„Hoe laat heb je ’t?”, vraag ik ongeduldig.—„Vijf minuten voor half
elf”, zegt Karel.—„Ik, zeven.”—„Je hoeft niet naar de klok te kijken.
Zè komt zèker.”—„Nou, ’t heeft ’r veel van of ze ons voor de gek
houdt.”—„Wacht nou maar.”—„Wàt heeft ze je gezegd?”—„Gelóóf je me niet?
Ze zei—zeg an Spier, an meneer Spier natuurlijk, da’k om half elf in de
Slok kom en of-die me ’t genoegen wil doen d’r ook te kommen.—Hoeveel
keer mot je ’t nou nóg hooren?”—„Waar heb-ie ’r gezien?”—„Ze liep in de
Kalverstraat met nóg ’n dame. Je heb de groeten van me vriend van Prot
zei ik, om ’n praatje te maken.”—„Hèb ik jou wat opgedragen?”—„O, was
’t soms niet goed. Ik dacht nog wel héél goed te doen. Toen zei zij:
wat is dat voor iemand? Toen heb ik je natuurlijk zwàrt gemaakt. Toen
zei zij dat ze je zoo’n nette jongen vond en dat ze wel eens verder wou
kennis maken. Kom dan van avond in de Slok zei ik. Goed zei ze, om half
elf. Als je me bedondert zeg ik, ben ik eeuwig kwaad op je.”—„Nou, ’t
is half elf.”—„’t Is d’r nog víér minuten voor. Wat ben jij ongeduldig.
Kommen de vrouwen niet altijd te laat?”—„Ik hou niet van wachten. Je
moest voortaan zulke afspraakjes niet meer maken,” zeg ik uit m’n
humeur.—„Da’s me dank! Heb je niet gezegd dat je d’r ’n móóie vrouw
vond?”—„Wat zegt dat? Je hoeft m’n woorden niet als goud te
wegen!”—„Wor je nou nijdig, omdat zij ’r nog niet is?”—„Nee, nee, nee!
Maar ik doe niet graag móéite voor ’n vrouw. Als ze je voor niks laten
komen, krijg je ’t gevoel van ’n Hoogereburgerschool-jongen, die an ’t
scharrelen is en door ’t dienstmeissie uitgelachen wordt.”—„Jij ben in
alles pedant.”—„.... Wacht is!.... Is ze daar niet?”—„Waar?”—„Links van
de leestafel. Met dien gelen hoed?”—„Nee. Zoo dik is ze niet.”—„Laten
we dan maar weggaan.”—„Nog vijf minuten.”—„Nee. Wachten is ’t beroerdst
dat ik ken.”—„’k Kan wel zien dat jij weinig afspraakjes maakt.”—„Wel
mogelijk. ’k Begin er te oud voor te worden.”—„Dàt maakt je
melankoliek.”—„Beste jongen, wor ’r nou niet kwaad om, maar van mijn
melankolie snap jij geen bliksem.”—„Ik snap ’r zooveel van,” zegt
Karel, geprikkeld: „dat als jij ’n vrouw had, je minder an allerlei
ònzin zou denken!”—Ik antwoord niet. Wat gaan mij z’n platte
beschouwingen an! Zenuwachtig kijk ik naar de klok, naar de deur,
trommel met de vingers op tafel.—„En of je je nou maar zoo houdt,” zegt
hij weer: „jij wil wàt graag verder kennis maken. Jij bent net zoo
ijdel als èlk ander man. O zoo.”—„’k Geloof niet da’k díé soort
ijdelheid heb.”—„Waarom had je ’r dan zooveel pleizier in, toen ’k je
zei dat ze je ’n nètte jongen vond?”—„D’r ligt me niet dát an gelegen.
Voor mijn part vindt ze me ’n patser.”—„Jij wil altijd anders!”—„Ga je
mee?”—„Aannemen!”—Uit ons humeur gaan we de Slok uit. Hij, omdat ie ’n
mal figuur slaat met z’n afspraakje—, ik, om den gebroken avond en óm,
en óm, en óm ijdelheidsredenen. Dat voel ik wel. Als ik er buiten denk
te staan, líég ik.—„Ga je mee naar Mast?”—„Nee. Strákjes. ’k Heb om
half twaalf ’n afspraak met Scherp, die me wat voor moet lezen.”—„En
àls Georgine gekomen was?”—„Dan had ik hèm laten wachten.”—„Kom je
zèker bij Mast?”—„Ik denk ’t wel.”—„Nou, tot straks dan.”—„Adi.”
