Bij Mast zitten Scherpenzaal, Dirk van Leeuwen en Guus. Scherpenzaal,
bleek in den hoek. Dirk en Guus naast elkaar. In den spiegel zien ze
ons aankomen.
„Bonsoir!”
Dirk was student in de medicijnen, toen kantoorklerk, toen niks, toen
handelaar in aardappelen. Zij is actricetje. Met het groot sterk
lichaam zit-ie naast haar, zwaar twistend.
„Je weet ’r de klooten van.”
„Weet ik t niet? ’k Geloof toch dat ìk recht van meepraten heb.”
„Je kletst.”
„Nee jij kletst!”
„Waarom klets ìk nou?”
„Je bent ’n verwaande idioot.”
„Nee dat ben jij! Jij wil altijd ’t laatste woord!”
„’k Zou niet weten waarom jij ’t moest hebben!”
„Maken jullie nou geen ruzie,” zegt Karel.
„Dat schaap is onuitstaanbaar!”
„Schaap,” zegt Guus woedend: „je moer is ’n schaap!”—en ze gaat met
haar rug naar ’m toezitten.
„Waarover hebben jullie ’t?” vraag ik belangstellend.
„Over niks!”
Dirk kijkt met ’t gezicht van ’n buldog achter de brilleglazen naar z’n
grocje. Twintig keer op ’n avond hebben zij ruzie, maakt hij ’t weer
goed. We zijn er aan gewoon.
Ik leen onder tafel op m’n „woord van eer” een riks van Scherpenzaal.
We drinken grocjes en om één uur stappen we op.
„Gaan jullie met ons mee?”, vraagt Guus.
„Dan wordt ’t weer zoo laat.”
„Heb je morgen wat bijzonders te doen?”
„’k Wou graag an ’t werk.”
„Dan doe je ’t ’n daggie later.”
„Kom zanikken jullie nou niet!”
Natuurlijk làten we ons overhalen. Elken avond, elken nacht
onderhandelen we; èlken nacht blijven we tot drie, vier uur plakken.
Met z’n vijven gaan we naar ’n vischwinkel in de Van Wou. We zijn vaste
klanten. Guus koopt twee dikke gerookte palingen en een potje garnalen
in ’t zuur, Karel twee Engelsche bokkingen, Scherp eet voor ’n stuiver
augurken, ik neem ’n busje sardines. Bij den bakker aan de overzij
haalt Dirk een versch, pàsgebakken brood. Dat zijn zoowat de gewone
avondinkoopen.
Guus en Dirk wonen in bij Duif, ’n vijftig-jarige tooneelspeelster van
den tienden rang, die een twaalf-jarig dochtertje heeft van een acteur.
Duif woont achter, Guus en Dirk vóór. De huishoudens zijn gescheiden.
Alleen maken ze samen van de kleine keuken gebruik. Duif drinkt, slaapt
den heelen dag. Stientje, ’t dochtertje, zorgt voor het huishouden,
voor het eten, verdient mee geld in kinderrollen. De voorkamer is
klein, behangen met portretten van acteurs en actrices. Louis
Bouwmeester hangt naast ’n stelletje van drie komieken, Moor is er
levensgroot tusschen reclameplaten van Van Houten’s cacao.
Boven de ronde tafel, een slechtbrandende lamp. Guus en Dirk zitten op
de sofa. Wij plakken in stoelen van diverse soort.
„Wil je bier of ouwe klare?”
„Neen geef maar bier.”
„Guus wat mot jij?”
Guus is nog altijd kwaad op Dirk.
„Geef maar brandewijn!”, snauwt ze.
„Goeien avond.”
„Dag Duif!”
„Zoo—dikke Duif.”
Niemand is er verwonderd over dat Duif ’s nachts kwart voor twee op
visite komt. Als ze glazen of bordengerinkel hoort, is ze er vanzelf
bij, met de brutale vrijpostigheid van ’n komediant, die wel weet dat
er geen aanmerking op gemaakt zal worden.
