haar volle handwarmte. ’t Maakt me gek van jeugd én verlangen. Zoo

wakker geraak ik, dat ik ’t heele gezelschap doe schateren om ’n zot

verhaal—’k weet niet meer wat—, meelach om ’n reizigersmop van den

kroeskop, me één voel met allen zoo ze daar zitten. Wat ’n aardige

mense! Wat ’n gezellige nacht!.... Wat heb-ik strakkies ’n malligheden

gedacht bij den Vijverberg!.... Is ’t leven niet verduiveld beminlijk

als je vroolijk bent en meedoet aan ’t pleizier van anderen!.... Zoo

most je altijd zitten, zoo goddelijk-abruti, zoo frisch, zoo raak en

stupiede in je spot, zoo zeker van toon om ’n mop voor commis-voyageurs

te vertellen. De nacht moest kunnen duren, dùren.... Maar Lisy is moe

en gaat naar boven. Zakkie en nog een vragen kaarsen. Piet, Georgine,

de kroeskop en ik plakken. De portier draait een van de gasarmen af. In

halflicht blijven we kletsen. Georgine wordt slaperig. Haar knie voel

ik niet meer. Als ik dichterbij schuif, trekt zij weg, doet stug. Ik

begin te begrijpen. Ze doet zoo lief, zoo aanhalig als Lisy er bij is,

om te toonen dat ik van hààr ben. Daar hebbie ’t! Strakkies was ’t Alf

voor, Alf na. Nou zegt ze—„Spier, schenk me nog is ’n half glaassie

in.” Piet vertelt van andere acteurs, van dingen die daar en daar

gebeurd zijn, van een zangeres die tusschen de coulissen van ’n dood

kind beviel. De joden kroeskop komt los over ’t socialisme, zegt dat ’t

krankzinnigheid van die lui is, dat je je toch niet wil uitkleejen voor

je naar bed gaat voor vreemde mense—, ik ben stom genoeg om den man

tegen te spreken en we krijgen heusch ruzie....

„Je mot niet meespreken van dingen, waarvan je niks weet, mijnheer!”

„Watte? Da’s nog de vráág of ik ’r niks van weet! Wie wil nou zoo gek

zijn om z’n boeltje af te staan? Als ik hard sappel”....

„Je weet van socialisme net zooveel als dat glas!”

„Ik zeg dat werklui d’r geld in de kroeg verzuipen!”

„Dat doe jij toch ook? Je heb hier meer zitten drinken dan een werkman

in ’n heele week.”

„Als u grof wordt”....

„’k Zeg je de waarheid, man.”

„Ik wil geen ruzie maken op den laten nacht. U kunt zeker niet tegen ’n

glaassie”....

„Ach man, stik!”

„Ik zal de wijste zijn.”

„Lul nou niet,” zegt Piet: „wat ’n onzin om ruzie te krijgen over de

soisalen. Ik wil wel weten da ’k graag sosiaalder wil worden met ’n

hoop centen, hahaha!”

„Ik ook,” lacht Georgine.

De kroeskop vertelt nog ’n mop, Piet rakelt grappen op, maar de

aardigheid is er af. Ik ben stil geworden. De zaal met haar halfduister

is ongezellig. Georgine praat weinig, neemt geen notitie van me, lacht

om den kroeskop en om Piet.

„Zullen we naar bed gaan?”

„Wel te rusten,” zegt de kroeskop.

In de kouwe gang krijgen we blakers en kaarsen. De portier loopt

vooruit de trap op. Op het eerste portaal slaat nachtklamheid me tegen.

„Wacht u effen hier,” zegt de portier—„uw kamer is an de voorkant.”

„Goeien nacht, Georgine.”

„Goeien nacht.”

„Slaap lekker,” zegt Piet.

Ik ga zitten op de trap met den blaker in de handen, zie ze de gang

afloopen, ’n hoek omslaan. Een, twee minuten, alleen in de gang met de

wuivende kaarsvlam. Dan ’t neersmijten van ’n paar schoenen, ’t

dichtslaan van deuren.

„Hier ben ik al meneer.”

Sufferig, moe, loop ik mee. Ik kán de laagheid niet onder me houen.

„Welke nummers hebben die dames en die heer?”

„Een en dertig en drie en dertig.”

„Náást elkaar?”

„Ja meneer. Dà’s uw kamer. Hoe laat mot u morgen gewekt worden?”

„Wek maar niet.”

Ik zet de kaars op ’t nachttafeltje, wind m’n horloge op, trek m’n jas

uit, zit even op ’t bed te soezen. Een voor een schop ’k de laarzen

uit, kijk naar de scheefgeloopen hakken, doe de deur open, zet de

laarzen op de mat, luister. Geen geluid. Op m’n kousen loop ik schuw de

gang in, voorbij de schoenen en laarzen van èlke deur, blijf schokkend

van angst staan, omdat de portier beneden wat scharrelt, sluip verder,

zachies, zachies, als ’n dief, gluur om den hoek.... nommer een en

dertig.... met twee manslaarzen.... nommer drie en dertig.... met twee

bottines.... Geen geluid. Niks. Huiverend met een zenuwachtig klappen

der tanden, loop ik terug, m’n kamer in. De deur op slot. Tik-tik.

Uitkleejen. In ’t kouwe, kille bed kruipen. De kaars uit.... En voor ’t

eerst sinds héél langen tijd, begin ik te huilen, te snikken, voel met

dierlijk pleizier de brandende tranen langs mijn neus glijden, pers

mijn hoofd in de kille lakens.

Kamertjeszonde · 第 25 / 77 题