In ’t hoekje achter de deur van de Bar zit Scherpenzaal.—„Nou al groc?”
vraag ik verwonderd.—„’t Is m’n twééde. ’k Drink ’r nog véél meer. ’k
Hè-weer zoo’n goddelijke ruzie gehad! Jij ook groc?”—„Nee! Laat die
zwijnderij maar stààn! Je mot niet drinken. Da’s de grootste pest.
Johan, breng maar twee kleintjes.”—„Ik wil geen koffie!”—„Nou en ik wil
niet dat je gròc blijft hijschen!”—„Nou, dan niks.”—Maar als de koffie
en de geslagen room voor hem staan, verandert-ie van gedachte.—„Kom je
van huis?”—„Nee, van de Slok.”—„Wat ben je dáár wezen
doen?”—„Afspraakjes met ’n vrouw wezen mìssen.”—„Met ’n vrouw?”—„Vin je
dat zoo wonderlijk?”—„’k Vin jou te ernstig voor geschàrrel.”—„Ik wou
d’r oogen nog wel eens zien. Ze heeft oogen, die je doen denken aan ’n
kind.”—„Waarom trouw je niet, Alfred? Je verdient genoeg. Je kon je
thuis zoo gezellig maken.”—„Ik merk wel dat ik óúd wor. De menschen
beginnen me állemaal goeien raad te geven. Karel straks. Nou jij.
Morgen weer ’n brief van mama!”—„Nee, maar zònder gekheid!”—„O, zònder
gekheid! O, zónder gekheid! Jij ben jonger dan ik en al hóú je er niet
van—, toch ben je den heelen dag in een burgerlijke omgeving met
bezopen begrippen. Bij joden is de traditie héél sterk, niet?”—„Ik weet
niet waar je heen wil.”—„Wat jullie en de heele beschaafde
fatsoenlijke, gezeten—wat is ’r nog meer! Weet je nog méér!—,
ordelievende—tralala-wereld, huwelijk noemt, noem ik leugen. Dat is
geen erg níéuwe ontdekking, wat? En nou breek ik liever mijn nek dan
dat ik trouw!”—„Je moet geen eed doen over zulke dingen. Niemand weet
wat hij mòrgen wil,” zei Scherp, wijs als een wijze Griek.—„Onzin! Een
móói beginsel is voor je heele leven”—, meende ik zéér beginselvast. In
een koffiehuis ben je dooreengenomen walgelijk sterk van principes. Ik
geloof zelfs zeer pertinent dat vele dezer mèt de koffiehuizen staan of
vallen.—
„Waarom ben je zoo woest tègen het huwelijk?”, vroeg hij weer,
koffieslurpend. We zaten als twee knuffe leutjes—, zoo heelemaal
geschikt om te koffiekonkelen. „Ik ben niet tegen het huwelijk. Ik ben
tegen jùllie huwelijk, tegen het maatschappelijk contract zooals
bourgeois-heeren dat ingepikt hebben”, zei ik.—„Wat wou je dan?”—„Wat
ik wil weet ik zoo net niet,” zei ik vrij verstandig: „Voor ànderen zou
ik ’t nu niet onder woorden kunnen brengen. Voor mezelf heb ik ’t wél
overdacht, wéét ik wat ik doen moet.” De koffie in de Bar is
uitmuntend.—„Dat lijkt me bij eerste hooren vreemd,” opponeerde hij:
„àls het goed is voor jezelf, waarom deugt het dan niet voor
anderen?”—„Omdat ik de anderen zóó weinig ken en ze zóó in leugens
opgegroeid zijn, dat de méést-natuurlijke dingen niet meer voor ze
passen”, zei ik: „daarenboven, beste jongen, leven we in een tijd van
allemaal lòsstaande menschen. Er is in alles anarchie. Je kunt niets
van het leven opnoemen of je voelt en ziet er in den burgelijken
ondergang, ’t gedoe van individuën alléén. Ik kan in die benauwenis dus
wel wéér iets ánders anarchistisch ’s doen, om mézélf tijdelijk te
helpen èn een „revolutionnaire” daad begaan door me schrap te zetten
tegen een immoreel contract, dat vastzit aan leugen en zoo als àlles
aan bezit, maar voor anderen kan ik op dit moment nìèts dan wat ik noem
„burgerlijke” raadgevingen over hebben. Dat begrijp je niet, wel? Ik
bedoel dat het harmonieuze, eerlijke huwelijk, het huwelijk in
onwrikbaar verband mèt een eerlijke maatschappij èn een eerlijke
zedeleer eerst mogelijk zijn zal in een tijd als ze van ònze botjes al
làng onderbroeksknoopen gemaakt zullen hebben. Vraag je me den besten
raad vóór ànderen, dan zou ik zoo zeggen: handel in je huwelijkszaken
als anarchist, sluit je voor het òverige aan bij díé socialisten die de
beste taktiek volgen. Want die en die alléén gaan af op de kern van àl
het rotte. Het feministen-vereeniginkje spelen en de rest is
smurrie”....
