„Het is leerzaam, verschillende menschen te hooren over een en
hetzelfde feit. Geen redenaar of hij kan u verhalen van hoorders,
die hem „Vader” lieten zeggen, terwijl het woord „Moeder” door hem
was uitgesproken. Zwart heeft de een gezien, terwijl de ander, die
er ook zelf bij is geweest, bij het heil van zijn ziel volhoudt,
dat het wit is geweest. Iedereen kan hiervan voorbeelden aanhalen,
en het loont de moeite te onderzoeken waaraan dat verschillend
hooren en zien van dezelfde gebeurtenis, dat verschillend waarnemen
van hetzelfde voorval te wijten is.
„Vooreerst dienen wij de dwaling af te leggen, dat wij
onbevooroordeeld zouden zijn. Dat er neutrale menschen zouden
rondwandelen op aarde is een verzinsel.......................
.............................................................”
Zeker zou ik bij ’t neerschrijven dezer Herinneringen, die ik
publiceeren zal—ja zéker, ik schrijf ze geenszins om mezelf nou is
gemeen-geniepig wijs te maken dat ’k ze opzout voor m’n erfgenamen—nee,
nee, néé: ’k wil er bij grijnslachen én glimlachen èn strak-lachen en
kettersch vloeken als ze door de wereld rollen—, zeker zou ik niet
zoolang geeuwen over advertenties en gehoofdartikel, waarbij allicht
aan pogen naar „grappigheid” gedacht wordt, ware het niet dat ik dien
avond voor het eerst van mijn leven werkelijk eene bladzijde làs en het
geteem zonderling passend vond om me af te leiden van de stuitende
vertooning op de planken (stuitend om het jammerlijk stuk brood dat die
„kunstenaars” dreef tot getrouwe nabootsing van zielszieken of
minderwaardigheidstypen), zonderling passend voor dit fatsoenlijk
dorpjesvolk, zonderling passend voor eene klasse zonder idealen. O, in
een bui van opstandigheid, als muziek tjingelt en je nog wat wacht op
een café-chantant-vrouw voor je teruggaat naar je kamertje, om alleen,
alléén in de wereld verder te arbeiden bij je pijp—is zoo’n
hoofdartikel van een wél vet, lomp, stinkend burgermans-bedrog. Wat ’n
màn die zoo iets te overdenken geeft. Die zit nooit scheef op de bril
van z’n plee, die krabt zich niet in gezelschap als ’n vloo ’m prikt op
z’n bilvlak, die bepeutert niet de knoopjes van z’n gulp, die is wel
wijs, die kènt hét leven.
Eindelijk.
Daar hebt je háár. Ze is in groen satijn met witte kanten. Mooie armen
heeft ze, mooie schouders. Ze doet als een française, slaat de korte
rokken vlug weg, lacht, kijkt rond, voelt zich volkomen thuis. Nee. Dat
is zij niet. D’r gezicht is ànders, met gròòte oogen, rooie lippen. Nou
zingt ze....
„Zangeres in vriendenkringen,
Is mijn leven hoogst frapant,
Ik zing Hollandsch, Duitsch en Engelsch,
Reizend steeds van land tot land,
Minnend al d’artistenvrienden,
’t Zij een keizer of een vorst,
Of een kranig officier
Of een flinken adelborst.
In Chicago, Londen, Moscou
Overal een ideaal,
Want mijn liefde kent geen grenzen
Zij is internationaal!
Want mijn liefde kent geen grenzen
Zij is internationaal”....
Ik voel me ongelukkig, jammerlijk ongelukkig. De woorden drensen op me
toe, kleverig muf. Het is alsof een kast opengaat, waarin maandenlang
vermot, beschimmeld goed heeft gelegen. God, God, hoe hopeloos! Waarom
zit ik hier?.... Wat is dat alles ònaangenaam.... Rotte liedjes en
deuntjes voor een geil bourgeois publiek.... Wat doe ik hier? Die vrouw
vind ’k beroerd, misselijk, zou ’k wel willen uitfluiten. Voor die
vrouw voel ik groote minachting dat ze er lùst in heeft zulke
wezenloosheden te galmen met een geglimlach hier en een liefdoen daar,
met ’n berekend laten kijken van haar rosen pantalon, omdat ’t er zoo
bijbehoort, omdat de mannen zoo’n heete lol hebben als ze ’n stuk van
’n vrouwenbroek zien. Voor díé vrouw ben ik hier gekomen, ik die pedant
ben, mezelf vóél, ik die iets moois in een vrouw zoek, ik, die een
avond zoo krankzinnig geweest ben om met haar te spreken over verzen,
over Vondel nog wel, over Gorter nog wel. Nou is ’t uit. Goed uit....
