GEORGINE.

Dagen na dit gesprek zat ik ’s avonds laat bij Mast. Het lijkt wel

zonderling, deze saâmkoppeling van koffiehuis- én gesprekherinneringen,

maar die tijd hing samen aaneen van schrijven, werken, koffiehuis

in-en-uit en loome gesprekken. Is er iets ánders in ’t leven van jonge

mannen die zonder familie, rondgaan in de verveling van stoffige

steden? Niemand van de vrienden, zelfs Scherp niet, had ik in dagen

gezien. ’n Obscure bui, zooals Dirk ’t noemde.

Tien minuten voor één stoof Karel binnen. Eerst wat vragen an ’n

kelner, toen recht op me af.—„Zit jij hier? Waar heb je al dien tijd

gezeten? Zóó, heb je gesoupeerd! ’t Zit ’r an! Drink gauw uit. We zijn

àllemaal in De Slok.”—„Wie allemaal?”, vroeg ik.—„Guus, Dirk, Duif,

Piet, Moos, ’n heele bende.”—„Nee, ik kom strakkies wel bij Dirk. Nóú

nog naar De Slok!”—„D’r is óók iemand die jou wou spreken,” zei hij

geheimzinnig-glimlachend.—„Wie?”—„Dat zal je wel zien.”—„Nee, ik kom

strakkies bij Dirk.”—„Ga nou mee; d’r is heusch iemand,” herhaalde hij.

„Wie dan?”—„’n Dame.”—„Nee, ik vlieg ’r niet in!”—„Zij is ’r.”

In al dien tijd had ik niet aan háár gedacht. Waarom ook? Maar ik wist

in ééns wie hij bedoelde.—„Is zij ’r? Wat kan mij dat schelen?” zei ik

onverschillig.—„Drink nou uit. Anders zijn ze weg!”—„Laat me maar

rustig zitten. Ik ben niet op ’r gesteld.”—„Wees niet zoo lomp. Ze

heeft me gezegd dat ze ’t vergeten had. Ze heeft er zoo’n spijt

van.”—„Doet me plezier. Ze kunnen me maar eens voor de gek

houen.”—„Zeven, acht keer,” hield Karel aan, „heeft ze naar de deur

gekeken om te zien of je niet kwam.”—„Wel, wel, wat een eer voor

me!”—„Ze heeft me gezonden om te zien, of je soms bij Mast zat.”—„Ga

dan maar terug en breng ’r m’n komplimenten.”—„Hé, wat doe je

kinderachtig!”—„Denk je dat ik me interesseer voor die juffrouw? ’k Ben

haar kwajongen niet.”—„Zij laat jóú toch vragen! Ze heeft ’r toch spijt

van!”—„Zanik maar niet verder. Mijn nee is mijn nee,” zei ik

lusteloos.—„Laf!” protesteerde Karel, schouderschokkend.—„Zeg-je an

Dirk dat ’k vanavond kom?”—„Ja. Ja. Ja. Je ben kinderachtig hoor!”

Dat was netjes afgepoeierd. Díé zou tenminste weten dat ik geen

afspraakjes maakte als ’n jòngen. En zoo mal, om binnen te komen in De

Slok als ieder ’r uitging en in ’t volle licht bedremmelde wissewasjes

te zeggen,—met Duif die toe zat te kijken en al de komedianten, die je

kenden. Nou kon Karel net terug zijn. Dat was ’n ràke beleediging. Als

ze ’t maar vóélde. Tegen lompheid kon je alleen grofheid

stellen.—„Een-uur-hee-ee-ee-re!”—Daar had je de portier al. Opstappen.

Wat nou? Langzaam opwandelen naar Dirk of even wachten? Als je wachtte

liep je ’t heele gezelschap tegen ’t lijf, had je tóch wat je niet wou.

Ja, maar wòù je ’t niet? ’t Was toch zoo verschrikkelijk niet geweest.

Als ze ’t heusch vergeten had? Vergeten? Dát kwam juist niet te pas!

Dàt was wel ’t bewijs, dat ze ’r niks om maalde. Dan maar doorloopen.

Als je ’t dee was de kennismaking voor goed uit. Wat ’n

zwaar-op-de-hand geredeneer over ’n kleinigheid. Als ze niks om je

maalde, had ze toch niet zes, zevenmaal naar de deur gekeken? Je moest

de eer an jezelf houden. Maar je kon slim zijn. Als je langzaam liep in

de Utrechtschestraat, alsof je in niks erg had, moesten ze je inhalen.

Dan beleefd groeten, praten met Guus en Duif, geen notitie van haar

nemen, om ’t ’r nog méér te laten voelen. Zoo, nou nòg langzamer. Even

schuilen in de donkere portiek van ’n manufactuurwinkel. Waar bleven ze

nou? De Slok werd toch ook om één uur gesloten. Waren ze daar? Nee, dat

waren ze niet. Daar hàd je ze. Je hoorde de stem van Duif. Nou zachies

doorloopen an den anderen kant. Nog langzamer. Nou stonden ze weer stil

op ’n hoop. Zeker goeien avond zeggen an die of die, die heenging.