Ik dronk mijn kopje leeg. Het spreekt vanzelf dat ik bovenstaande
tirade nìèt sprak (ik spreek nooit zoo schrikkelijk aan-een-stuk wijs),
nòch het volgende zóó zeide. Het verveelt me zelfs eenigszins dit
onsmakelijk tendenz-gesprek in te lasschen. Maar mijne herinneringen
zouden onvolledig en het relaas mijner historie onsamenhangend zijn,
wilde ik een zoo fameus gesprek à la Van Lennep, Potgieter of een dier
andere discours-lurkers, coupeeren. En ’t hoort er zoo bij, niet waar,
om bij tijden—in een Dagboek—jezelf voor te stellen als een meneer die
’t bliksems goed weet en vóórál wijze dingen denkt. Dan hèrlees je je
eigen ik met genoegen, als je later ’t manuscript opneemt, vind je
jezelf een held, een làng-niet-missen philosoof. Ik ga dus voort in
dien sympathieken toon van kleintjes-koffie-drinkende-jongelieden, die
niets anders dan schóóne gezegden formuleeren en zóó ik strakjes
sentimenteel word, is dat voorzeker (voor driekwart) aan eene
ziekelijke fantasie te wijten, die uit een onnoozel koffiehuis-ikje—al
schrijvend en literatuur fabriekend—een romanheld met louter gevoels-
en denkpoenighedens distelleert. Ik ben lànge na zoo niet. Nee,
waarachtig niet.
Scherp had me natuurlijk nadenkend aangekeken, zei na een poos:
„Duidelijk vind ik je niet. Hóé denk jij over het huwelijk?”—„Ik
denk”—vervolgde ik: „dat, zooals de zaken nù staan, zooals de boel nu
is, dat wil zeggen, precies ’t omgekeerde van zoo als ’t in álles
behóórde te zijn, ik, als overtuigd socialist, geheel ànarchistisch te
werk móét gaan, om niet mee te doen aan het liegen, het bedrog der
burgerlijke anarchisten, die het tegenwoordig huwelijk bèst vinden.
Niemand op deze maatschappelijke mestvaalt heeft het recht mijn
huwelijk te sluiten. Wanneer ik zeg: ik neem jou, Marie, Anna of Trees
tot vrouw, eenvoudig, eerlijk—, dan heeft er iets heiligs plaats
waarvoor geen pa’s, ma’s, oomes, tantes, géén rotte vormen, géén rot
ceremonieel, géén bruiloft, géén onwaarheden noodig zijn.”—„Dus ben jij
voor de vrije liefde?”—„Loopt naar de hel met je vrije liefde. Ik weet
niet wàt vrije liefde is. Van vrije liefde—nee maar, godbeterme, kun
jij je iets anders dan vrije liefde denken!—, van wat jè vrijgeesten,
jè verlichten, jè zoodje anstellers vrije liefde noemen, heb ik nooit
anders dan gore staaltjes èn damesboeken-malligheden gezien. Dank je!