„Want mijn liefde kent geen grenzen, zij is internationaal”.... Daar
spring je bij op. Dat vin je hopeloos, hopeloos, hopeloos. Dat zijn
liedjes voor idioten. ’n Bouquet geven! ’n Bouquet geven! Rozen met
pareldruppels over ’t voetlicht. Ik ’n bouquet geven! Ik komen om haar
„succes”, haar kuiten, haar pantalon te zien! ’t Is om bij te huilen
van triestigheid, dat ze niet vóélt dat elk van haar beschaafd-wulpsche
gebaren voor dit publiek je pijn doen, je hinderen, je vijandig maken.
Ze hééft succes, komt terug, ziet me, lacht. Ik blijf strak, trotsch.
Hier ben ik, ik, zij ’n chanteuse die lol in haar bordeelvak heeft.
Hìèr ben ik haar vijand. Hier doet ze me niks, vin ’k haar léélijk met
brandrige oogen, ploertig van doen. Lachend, altijd-lachend begint ze
weer, kijkt me an, koketteerend, en haar woorden bekruipen mij klam als
natte wurmen een droge huid, geven de sensatie van iets zeer
hinderlijks, zeer antipathieks.
„Trouwloos zijt gij alle mannen....
Gloof mij allen hier wat ik zeg,
Al de mannen bij elkander,
Zij zijn allen even slecht!
Al applaudiseert ge nog zoo allen,
Geen van u kan mij bevallen
Want de mannen, ja de mannen
Trouwloos zijt gij allen.”— — — — —
Bravo! Bravòòòò!
Mijn buurman slaat z’n knuistige handen op elkaar. Die zit met een
zwaren verlang-grijns. Die heeft ’r schik in. Bij elk couplet lacht-ie
met schuddend nagerochel. Zoo’n verdomd áárdige, lekkere meid, die-die
wel is ’n punt zou willen zetten! Ugùgùg! Ugùgùg!
„Heeren, ’k zal u eens wat vertellen,
’k Meen daar toch geen woordje van,
’k Wilde u maar even kwellen,
’k Zie toch graag een mooien man.
Daarom ge hoeft u niet te geneeren
Luid voor mij te applaudiseeren
Want de mannen, ja de mannen
Trouweloos, zijn zij níét allen!”....
Bravòòòò! Bravòòòò! Tweemaal wordt ze teruggeroepen. Twéémaal kijkt ze
mijn kant uit, zit ik stroef, onbeweeglijk, vervreemd, haar niet
kennend die chanteuse, die meid, die hoer.
Ik sta op. De rest kàn ’k niet meer zien. Kwart voor negen. Wat nou?
Wat nou? Nog zoo vroeg. Endje opwandelen. Wèg uit de straten. Wèg van
die mense, weg van die belabberde drukte. Op den Vijverberg—bij ’t
water—ga ’k op ’n bank zitten. Lieve God welk een bizarre leegte in
mijn hoofd, welk een smartelijk opkruipen van naamlooze dingen. Als ’k
nu schreien kòn, luiduit snikken op die eenzame bank. De boomen rondom
kuiven de massale kroppen over het glazerig water, huizen
silhoeëtteeren, gasvlammen broeien beneden den walkant. Dof kijk ik
voor me uit. Er gaat een soldaat met een meid. Dichtbij staan ze stil,
de buiken tegen elkander, de monden vastgezogen. Zijn hand licht
grijpend tusschen haar billen—, de buiken dringen op. En schommlend,
dronken van verlangen, wandelen ze verder, zwart en stil onder de
boomen langs het water, naar het Bosch. Lang zit ik in onzegbare smart,
met starende oogen, hoofd dat niet denken wil. Het water heeft lichte
zilversidderingen, het groen van het eiland donkert er boven. Dan
plotsling zíé ik haar weer, zooals zij de rokken in draaiing terugsloeg
van heup naar heup—en den rosen kantenbroek met de beenen er in, en ik
kreun woest.