Misschien was zij al weg. Nou haalden ze je in. Wat schreeuwde die Duif

weer ongemanierd. Daar had ’t. Je hoorde Guus vragen of Spier daar niet

liep. „Loopt-ie daar niet?”—„Ja da’s z’n loop!”—„Spier!”—„Alfredje!”—Ik

verwonderd.—„Hé, zijn jullie daar? Waar kommen jullie vandaan?”—„Uit De

Slok. Waarom ben je niet met Karel meegekommen?”—„Ik had iemand bij

me.”—„Waar heb je gister en eergister gezeten?”—„Gewerkt.”—Pratend liep

ik op met Duif en Guus. Vlak achter me hoorde ik háár met Dirk en

Karel. Nou geen notitie van ’r nemen—erg hard spreken met Guus, voorál

lachen. Als je vroolijk was, hinderde je nog meer.

„Alfred! Hallo! Zeg kun je ons geen goeien avond zeggen?”, schreeuwt

Karel. Net iets van hem.—„Bonsoir! Bonsoir!.... Goeien avond juffrouw,”

zeg ik koeltjes.

„Dag meneer.”

„Waar heb jij gezeten?”....—Daar had je ’t àlweer. Dat was dríémaal.

En dan liep je ineens alléén met haar. Ze deeën ’t er om.

„Wat ’n lèkker weer”...., zegt zij mallig-verlegen.

„Ja. Zoo zacht in de lucht”...., zeg ik, onrustig.

„Wat loopen ’r nog ’n mènse”....

„Ja, ’t is hier altijd zoo druk”....

Afgeloopen. ’t Gesprek stokt. Duif en Guus lachen akelig hard op.

„U moet me niet kwalijk nemen”....

„O nee. Da’s niks. Ik denk ’r niet meer an”....

„Ik had me—verslapen”....

„Verslapen?”....

„Ja, ik slaap altijd na ’t eten.”

Nou jokt ze. ’t Klopt niet met wat Karel gezegd heeft.

„Was-u niet èrg kwaad?”

„Nou, dat ging nog al,” glimlach ik.—„’t Spijt me heusch.”—„Mag ik u

zoover een arm geven?”—„Asjeblief.”—Weer stokt ’t gesprek. Haar

gehandschoende hand rust op mijn arm. Toch gezèllig als je met ’n vrouw

loopt.—„Ben u in De Slok geweest?”, vraag ik, soezelig.—„We komen ’r

net vandaan.”—„Woon u ver hier vandaan?”—„In de Albert Cuyp.”—„Bij

familie?”—„Nee bij juffrouw Bok.”—„Was dat die juffrouw van

laatst?”—„Ja.”—„Hé! Daar is nog ’n slager open.”—„Da’s altijd.”—„O, is

dat altijd? Nog nooit opgemerkt.”—„Ja, die is nog om twee uur

open.”—„Zou die zoo laat nog klanten krijgen?”—„Dat denk ik wel.”—„Da’s

ook geen leven voor zulleke mense.”—„Nee, daar zou ik nou niet tegen

kennen.”—„Ja, de bakkers die hebben ook geen prettig leven.”—„Nee,

allesbehalve.”....

Krankzinnig zijn zulke gesprekken, waarbij je aan andere dingen denkt;

ik over de hand op m’n arm, over het zachtzinnig-goede dat over je komt

als je ’n vrouw naast je voelt—, zij over weet ik-wat. Gelukkig komt

Karel naar ons toe.

„Jongens, we gaan niet naar Dirk. Guus heeft ’n idee. D’r mot zoo’n

gemééne societeit in de Pijp zijn. Gaan jullie mee ’n kijkie

nemen?”—„Nee, dat wordt mij te laat.”—„Kom juffrouw.”—„Nee, ik heb de

huissleutel niet.”—„Dan gaan we ’m effen halen.”—„Nee, ’t wordt zoo

laat!”—„Toe nou. Als ik ’t vraag?”—„Nou dan ’n uurtje. Maar dan eerst

langs de Albert Cuyp.”—„Waar zit Georgine?” roept Duif.—„Die loopt

achter met Alfred!”—„Kom nou, niet achterblijven jullie twee? Geen

gehoer hoor!”—„Kalmpjes wat, Duif. Niet zulke aardigheden,” zeg ik

gepiqueerd.—„Ben je weer op je teentjes getrapt? Pas maar op voor’m

Sjorsjien. Al die mense met gladde smoele zijn stiekemerds.”—Georgine

laat mijn arm los, gaat inloopen tusschen Guus en Duif. Ze snappen en

lachen. Zij heeft ’n mooien prettigen, jongen lach.