Ik ken geen vrije, geen ònvrije liefde.”—„Zeg ’t dan duidelijker. Wat
is ’r dan? Wat dan?”—„D’r is..... D’r is.... ’t Is wat moeilijk om hier
in de Bar achter ’n kleintje koffie, over dingen te kletsen die je voor
jezelf in ’n geheimzinnigheid, in een mysterie, als iets érg
sentimenteel-onbereikbaars voelt. Kijk, ik zal is aannemen dat ik
verliefd ben, verliefd op een vrouw zooals ik me die droom. (Hier begon
ik eenigszins te delireeren)—dat wor ik wel nooit, omdat ’r niet van
zulke vrouwen zijn, omdat je je altijd een vrouw fantaseert,
fantaseert, fántáséért zóó ragfijn van leven, zoo één met het teerste
doen van je eigen gevoel, dat de werkelijkheid je fantasie bevuilen
móét, als een zwanenveer die door modder geblazen wordt—maar, ik zal ’t
is aànnèmen en ook ’t geval stellen dat zoo’n vrouw—leelijk mag ze niet
zijn, nee, leelijk zou niet kùnnen—minder let op mijn ouwelijk bakkes,
m’n rooie haren, m’n rooie snor—merk je de consequentie van m’n
redeneering?—dan op het frissche dat er misschien in mijn leven is,
dús, óók verliefd op mij wordt—, dan zou ik tot haar zeggen: „Marie, of
Betsy of hoe hiet je—, wil je mijn vrouw worden?” Dan zou ze
natuurlijk, nee, dat zou ze nìèt—als ze dàt dee, zou ’t ook in ééns uit
zijn; d’r is geen tusschenweg—, zou ze niet spreken van d’r vader, d’r
moeder, of denken aan vriendinnen en po... po.... positie, maar ze zou
haar hand in mijn poot leggen, zonder meer, met eerlijk, prachtig
vertrouwend kijken en we zouen arm in arm, zonder praten, zonder iets
te zeggen naar mijn huis gaan. Wonderlijk van aandoening moet ’t zijn,
wat?, als de sleutel in de kou van ’t slot rinkt, als de huisdeur
dichtvalt.... Dan zou ik alle gordijnen neerlaten, licht opsteken vóór,
licht áchter, licht in de gang, licht in de keuken. ’k Zou hoopjes
kaarsen zetten om de spiegels, het licht weerkaatst zien in ’t glas. ’k
Zou al de bloempotjes uit den tuin halen, hyacinten, klimop, de twee
potten rozen, al ’t ever-green—er weer kaarsen tusschen zetten—overal
groen, rustige vlammetjes, gróén, en we zouen zitten bij elkaar, stil,
gelukkig met de groote, geweldige aandoening in onze kelen. Dan zou ik
opstaan, wat zeggen, ik weet niet wat, iets dat in tranen verstikt,
geen klanken meer zou hebben. ’k Zou mijn handen leggen op haar hoofd,
zacht betasten de haren.—’k Zie ’t zóó voor me—en wat zeggen....
wàt..., wàt”....—Scherp zat stil, ik keek naar den grond. Toen nam ik
’n sentimenteel slokje koffie, moe van die literatoren-huwelijks-visie.