Lieve God, dat die heele bende daar nou zit in de warmte, in den
sigarenwalm, in den peststank van burgerlijk pleizier, kijkend naar
kunstjes, naar ’n stuk van ’n vrouwebroek, naar bloote armen en
borsten. Die bende! Die snol!.... Nee niet schelden. Nou je hier zat,
voelde je de dingen langzamerhand ànders, zakte de wrevel, de
spijtigheid, het leege. Van wat ze gezongen had, wist je niks meer. D’r
was alleen nog vaag meelij. Heel vaag. Was ’t niet stumperig dat ze
onderging in dat baantje van fatsoenlijke hoer? Was de heele
samenleving geen bourgeois-beul, die kocht, stal of vertrapte? Deeën de
menschen niet allemaal misselijkheden voor elkander? Was ’t niet
telkens de honger, de nood, die knechten maakte, hoeren,
geprostitueerden? Was ’t goed, eerlijk, om nou heen te gaan, haar
achter te laten in die modder? Zou je dan nooit iets doen, iets dat op
een dáád geleek, iets om een ander mensch tot lèven te brengen, iets
dat een offer vroeg van je egoïsme en gemakzucht? Had je geen mooie
oogenblikken bij haar gehad.... tóén in het Panopticum.... tóén ze
sprak.... en je in vriendlijke, rustige luistering gebogen zat.... tóén
in De Slok toen je het gevóél van de zee, het duingroen, het
helmengerits had.... Had ze niet tóén gezegd bij het Sarphatipark:....
„Soms heb ik een walg van het leven”.... Had ze geen kindertrekken met
groote eerlijke grijsgrauwe oogen.... Je wist nou wel dat jij buiten
háár kon.... Je wist ’t zéker.... Maar kon zij buiten jòù?.... Had ze
ooit iemand gekend, die eerlijk was, zònder bedoelingen, een die niet
na een paar dagen met voorstellen kwam om te naaien, zooas de baron met
z’n oesters en champagne? Wat gaf ’t of ze dit of dàt maatschappelijk
baantje had? In zulk eene verkankerde maatschappij had geen enkel
arbeidend individu schuld, onderging ieder het noodlot der
omstandigheden, zij zoogoed als ieder ander, was er geen sprake van
„vrije wil” ten goede òf ten kwade. En al stond je mijlen van elkaar in
het eigenlijk leven, het eenige leven, het leven van je hart en je
hoofd, moest je elkander met sterke handen steunen in het
maatschaplijke. Het bourgeois-maatschappelijke was in niets wet. Je
eerlijk zuiver voelen der dingen, het éénige, ware. Anderen konden je
niks opdringen. Elke zedeleer loog nu. Elke léér was valsch. Wat hadden
ze niet van Christus gemaakt, de pastoors, de dominees? Was ’t niet
zeer zot zoo’n gemeente in ’n kerk, met vergulde gebedenboekjes en ’n
betaalden kerel op den kansel. ’n Bedelmonnik was iets. Maar ’n
bakkerszoon, die van pa z’n zuurverdiende centjes gestudeerd had en nou
zalfde over teksten uit Johannes of Lukas, was ’n allermisselijkst
individu. Wat dee zoo’n vent gek met z’n angeleerde overtuiging naast
Jezus.... Wat een erbarmelijke droefenis: Ik ben de wijnstok én gij de
ranken.... gij, gij met uwes tekstengekibbel, gij met uwes dure kerken,
gij met uwes innige bourgeois-maatschappelijke fatsoenlijkheden, gij
met uwes dor enthousiasme, gesalarieerde extase, gij bourgeois van ’n
geluklooze bourgeoisie.
Wat je afdwaalde.... Hoe was je op dominees en pastoors gekomen?....
Waaraan had je het eerst gedacht? An wat?.... Vreemd dat je zoo
soezerig kon afdwalen.... naar dominees en pastoors.... Hoe was de
tusschenweg geweest?.... O ja.... ’t Casino.... d’r broek.... de
menschen, Georgine..... dominees.... ’t Casino.... Komiek.... Wat ’n
mooie avond.... Wat ’n rustig zitten bij den Vijverberg....
Zóó ongeveer dacht ik die oogenblikken, ik zèlf toen nog driekwart
bourgeois in mijn denken, mijn doen. O, àlles van dien tijd lijkt mij
benauwd, een nachtmerrie, vloek van zoo vele geslachten die als
bourgeois voor niets dan het verdomde eigen-ik geleefd hebben.