„Dag Alf,” zegt Scherp, die opeens naast me komt.—„Hé, waar liep

jij?”—„Vlak achter je.”—„’k Had je niet gezien.”—„Nee, je leek wèl in

druk gesprek. D’r is groot nieuws.”—„Wat dan?”—„’k Ben

weggeloopen!”—„Kom nou!”—„Op mijn woord.”—„Wanneer?” vraag ik danig

verbaasd.—„Gister.”—„Waarom ben je dan niet bij me geweest?”—„Gister

heb ik tweemaal, vandaag driemaal gebeld. Je dee niet open.”—„Ik maak

principieel nooit open als ’r gebeld wordt. Je had tegen de ruit moeten

tikken.”—„Dat wist ik niet.”—„Waar heb je van nacht dan geslapen?”—„In

het Toevluchtsoord. ’k Moet zuinig zijn.”—„Maar wàt is ’r dan

gebeurd?”—„Dat kan ik je niet in een paar woorden zeggen. Hij heeft me

den huissleutel afgenomen! Dat moest ’r nog bijkomen. D’r was ’n ruzie!

’n ruzie! ’k Zal je van nacht alles vertellen. ’k Moet bij je

slapen.”—„Uitstekend. We zullen loten kanapee of bed.”—„’k Zal de

kanapee wel nemen.”—„Dekens zijn ’r genoeg. Maar lakens. Enfin, we

zullen zien.”—„Zeg ’r niks van an de anderen, hoor je? Die hebben ’r

niks mee noodig.”

We zijn in de Albert Cuyp. Beneden een tapperij. Boven wonen drie

gezinnen. Georgine belt an. „Ben u daar juffrouw Bok?”—„Nee. Ik ben ’t.

M’n vrouw is naar bed,” roept een mansstem. „Wil u me de huissleutel is

geven, meneer Bok. D’r is iemand jarig—of, wacht, nee—ik kom zelf effen

boven.”—Ik wacht voor de straatdeur. Er slaan wat deuren, dan is ze er

weer.

„’t Spijt me toch dat ’k me heb laten overhalen,” zegt ze bedrukt.

„Waarom? Hindert u iets?”

„Ik doe ’t nóóit zóó laat.”

„Voor ’n énkelen keer!”, verontschuldig ik.

„’t Is al half twee. Als ik om drie uur thuiskom, maak ik het kind

wakker. Ze lag zoo lekker, die dot.”

„Welk kind?”, vraag ik—, zelf wat bedrukt.

„Kaatje, m’n oudste.”

„Hèb u dan kinderen?” zeg ik weer.

„Twéé. De oudste woont bij me. De jongste, Toos—da’s ook zoo’n lekker

dier—is bij menschen uitbesteed. Die ’s drie jaar.”

„Ben u dan héúsch getrouwd?”

„Nee maar da’s ’n vraag! Wist u dat niet? M’n man zit in ’t

buitenland.”

„Ja zè hadden me zoo iets verteld. Maar de menschen kletsen zoo véél.

Ik geloof nooit wat van ànderen.”

„In Mei ga ’k naar ’m toe.”

„Vèr hier vandaan?”, vraag ik met even schimmende leegheid—, leegheid

van alleen-zijn-in-kamer.

„Naar Amerika”, zegt ze praatlustig.

„In Mei? Da’s nog ’n hééle tijd. In acht maanden kan ’n bóél gebeuren”,

ik.

„Wat loopen de andren ’n end vooruit.”

„Ja”, praat ik. O, er is een heel-vreemde strooming in het gesprek,

iets van lippen-intimiteit in het donker.

„’t Wordt toch wat kóél,” vervolgt ze hard, in verwerende houding.

„Altijd in den laten avond,” zeg ik mat. En weer pogen we elkander met

tastende woorden te benaderen.

„Heb-u familie hier in de stad?” vraagt ze na een zwijgen.

„Nee. ’n Enkele achternicht.... Is uw man làng weg?”

„Drie jaar.”

„Drie jaar?”

„Ja.”

„Heeft-ie zaken?”

„Hij ’s diamantslijper.”

„Zoo. Ik vind dat ’n náár woord. Nù.”

„Nóú verdient-ie goed geld. In Amerika is ’t vak nog niet zoo aan lager

wal. In Amsterdam is ’t vet van de ketel.”

„Is ’t waar dat u in café-chantants zingt?”

„Ja. D’r was ’n tijd dat m’n man geen cent verdiende. Toen ben ik voor

hem en de kinderen weer an ’t zingen gegaan.”

„Wéér?”

„’k Dee ’t van mijn tiende jaar af. ’k Zong in de Vic toen ’k kennis an

’m kreeg. Me vader en moeder hebben altijd gereisd.”

„Vreemd, ’k heb uw naam nog nooit gehoord.”

„Na mijn trouwen heb ik in Amsterdam niet meer gezongen. In de

provincie kennen ze me goed. Volgende week zing ik in ’t Casino in Den

Haag.”

„Is dat geen hondenbaantje?” vraag ik.

„Wel nee. As je maar sùcces hebt. En—wat doe ù voor de kost?”