„’t Is toch wel màl, Scherp, dat ik, hier, in ’n kroeg van zulke dingen
spreek,” hernam ik na een poos.—„Wat doet ’t ’r toe,” zei hij; „Ik zie
niks van die àndere menschen. Zeg, dat zijn wel mooie gedachten. Maar
’t gebeurt nooit. Wat?”—We zaten als twee redeneerende, jeugdige
Werthertjes. „Nee, ’t gebeurt nooit,” zeide ik: „D’r zijn geen
krankzinnige nette-meissies, d’r vergóóit zich geen vrouw—ze willen
engazement, nou maar zoo líéf, met engazementkaaretjes verguld op snee
èn samen op ’n kanapee met de gelukkige pa’s, ma’s, opoes ’r bij èn
staande recepties met sherry, madera, schuimpjes, bitterkoekjes én mag
ik u-feliciteerens? en van-harte-dit, hartelijk-dat, èn samen wandelen,
dodderig-gelukkig, zoo gelukkig, nee maar zoo verliefd, zulleke
verliefde mense, soo’n huwelijk-uit-liefde, met hoogen hoed en
glacee-handschoenen en voiletje en opgenomen sleep en dàn vijf, zes
maanden, een jaar, twéé jaar vrijen, stiekem in ’n donkere kamer, in ’n
hoek van ’n gang—likken, lebberen, voelen, vingeren tot ’t meisje
vermagert en de jongen pijn in zijn rug krijgt—en als ’r ànderen bij
zijn, zoo fatsoenlijk, zoo netjes, zoo opgevoed, zoo welopgevoed—en dan
trouwen, rijjen naar ’t stadhuis, daar liegen van
gehoorzaamheid—volgen—onderhouen—, voor ’n vreemden stadhuiskerel, voor
’n wildvreemden officieelen idioot, fooien, bruiloftsherrie, den heelen
dag bekeken worden door glimlachende getrouwde familieleden, die
stilletjes zwijnigheden fluisteren, door publiek dat in de rijtuigen
loert of ’t ’n knappe, lèkkere meid is, den heelen goddelijken dag
geklets van zatte ooms aan de natafel, geestigheden van ’n verren neef
die te veel gezopen heeft, pistaches-geknap, amandelen-gekraak,
liefhebberijkomedie met snoepige toepasselijkheden van broers en
zusters die zich verkleejen, voordracht van ’n komieken vriend en dan
stilletjes wegsluipen, nagekeken door glimlachende, glimlachende
familie, geblèr-accompagnement van schoonmama, naar ’n hotel, waar de
kelners je vrouw beloeren—en zoo de móóiste oogenblikken van je leven
verdoen in gemeene, burgerlijke patserij! Bah! Bah! Bah! Verbeel je: ik
op zoo’n kanapee als ’n kelner—, ik op ’t stadhuis, zoo’n vent antwoord
geven, ik condities-sjaggerend op zóó’n dag, ik, aangekleed bourgeois,
in m’n uren van koninklijke extase, ik een handteekening zetten met
zwarte inkt op wit papier als ik gezegd heb, gezegd met zwart van oogen
in zwart van oogen: ik neem je tot vrouw! Nee. Dat gaat niet in dézen
tijd. Dat verdom ik! ’t Is om te bulken van ’t lachen!”—„Het is wél
waar wat je zegt,” zei Scherp droomerig: „ik herinner me de bruiloft
van m’n zuster. ’r Zou kerkelijk ingezegend worden. Dat had ’k nog
nooit bijgewoond. ’t Gebeurde bij ons aan huis, in de eetkamer. In de
kerk hoeft ’t niet. M’n zwager smeet ’n glas stuk op ma d’r goeie
tapijt en ze dronken kauschere wijn. Toen zongen de rabijn en de
voorzanger ’n mopje met d’r gezicht naar het buffet dat in een hoek
stond. Ik zag niks dan d’r fluweelen kalotjes, die wiebelden voor de
schalen met roomsoezen en de wijnflesschen. Ik was toen véél jonger,
begon te gieren van ’t lachen. ’n Oom kneep me vinnig in m’n arm, keek
me woest aan, viel mee in, in ’t gebed. Dat heb ik altijd onthouden.