„Kom maar naast me zitten, Duif,” zegt Karel.
„Snoes, wat zie je d’r lekker uit van avond,” antwoordt ze,
lodderig-lief.
„Is Stien al naar bed, Duif?”
„Ze gaat net.”
„Nou laat ’r effen ’n stukkie paling eten.”
„Maken jullie d’r nou geen gewoonte van!”
„Stientje!”
„Stien!”
Het bleeke kind, met zware zwarte kringen onder de oogen, komt verlegen
binnen.
„Stien, ’n stukkie paling?”
„Asjeblief Guus.”
„Of wil je garnalen?”
„Nee, lìèver ’n stukkie paling. Van garnalen wor ik zoo misselijk.”
„Moos”—dat is Scherpenzaal; ik noem hem Scherp—„Moos, jij zit ’t
dichtst bij de kast. Geef is ’n mes an!”
Scherp opent de kast. Op de bovenste plank liggen
bokshandschoenen,—Dirk is dol met boksen—leege sigarenkistjes, boeken;
op de tweede, vuile afleveringen van De Nieuwe Gids, een paar
Baedekers, een olie- en azijnstel, een hoedendoos; op de derde, kousen,
hemden, onderbroeken, wat boeken, daar naast een bord met een
overgebleven stuk gehakt; op de vierde kopjes, schotels, borden,
kaasstolp, tooneelschoenen, ’n bel van ’n fiets—de rest van de kast is
van mijn plaats niet te zien.
„Waar liggen de messen?”
„Op de derde plank.”
„’k Zie niks.”
„Kijk jij dan ’s Dirk!”
Dirk rommelt achter de boeken, achter de kousen, achter de Baedekers,
begint tegen Duif te vloeken.
„Jezus, Duif, wat ben jij toch ’n slordige verdommeling! Kan je nou
niet zorgen dat de boel op z’n plaats leit?”
„Nou maak niet zoo’n kale kak.... Stien heb-ie d’r weer niet voor
gezorgd, luilak!”
Stien haalt een paar messen uit de keuken, Duif schenkt zich een
glaasje brandewijn in, Guus hompt paling op een sigarenkistje. De tafel
ziet ’r genoeglijk uit. Naast en op een bord liggen boterhammen van het
warme, dampend brood. Daarnaast op een dubbelgevouwen krant, het
opengestoken sardinebusje in een plas bruine olie. Dirk peutert met een
theelepeltje garnalen uit den glazen pot. Duif kluift een Engelschen
bokking. Van haar vingers druipt vet op de japon, wat ze met haar mouw
afveegt. Karel doet ’t netter. Met ’n zakmesje priemt hij stukjes uit
zijn bokking, arrangeert ze op ’n warme boterham. Stientje, Scherp,
Guus hebben ’n homp paling—, ik eet ’n warm-kleffe boterham met vier
sardines. Er wordt weinig gepraat. Duif is de eenige, die met ’n vollen
bokkingmond doorslaat over allerlei dingen. Maar niet zoodra zijn de
vette vingers aan de zakdoeken drooggewreven of de gemoedelijkheid komt
er in. Guus is aan haar derde brandewijntje. Ze kan er uitstekend
tegen, vooral als ze haar corset heeft uitgetrokken, wat ze dadelijk na
het souper doet. Meestal klaagt ze over maagpijn. Brandewijn is daar
zoo goed voor. Duif is het laatst klaar. Ze heeft van alles gegeten,
bokking, garnalen, paling, sardines en vier warme boterhammen. Dan
vindt ze dat het in de kamer zoo wàrm wordt, schuift Karel ’t raam op
’n kier. Duif heeft een beminlijke maag. Voor ’n paar weken was ze
jarig, „tracteerde” zich in De Groote Slok, ’s nachts twaalf uur op een
bord erwtensoep, een gemarioneerden haring en een kop waterchocola, om
te bekomen van de katterigheid van ’n bitterfuif.
„Stien, zou je nou niet naar je bed gaan?”
„Nou laat ’r nog effen opblijven.”