Gekke vraag. Wat doe ik eigenlijk voor de kost? Ja wat? In dezen

zonderlingen tijd van amusementskunst, waarin je arbeid ongeveer gelijk

staat met een boterbiesje voor literatuur-slobbrende

bourgeois-jofferen—doe ik feitelijk niets anders dan wat een hipje uit

de „Nieuwe Pijp”.... doet: flodderen, nùtteloos morsen,

literatuur-pietje uithangen.—Ik ben aan het zoeken, aan het ruien. Wat

doe ik voor de kost? Wat? Héél komieke vraag. Eenigszins mal antwoord

ik:

„Ik schrijf zoo eens wat van tijd tot tijd.”

„Wàtte?”

„Dan is dit, dan is dat. ’k Ben an ’n boek bezig.”

„’n Boek? Hoe gaat dat, ’n boek-schrijven?”

„Ja—als je dàt kon zeggen,” praat ik diepzinnig.

„Zeker schrikkelijk moeilijk?”

„Zoo-zoo. Lala. Ik ben maar ’n broekje.”

„Ik had me ’n schrijver altijd ànders voorgesteld,” zegt zij,

teleurgesteld.

„Hoe dan?”

„Zoo.... Zóó.... Zóó.... Ik weet niet.... Zoo....”

„Zoo heel ànders dan ik?”

„Ja.”

„Hahaha!”

„Heb ik iets dòms gezegd?”

„Wel nee.”

„Anders zou u niet lachen. Weet u wàt ’n mooi boek is, ’n pràchtig

boek, ’n boek waarbij je zit te huilen—da’s De Blanke Slavin.”

„Ken ik niet.”

„Ken u dàt niet? Waarom lach u nou weer? De Blanke Slavin kent toch

iedereen! Verzin u maar is. ’t Speelt in Afrika. Dan heb ik gelezen de

romans van Benno.”

„Wie is Benno?”

„Heb u die òòk niet gelezen? Benno schrijft als-ie niks te doen heeft.

Z’n zusters hebben ’n schiettent.”

„O,” zeg ik. ’t Is wel plezierig collega’s in een schiettent te

ontdekken. ’n Kluifje voor de Letteren-republiek van Janus ten Brink.

„Als ik lees vergeet ik alles.”

„Ik ook.”

„Ik hou van piquante boeken.”

„O, ja.” glimlach ik. ’k Vind haar èrg gezellig.

„Ken u Het Land van Zola?”

„Ja, zeker.”

„Dat heeft me eens ’n luitenant van de Cavalerie in Den Bosch geleend.

Das ’n bóék, hé?”

„Ja, ’t is wèl gemeen.”

„’k Heb ’t in ééns uitgelezen, achter elkaar tot ’s morgens vijf uur.”

„Lees u veel?”

„’k Heb zoo weinig tijd.... En wat lees ù nou?”

„Van alles.” Grappig literair gesprek.

„Noem is wat op.”

„Dat gaat niet zoo makkelijk. ’k Hou veel van verzen.”

„Verzen? Ajazzus.”

„Waarom ajazzus?”

„Da’s zoo sentimenteel!”

„Sentimenteel?”

„Ik ken ’n komiek, die is óok zoo gek. Die wil àltijd opzeggen. Nee, ’n

man die van verzen houdt, vind ik verschrikkelijk.”

„Heb-u wel eens móóie verzen gehoord, van Vondel bijvoorbeeld, van

Kloos, van.... Als je bijv. gòèd hoort zeggen: „O Agrippijn gemijtert

met drie kronen, die zittende als op”....

„Schei nou àsjeblief uit! Jàssus! Wat vin ik dat àkelig voor ’n man,

zoo dweepziek. ’n Man mot niet sentimenteel zijn.”

„O.”

„Maak u zelf óok van die weeë dingen?”

„Soms. Slecht. En héél dun.”

„Zie je, dat dàcht ik wel.”

„Waarom?”

„Nou—als u ’r niet kwaad om wordt—u ziet ’r zoo.... zoo.... hoe zal ik

’t zeggen?—zoo dwéépachtig uit.”

„Dat ben ik ook”, zeg ik lichtelijk-geïrriteerd.

„Nou maar da’s niks voor ’n màn,” meent ze, heel zeker.

„Zoo.”

„Nee niks. ’n Man mot ’n mán zijn.”

Ik hou m’n mond. Wat ze zegt klinkt komiek-bruut. Ik weet dat ik te

hárd gewerkt heb, wat overgevoelig ben door vermoeidheid. Maar bij háár

is het ’t ander uiterst, ’t alléénig leven in uiterlijkheid. Wij

zwijgen, loopen eenigszins ráár, raar met die ouwe levens die niets van

elkaar begrijpen. Ik zacht-denkend over haar grofheid. Zij vijandig

tegenover hetgeen dat zij niet vat, dat te ònwerkelijk is, te afwijkend

van de bloedlucht in ’n vleeschhouwerswinkel. Ik zou haar wel willen

loslaten. In ééns krijg ik ’t land. Net zoo lief liep ik met zatte

Duif.