Later heb ik de symbolen begrepen, wel mooi gevonden, maar zulke
symbolen worden zoo gauw verkruijenierd. ’n Joodsch galmgebed voor ’n
buffet, da’s iets als een mis in een spoelingbak.” We bleven even in
gesoes. „Toch, geloof ik, Alfred, dat je héél zuiver zou kunnen doen,
wat je zegt en voor den-vorm naar het stadhuis gaan. D’r zijn eenmaal
straatwegen, reglementen, politiebeambten, lui die ’t vuil an je deur
weghalen—waarom zou je geen formulier teekenen? Wordt je vrouw niet de
dupe van alles?”—„Als een vrouw een mán naast zich heeft, is ze sterk,”
koffiehuis-redeneerde ik; „Er zullen géén dupes meer zijn, als de
stadhuis-eerbaarheid wèggetrapt wordt. Het meisje dat in vertrouwen
mijn vrouw wordt staat duizendmaal hooger dan die andere, de
fatsoenlijke-van-de-kanapee.”—„Anderen denken zoo niet.”—„Dat is stom
genoeg van die ànderen. De komende tijd zal meelijdende verbazing over
hebben voor dit stumperig ras, voor die verrekt-eerzame bourgeois die
een maatregel van orde, een onnoozel politiereglement, een peuterig
bevolkingsregister dat op centjes en weerbaarheid baseert, verheven
hebben tot jè allerhoogste. Zet wat geraamtes naast elkander, geraamtes
van gehuwden en òngehuwden! Hahaha! Doet ’t jòù wat of twee skeletten
op ’t stadhuis zijn geweest! Daar haal je je schouders bij op. Maar
neem ’r twee, waarvan je wéét dat ze innig van elkaar gehouen hebben en
deden wat zij meenden dat góéd was zonder zich te bekommeren om een
stomme bourgeois-kliek—nou, krijg je daarbij geen heimwee, geen lust om
te zingen? Wordt ’t niet tijd om hardop te zeggen dat er maar één
huwelijk is, niet het officieele, niet het kerkelijke, niet het
maatschappelijke, maar dát wat door eerlijke menschen in stille
kamertjes gesloten wordt? Moeten wij nog langer dulden dat
waarlijk-getrouwden nagekeken worden door gekoppeld-rot? Ik weet wel
dat jij dit overdreven vindt. Maar ik voel ’t sterker, hartstochtlijker
dan jij. Het is voor mij een simple waarheid, dat het leven voor ons
mannen eerst in z’n volrijpheid begint bij de vróúw. Ik ben daarin zóó
tot zekerheid gekomen, dat ik niet makkelijk àlle argumenten in ééns
kan zeggen. Dat gaat zoo altijd. Heb je wel opgelet hoe
afgunstig—afgunstig is het woord niet—hoe afgunstig-kwaadaardig ’n
gezeten koopmansvrouw ’n meid, ’n mintenee, ’n scharrel nakijkt, die
met ’n man an de rol is?”—„Natuurlijk.”—„Met wat ’n minachting ze
praten over die „schepsels,” hoe bang ze zijn—als van ’n schurftig
beest—voor ’n hoer?”—„Natuurlijk.”—„Vin je ze niet verdoemelijk
stuitend, die tràpjes van eerbaarheid! Is er bij ’t tegenwoordig
contract éénig verschil tusschen vrouw-zus, vrouw-zoo?—„Da’s weer ’n
paradox!”—„Nee, niks geen paradox. Alles wòrdt gekocht of koopt. Je
kunt de dingen in een rotte maatschappij niet uit d’r verband
scheuren.”—„Nou, nou, nou! Denk eens aan je moeder, je
zusters.”—„Jawel. Dat is me weer zoo’n dooddoener van ’t jaar nul. Als
ik wat de ploerten noemen: een onecht kind zou zijn, met vader of
vaders onbekend, zou ik m’n moeder geen greintje minder respecteeren en
van m’n zusters zou ik gewoon als „broer” blijven houen als ze, om niet
van hònger te krepeeren voor hoer zaten.”—„Onzin! Nou sla je door. Nou
klèts je!”—„Nee jij kletst! Geen vrouw is voor haar plezier hoer. Ze is
ziek of ze doet ’t om te eten. Niewaar?”—„Of te lui, of te
hysterisch!”—„’t Eerste is ’n burgermans-kletspraatje....”—„Dank
je.”—„Hysterie is ziekte. Zieke menschen moet je niet minachten, als
maatschappelijk toeval je zelf gezond bloed heeft gegeven. Blijft dus
over de noodzakelijkheid om te eten, laten we zeggen te vreten. Is dat
schánde? Wat is schandelijker: met een volle maag bij een hongerige
hoer te komen, of je prostitueeren uit honger?”—„’t Is allebei
gemeen.”—„Dat kan je híér gemakkelijk zeggen, kalfskop, hier in ’n
aangename kroeg. Nee, papa, alles slaat terug op deze dierbare
bourgeoisie die gebouwtjes van eer èn schande heeft opgetrokken. Ik
vind het verkoopen van je lichaam, zie je, het verkóópen, zoo iets
afschuwelijks, dat ik het grootst medelijden heb met hoeren en het
noodlot van haar beetje arm leven. Maar als man heb ik hetzelfde
„respect” voor ze, dat ik heb voor àlle mercantiele vrouwen, voor
vrouwen met uitzet, voor vrouwen die geld aanbrengen, voor vrouwen die
verliefd raken op epauletten, voor vrouwen die hengelen naar een
titel—je weet wel, het huwbare zoodje! Wat is er voor onderscheid? Wat?