„Stien, doe Veltman nog is na.”
„Nee, nou niet,” zegt ’t kind verlegen.
„Kom nou Stien! Je heb zoo’n lekker stukkie paling gehad.”
’t Bleeke kind kijkt met ’n schichtig glimlachje de kamer rond, die
blauw van damp staat, loopt terug naar de deur, bootst de zwaar-gerekte
stem met de eigenaardige intonatiën, het drukken op de en’s, het hooge
terugspringen van den acteur na:.... „De koningin.... is.... dood....
Over twee minutèn.... ben ik vadèr.... Volg mij Denise.... naar het
slaapvertrek!”—We brullen allen van ’t lachen. ’t Kind krijgt ’n kleur
van pleizier, parodieert in ’n tweede holle phrase: „.... Dat warèn
jouw nachtelijke uitgangèn!.... Ha!.... Dat was dat kostelijk
plan—ha!—om fortuin te makèn—ha!—En als je nou niet al je geld had
verbrast en verspeeld—ha!—Dan had je intijds naar ’n goedèn schoonzoon
voor Nelly kunnèn uitzien—ha!—Leelijke, ellendige, nietswaardige,
erbarmelijke gggèk!”.... Duif ligt met gillen van lol achterover.
„Wat ’n mirakel van ’n kind! Toe, Stien, doe Frits nou is na.”
„Ja moeder.”
En van stem veranderend, gebaart ze precies als Frits Bouwmeester in
een draak. Ze strekt de vijf vingers in ’n theatrale houding vooruit,
zegt heftig.... „De vier gebroeders Salwiati werden op het slagweld....
onder de pooden der baarden vertrabbeld.... Alles verloren, mijn God,
alles verloren!.... Mijn arm geld, mijn arm gelletje, mijn arm
gelletje!”
Ik lach net zoo onbedaarlijk als de anderen. Onbewust doet ’t kind ’t
zoo in-komisch, dat de tranen uit m’n oogen loopen. Maar dan krijg ik
opeens ’t juiste gezicht op de kamer, de blauw-vale rookwalmen, de
glazen met bier, ouwe klare en brandewijn, op het bleek komediantenkind
met de zwaar gekringde oogen en vraag of kwart over twee geen bedtijd
voor ’t meisje is.
„Eerst nog Ellenberger, Stien!”, lacht Duif en slobbert haar glaasje
brandewijn in één slok leeg. Het kind vouwt de handen en zegt: „O mijn
God, gij zult een arme zondige moeder niet verstooten met haar arme
bloedjes van kinderen! Die zijn onschuldig! Die zijn onschuldig!”
„Wil je nog ’n glaasie bier, Stien?”
„Nee dank-u. De paling draait me al zoo voor me hart. Al dat vèt....”
„Neem dan ’n slokkie brandewijn,” zegt Guus.
„Geef dat kind nou geen brandewijn.”
„Nou één slokkie.”
Stien proeft van ’t glas, raakt aan ’t hoesten.
„Kom, nòù naar je bed!”
„Dag moe, dag Guus, dag Dirrek, dag meneer, dag meneer.”
„Niet op mìjn plekkie gaan leggen, hoor?” snauwt mama Duif na.
„Ja moe,” antwoordt het kind zacht-gedwee.
„Geef mijn nou nog ’n brandewijntje met véél suiker,” zegt Duif dan
weer lodderig. En het gesprek drenst.
„Wil jij nog bier?”—„D’r is geen bier meer. Haast je maar niet.”—„Ouwe
klare?”—„Ja, geef mij ’n glaassie.”—„Stien ziet ’r niks goed
uit.”—„Meissies in de groei. Dat hebbie altijd. Toen ik zoo oud was,
was ik zoo mager as ’n talhout.”—„Je mag wel op d’r passen.”—„Ach, lul
niet. Laat d’r vader d’r wat meer geven,” zegt Duif bot. „Van middag
zat-ie bij Mast te vreten met ’n halve flesch wijn. Meneer mot nóódig
wijn suipen! God zal ’m lazere! Stien gaat naar ’m toe en toen geeft-ie
’r ’n kwàrtje! Nou vraag ik je! ’t Is toch goddoome sijn kind! Ben ik
z’n vrouw geweest, ja of nee? ’t Is ’n godsnakende schande! Zoo’n vuile
verdommeling! Enfin, ’k zal d’r maar wat opzetten. Al dat gelul geeft
niks, geen mieter!”