„Ben u kwaad, omdat ik dat”.... begint zij weer.

„.... Welnee.”

„Da’s maar goed ook. Je mot elkaar de waarheid zeggen, nie-waar?”

Ze lacht. Door de bruine spikkeltjes der voile, zie ik het rond

gezicht, zacht, zorgeloos. Ze is sterk geparfumeerd. Ik voel me óúd.

„Waarom ben u zoo stil?”

„Ik wor moe. ’t Is zoo’n end.”

„Guus! Gu-uus!”

„Ja-a-a!”

„Motten we nog vèr?”

„We zijn ’r al!”, roept Guus.

’t Is ’n laag huis. Tusschen de ramen staat iets geschilderd. Dirk

fluistert met ’n portier die rondkijkt of er geen politie in de buurt

is. Dan gaan we binnen, door een nauwe gang in een langwerpig-lage

kamer. Walm en warmte. Bij de dichtluikte ramen komen we om een lange

tafel te zitten. Er zijn wat studenten, wat Duitschers; bij de piano

drie vrouwen. Eén rookt ’n sigaret. Voor de piano drentelt een

jongmensch, dandy-achtig in ’t grijs. Z’n gezicht is gefaneerd, met een

paar groote donkere melankolieke oogen.

Eerst zijn we allemaal stil. Guus heeft hooren zeggen dat ’t zoo’n

gemeene societeit is. We kijken rond. Duif begint natuurlijk ’t eerst,

voert het hoogste woord.

„Wat is dat hier voor ’n taaie lol!” zegt ze.—„Hou nou je smoel,” zegt

Guus: „Die grijze dáár draagt van die vreeselijk gemeene dingen

voor.”—„Hoe wéét je dat?” vraagt Dirk.—„Dat hebben ze me verteld.”—„Wie

„ze”?”—„Ze.”—„Ben je d’r soms meer geweest?”—„Ikke, nee.”—„Jij doet zoo

raar in den laatsten tijd.”—„Wàt doe ik raar?”—„Nou, dat weet ik

niet.”—„Hou dan je kop dicht!” snauwt Guus.

„Maken jullie alweer ruzie? Jessus wat benne jullie toch voor getrouwde

mense!” zegt Duif.

„Hij is ook zóó ’n verdomde pestkop! Je mot begrijpen, Duif, da’k

vannacht thúís most slapen,” vertelt Guus: „Je begrijpt voor me

broertjes en zussies staat ’t zoo belabberd als ik élken nacht weg ben.

Dat beviel meneer niet! Meneer heeft staan spionneeren vannacht voor

onze huisdeur van eenen tot vieren. Meneer vertrouwt me niet!”—„Maar je

mot begrijpen, Duif, dat”.... valt Dirk haar in de rede.

„Nou niet àllebei tegelijk, ’k Kan toch naar geen twéé luisteren!” zegt

Duif, gemoedelijk als een kantonrechter.

„Tot vier uur heeft-ie gewacht. Jij ben vannacht niet thuis geweest,

zegt-ie me vanmiddag met zóó’n smoel. Nou mot je weten, da’k al om

twaalf uur in me bed lag met maagpijn”....

„Wat wíl je dan, Dirk? Jessus, wat ben jij toch ’n ongemakkelijke!”

oordeelt Duif.

„Wat ik wil? Wat ik wil? Dat weet ik niet,” zegt hij dof, met brandende

oogen—, de goeie beste trouwe kerel.

Er komt stilte. Hij verschuift woest wrevelig z’n ijzeren bril.

Waarschijnlijk voelt iedereen dat er gelogen wordt. Karel maakt er een

grapje van.

„Hebben jullie gehoord, menschen, dat Guus om twáálf uur in d’r bed

heeft gelegen? Dat mot in de krant! Is er geen krantenman in de buurt?

Wat mot jij ziek zijn geweest Guus!”

„Maak nou geen geintjes,” zegt Guus vinnig: „als ik zeg dat ik naar bed

ben gegaan, dan is dat zoo. Ik lieg nooit.”

„Nee zij liegt nooit,” gromt Dirk.

„Wat zeg je?” vraagt ze verwoed.

„Dat je nooit liegt.”

„As je nog langer ouwehoert, ga ’k er vandoor!”, dreigt ze.

„Voor mijn part!”

„Kom nou Dirk,” zeg ik, meelijdend: „schei nou uit. ’t Is zoo

onpleizierig voor ons om jullie quaesties an te hooren.”

„Goed”—zegt-ie norsch; „maar dàt zeg ik jou, dat als je me.... als je

me ooit verneukt.... ik je je hersens insla.” In een driftigen ruk

drinkt-ie z’n glas leeg.

„Daar ben je láf genoeg voor,” sart Guus.

„Wat worde jullie tragisch,” roept Duif: „Dirk, nou ben je precies

Othello!”

„Othello met ’n bril!” lacht Karel.