Is ontwikkeling niet aan geld gebonden, maatschappelijk toeval,
maatschappelijk onrecht, maatschaplijke diefstal? Wordt de dochter van
’n erg-hoogen, erg-rijken „meneer” verleid door ’n koloniaal, die over
zes weken moet uitvaren? Trouwt ’n kolonel (da’s me ’n hooge!) met ’n
keukenmeid die niet schrijven kan? Zit het heele huwelijk, de heele
eerbaarheid van vandaag niet vast aan de stinkende sociale toestanden,
aan”....—„Hahaha! Hahaha!”—„Waarom làch je nou?”—„Wel jij redeneert zoo
grappig! Van je ideaal-huwelijk, je kaarsen en je bloempotten, ben je
verzeild geraakt in je eeuwig socialisme. Wil je een groccie? Aannemen!
Twee groccies!”—.... „Of je ’r nou om lacht, stom groen,
bourgeois-foetus, stommeling!”...., zei ik heftiger. (O, als je in ’n
koffiehuis begint te redeneeren, komt ’r geen eind an) „of je ’r om
lacht de redeneering is juist. En als ’k zoo lang gekletst heb is ’t om
jòù te overtuigen. Anders niet. Wat ik bewijzen wou, héb ik bewezen: er
is géén huwelijk meer—er is een normale, geziene, erkende, eerbare
koppeling, per contract op ’t stadhuis—verder zijn er egoïste, stompe,
bruute, dierlijke mannen, zieke vrouwen én vrouwen die haar jong
lichaam moeten exploiteeren tot de maag die ze dwòng, ze in de
snijkamer brengt. Er zijn uitzonderingen, waarschijnlijk, maar ik ken
er geen. In onzen „stand” heb ik nooit ànders gezien, nooit, nooit,
nooit! Jouw zuster heeft zeker ook ’n bruidschat meegekregen?”—„Mijn
zuster? Da’s olie in jouw vuur. Die is geschadjent hahaha!”—„Wat is
dat?”—„Wel, alles ging schriftelijk. Ze had m’n zwager nog nooit
gezien. De oudelui bepaalden de condities, de koopsommen. Toen zagen ze
elkaar, waren twee uur later geëngageerd, drie dagen later verliefd,
twee maanden later getrouwd.”—„Nou zijn ze zeker érg gelukkig?”—„Jawel.
Werkelijk gelukkig.”—„Natuurlijk. Dat lapt ’m de ongewoonte. Een
wildvreemde duif en doffer paren ook opperbest.”—„Gek! Als ’n ander me
zoo iets zou zeggen, zou ik kwaad worden.”—„Ook uit gewoonte. We hebben
werkelijk moeite, Scherp, om eerlijk te zijn. We zitten zoo dik in de
leugens.”—„Weet je wát ik zou doen, Alf, als ik over verschillende
dingen dacht als jij?”—„Nou?”—„Dan zou ’k me verdrinken.”—„Waarom?”
lachte ik, verbaasd.—„Jij ben zoo’n idealist, dat je dáárdoor een
ontzettende pessimist ben geworden.”—„Och, je ben
krankzinnig!”—„Anderen vinden je ’n cynist. Maar ik weet beter. Houen
je ouders van je?”—„O jawel.”—„Praat je met hen wel eens
zoo?”—„Godbeware!”—„Ben je wel eens verliefd geweest?”—„Eens. Toen ’k
negentien was op de zuster van het meisje waarmee ik geëngageerd
was.”—„Hahaha! Wat ben je toch ’n formidabel gèkke kerel!”—„Nou haal ik
over de dertig. Ja, jongen, ik wor oud.”—„Zal ik je straks nog
voorlezen wat ik geschreven heb?”—„Nee. Van avond niet. Ik heb zoo
ònhebbelijk zwaar geredeneerd, dat ik moe ben.”—„Ja je ben an ’t
doorslaan geweest.”—„Dat dènk je, ouwe jongen. Ik geloof ’n end op
streek te zijn naar de wáárheid.”
En we bleven zoo nog wat praten over koetjes en kalfjes.