Zes heete cognacgroccies worden besteld. Koffie voor Georgine. Ze zit

naast me. Haar voile heeft ze teruggeslagen. Voor ’t eerst zie ik

vandichtbij haar werkelijk gezicht, dat wonderlijk veel kinderlijke

trekken heeft.

„Weet je waar die kelner op lijkt?” zegt ze opeens. „Nee,”—zegt

Duif.—„Guus doet die kelner jou niet an iemand denken?”—„Ja.... an....

an.... ’n erg bekend gezicht.”—„Op die graaf, vin je niet?”—„Nou je ’t

zegt ja. Precies de graaf.”—„Wat ’s dat voor ’n graaf?”, vraag

ik.—„Ach, iemand die we graaf noemen.”—„Zie je ’m nog wel is,

Georgine?” vraagt Guus.—„Laatst is-die nog in Arnhem achter geweest.

Toen wou-die met alle geweld chèmpie geven.”—„Was-die weer

dronken?”—„Natuurlijk.”—„Hahaha!”—„Over wíé hebben jullie ’t

toch?”—„Over niemand.”—„Ja, je heb van die gekke lui,” vertelt

Georgine; „ik herinner me nog ’n ouwe baron, ’n baron met ’n kale kop

en grijze bakkebaardjes. Die werd verliefd op me, zeg! Dat had je

moeten bijwonen! ’t Was om je dood te lachen. Elken avond prachtige

corbeilles en bouquetten, zeg! Eens zat ’r ’n diamanten ring in, ’n

echte, hòòr. Van diamanten heb ik verstand. Dat begrijp je. Ik nam

natuurlijk alles an. ’t Is beter in de wijde wereld dan in ’n klein

gaatje! Toen ben ik op ’n middag thuis, wordt ’r gebeld, Juffrouw Bok,

roep ik: ik ben niet thuis. Maar ze had ’m al boven gelaten en daar

stond-ie-me voor me in ’n herrie, in ’n vuile herrie. ’k Was zoowat net

me bed uit. De waschkom stond nog op de tafel, en Kaatje liep in d’r

nachtponnetje rond. Aàngenààm, ààngenààm zegt-ie met zoo’n diepe

buiging. Aangenaam—zeg ik, met ’t friseerijzer in me handen. Juffrouw

Bok stond achter als gek te kijken. Mag ik u voorstellen: Juffrouw Bok,

zeg ik. Aàngenààm, ààngenààm, zei hij weer, is ’t gepermitteerd u een

visite te brengen? Meneer, zeg ik, ’t komt wel wat ongelegen. Mag ik

dan van avond terugkommen, zegt-ie. Goed, zeg ik, blij da’k ’m kwijt

was. Maar verbeel je, zeg daar wordt om negen uur gebeld, brengen ze

zes dozijn oesters en twáálf flesschen chémpie. Da’s verkeerd bezorgd,

zegt juffrouw Bok. Laten we ánnemen wat we krijgen zeg ik. Juffrouw Bok

en ik beginnen an de oesters—zùlleke groote Zeeuwsche!—, maar daar

wordt wèèr gebeld. Draai gauw ’t licht af, zeg ik. Toen had je ons

moeten zien—, de oesters op tafel, de lamp op zoo’n pit en wij an ’t

giegelen. Zes, zeven, acht maal ging de bel. Toen ree-die weer weg,

konden we verder eten.”

„Wat hè-je met al die chémpie gedaan?” vraagt Duif.

„Nou, die heeft z’n weg gevonden,” lacht Georgine.

Ik kijk Scherp an. Hij mij.

„Ha-je mijn maar ’n flessie gezonden!”

„Weet je nog wel van”...., begint Guus.

„Dames en heeren.”

Het jongmensch bij de piano staat op, zegt dat-ie ’n paar voordrachten

zal houden. Guus stoot Duif aan. Het wordt stil.

„Eerst het Lied van Tingeling, dames en heeren!”

De hoofden buigen naar den spreker. Sigaren walmen in nevel. Het geluid

snort, gerekt, drenzend woord voor woord. Na het eerste vieze, gore

couplet, couplet dat denken doet aan dronkemansbral in een bordeel,

kijken we elkaar verlegen aan. Scherp, Dirk, ik. Karel klapt in de

handen, lacht met lange hoholachen. Guus houdt ’t hoofd afgedraaid.

Duif verwriemelt haar neus in een kapotten zakdoek. Georgine durf ik

niet aankijken. Ik voel me afschuwelijk gegeneerd.

Bij de piano luistert de dikke, opgedirkte vrouw. De sigaret in de

ringenvingers is tot haar knie gezakt. Ze volgt de woorden van ’t

zingend jongmensch met een breeden lebberglimlach op de witte pafkonen.

De studenten glimlachen, rooken. Altijd met den wreed ingebeten trek om

zijn mond, zet ’t jonge mensch het tweede couplet in, sommige woorden

uitsnauwend, dan weer lachend met een pruimenmond. Harder, gemeener,

vuiler, drenst de liederlijkheid door de lage, warme kamer. ’t Is ’n

rotte nabootsing van den rotten Chat Noir, gewild-smerig, gezegd met

fluweelen tong, uitgespogen met den lust, alleen óm den lust van het

spuwen. Een varken dat in een mesthoop wroet is smakelijker beest dan

een man die avond aan avond voor z’n brood ploetert in erotische

dierlijkheden—bij applaus van ploerten.

„Hohoho! Hahaha!”

„Bravo! Bravo!”

De woede van dàt te hooren, sámen met de vrouwen—niet met dé

vrouwen—met dé vrouw die naast me zit, wie de vuilheid, òmdat zij vrouw

is, bitsender in ’t gelaat, de oogen, den mond hagelen moet—, maakt me

strak, strak van gevoel om oogen en neus.

„Aannemen!” roep ik scherp.

De kelner die zooveel-op-den-graaf lijkt wenkt dat ie niet komt midden

in een voordracht.

„Aannemen,” herhaal ik nijdig.

De zanger kijkt me vernietigend aan. Die voelt zich óók artist. De

Duitschers kijken om, de studenten, de vrouwen bij de piano.

„Maak geen kwestie waar de vrouwen bij zijn,” zegt Scherp zacht, die

nèt zoo de goorheid, ’t vernederende van het luisteren naar dit

bordeellied voelt.

Ik zie Duif giegelen—sluw-zachtjes, met ’n even opglinsteren der kleine

oogen. Dirk zit met ’n doggengezicht. ’t Derde couplet is begonnen,

zwijnt er op los als de andere.

„.... Zouen.... we nou maar niet weggaan?”—Georgine zegt ’t. Méént ze

’t? Ik weet ’t niet. Ik voel het niet. Het doorflitst me dat ze ’t niet

zou gezegd hebben als ze met Guus en Duif alleen was geweest, dat ze

wel zou willen lachen, onbedaarlijk lachen, als ze maar dúrfde, dúrfde

voor ons, ons mannen, die stug kijken. En plots—méér geschiedt mij zulk

een scherp wàkkerworden—terwijl de man zijn bordeellied eindigt, heb ik

den nààkten kijk op het kringetje, op Duif, Guus, Karel, Dirk, Scherp,

Georgine, mezelven. Zóó is het. We zijn een triestig verloopen zoodje

bij elkaar. Die man heeft het récht ons te bevuilen, ons zijn drek in

’t gezicht te smijten. Als je met een vrouw samen zoo’n ding heb

aangehoord, is die vrouw érger dan je bijzit geweest, heeft er

bestialiteit plaats gehad. Dat is geen verbeelding, geen verhitte

gedachte. Je voelt het aan de laffe, bevende schuwheid waarmee je

opkijkt, aan de gesprek-loomheid als het laatste pianogepiengel

opgehouden heeft. Wèl zitten we hier triestig en bevuild. O, als m’n

eenvoudige moeder thuis, wier leven ingeschroefd ligt tusschen

opstandige dienstboden en slagers die niet precies op de wicht zijn,

als m’n eenvoudige moeder me hier zag zitten, ’s nachts half drie in

gezelschap van bijkants vreemden, vrouwen en mannen, bij heete

groccies, onder de zeer droeve beschaming van zulk een macraudlied....

Zònderlinge sentimentaliteit. Ik die wèìnig aan moeder denk. Ik die

niet hou van zoetlijke braafheid.

„Aannemen!” roep ik vinniger. Nu komt de kelner.

„Wat krijg je?” vraag ik ingehouden-woedend.—„Gaan we àl weg?” zegt

Duif.—„Wou jij die smeerlapperij nog langer aanhooren?”—„Nou, nètjes is

’t niet. Daar mot je hier ook niet voor kommen.”—„Zoo’n vent verdient

’n pak rammel,” zegt Dirk kwaadaardig: „zoo’n ploert. Als ik me voor

Guus niet inhield.”—„Eigenlijk is Guus de schuld van alles.... Die

heeft ons hierheen gehaald.”—„Ja geef mijn nou maar de schuld. Alsof ik

wist wat die zingen zou,” zegt Guus edelverontwaardigd.

„Dames en Heeren, ik zal vervolgen met de Lellen....”

Geraasmakend staan we op, gaan heen. Buiten wachten een paar aapjes. De

koetsiers zitten geschurkt in de portiers. Het motregent.—„Gaan we naar

huis?”—„Nee, nog niet naar huis! ’t Is nog zoo vróég!”—„Laten we nog ’n

afzakkertje nemen.”—„Waar? D’r is niks meer open.”—„Jawel. De

Mijtelaar. Da’s vlak bij.”—„Wil u niet liever naar huis?”, vraag

ik.—„Nee,” zegt ze—„nou we tòch eenmaal uit zijn.” En weer loopen we

gearmd, zwijgend, verlegen.

„Walgelijk was dat. ’t Spijt me dat u er bij was”—, zeg ik.

„Ja ’t was verschrikkelijk.”

Ik houd haar parapluie vast. Dicht loopen we bij elkaar.

„Heb u ’r iets tegen dat we jij en jou-en?”

„Welnee. Zeg maar gerust Georgine.”

„Ik heet Alfred.”

„Ja—wat ’n smeerlap van ’n vent, hè?”

„Bah! Laten we ’r niet meer over spreken—Zeg eens.... Georgine, reis je

véél?”

„’t Is nou juist de tijd in den zomer. Waarom dat zoo?”

„Kommen ’r.... Kommen ’r dikkels van die lui achter.... in jullie

kleekamers”....

„In de kleekamers? Hoe kom je dáárop!”

„.... Ik bedoel.... Je sprak van ’n grááf die in Arnhem”....

„O díé. Die heeft m’n vriendin en mij op chèmpie getracteerd na

afloop.”

„Wie is je vriendin?”

„Lisy. Die dresseert duiven en kippen. ’t Is ’n Duitsche.”

„Làten jullie je zoo maar tracteeren?”

„Daar doe je je directeur ’n plezier mee.”

„Dat wist ik niet.”

„Je begrijpt díé hebben ’r persenten van.”

„Wat vin ik dat beroerd!”

„Watte? Wat?”

„Dat je je laat tráctèèren!”

„Je ben gek, zeg. Je doet ’t voor je bróódje. Voor je brood doe je

èrger ook.”

„Erger? Erger?”

„Ja, érger. Denk je dat de vrouwen die in de Warmoesstraat zingen van

d’r gage leven?”

„Nee dát weet ik wel. Daar weet ik álles van. Alles.—Heb jij wel eens

in de Warmoesstraat gezongen, bij Köhler of zoo?”

„Nee. Goddank niet. Maar àls ik niet te eten had of mijn kinderen niet

te eten hadden..... Dan dee ik àlles”....

„Dat dee je niet!”

„Dat dee ik wel. Jongen, ’t is zoo hard als je kind van honger huilt.”

„Is.... dat ooit voorgekomen?”

„Eens. O, wat een tijd was dat. Voor Kaatje leende ik ’n boterham van

juffrouw Bok, die ’t zelf niet breed had. D’r man is korist. Ik zelf at

een ouwbakken, verdroogde korst kaas. Die dag vergeet ik nóóit.”

„Was tòèn maar die baron met zijn oesters en champagne gekomen,” zeg ik

wreed-dom.

„Is dat aardig?”, verwijt ze.

„’k Wil héélemaal niet aardig wezen,” hou ik stupiede aan: „’k hoor je

liever vertellen van honger en armoede, dan van.... Maar je màn dan?”

„Die, die,” zegt ze ruw: „die had geen werk. Later, uit Amerika,

zònd-ie wel is wat, soms geregeld, soms ongeregeld. Nooit veel. Niet

genoeg om van rond te komen met twee kinderen. Anders had ik al làng

niet meer gezongen.”

„En je zei straks”....

„Ach jij! Wat ben jij alle-jezis zwaar op de hand. Je lijkt wel een

ouwe man in je praten!”

„Vin jij ’t dan préttiger om met ploerten en leegkoppen te babbelen?”

„Als ze maar lòllig zijn. Je mot geen blikke dominee willen zijn.”

„Daar heb ’k weinig aanleg voor. Ik vin ’t alleen maar beróérd dat

je.... dat je.... Hóú je van je man?”

„Van me man?” zegt ze scherp: „Nee, nìks. Niet zóóveel! Voor mijn part

zie ’k ’m nooit terug.”

„En je gaat naar Amerika?”

„Ik bén ’r nog niet,” praat ze luchtig.

„Was-ie niet goed voor je?”

„Jawel. Jawel.”

Ik houd m’n mond. Vreemd, ’n uur geleden, haatte ik haar, haatte ik

haar met al de heftigheid van opstijgend bloed, vond ik ’r ’n ruwe,

plompe vrouw. Nu verplaats ik mijn melankolie óm haar, zet haar in een

centrum van triestigheid, waaraan ze misschien zelf vreemd is.

Zwijgend loopen we. Haar arm leunt zwaar op den mijne.

„Wat ’n nàtte boel, hè?” zegt ze verdrietig.

„Ja, nààr weer.”

„’k Heb nog wel me lage schoentjes an.”

„Je heb toch geen natte voeten?”

„Nou zoo’n beetje.”

„We zullen wat anstappen.”

Het Sarphatipark ligt norsch, schaduwzwart. Lichtplassen krimpen over

de keien.

„Weet je wat toch wel gelukkig moet zijn?”—, zegt ze, na een poos.

„Nou?”

„Als je goed en wel in je kist legt.”

„Hè, wat ’n inval!”

„Soms heb ik ’n walg van ’t leven.”

„Kom, onzin.”

Maar nu is het er, is het leugenpantser éven gebroken, wiegt een zachte

sympathie, de éérste, tusschen onze levens.

Kamertjeszonde · 第 18 / 77 题