Er komt ’n stilte van ergernis en verveling. In de achterkamer hooren
we Stien scharrelen.
„Nou,” zegt Scherp eindelijk, dikwijls kan-ie zoo héél kalm uit z’n
slof schieten: „Zoo héél erg ongelijk heeft-ie niet.”
„Wàtte!”, zegt Duif, woedend, zich haast verslikkend.
„Met permissie, jij verzùìpt toch alles.”
„Heb jij daar last van, jóód?”, snauwt Duif, geelbleek van ingehouden
woede.
„Niet schelden op mijn kamer,” zegt Dirk, sussend.
„Ik lùs me glaassie op z’n tijd,” ratelt Duif, kwaadaardig: „Dat wil ik
goddoome wel wete. Maar d’r vader laat zich minteneere, minteneere door
’n getrouwde vrouw. Daar vréét-ie van, de vuilik. En ons laat-ie
verhongere. Mot-ie bij Mast vreete met ’n halve flesch wijn, as ìk niet
weet rond te kommen? Hij was an de zallem bezig, an de zallem, god zal
’m verdomme, met doperwtjes, heit ’t kind me verteld. Wij hebben ’t
motten stellen met klapstuk! Zoo’n vuilik! Zoo’n lazermakkero!”
„Hij heeft ’t kind toch willen hebben en goed opvoeden, heeft-ie me
gezegd,” merkt Scherp kalm op.
„Smóés jij maar met ’m. Jullie kunne allebei de kouwe koorts krijge. Ik
zal zoo gek zijn om Stien an hém te geven! Ik zal verdomme zoo gèk
zijn! Ze is van mijn, niet van hem! Ik heb ’r me gemak van. Ze hóéft ’t
niet beter te hebben dan ik. Dàt zou wat moois zijn.”
„Ja. Ja. En ’t kind is ’r de dupe van,” zegt Scherp, onnoozel genoeg om
met het wijf te willen redeneeren.
„Wel Jeesus nog toe, waar bemoei jij je mee, vuile jood! Bemoei ik me
met jóú!”
„Jij ben te stom om mij te beleedigen,” zegt Scherp, die wit om z’n
neus wordt.
„Maken jullie nou geen ruzie in den laten nacht!”, vermaant Dirk.
„Laat ’m dan z’n smoel houen, die snotneus!”
„Wat zijn jullie van avond verdomd vervelend! Heb je paardevleesch
gevreten, Duif?”, zegt Guus.
„Nee, klapstuk, heb je toch al gehoord.”
Buiten wordt gefloten.
„Daar zal je waarachtig Trees hebben!”
Dirk trekt het gordijn op, kijkt naar buiten, kan niets zien door z’n
bril die aanslaat.—„Wie is daar?”, roept-ie.—„Goeien avend! Benne
jullie nog op?”—„Zie je wel ’t is Trees! Wat heb ik je gezeid?”—„Wil je
bovenkommen?”, roept Dirk.—„Nee, we gaan naar bed.”—„Met wie ben
je?”—„Met ’n heele pan. Ze wachten om ’t hoekie. Wil je an Guus zeggen
dat ’r morgen om tien uur repetitie is.”—„Om tien uur?”—„Anders
niks?”—„Nee-ee-ee!”—„Kom nou maar boven Treesie!”—„Nee-ee-ee! ’k Ga me
rol in bed leggen leeren! Dàg! ’k Kom morgen bitteren!
Dà-à-àg!”—„Dag!”—„Dà-àààg!”
’t Gordijn ribbelt neer.
„Geloof jij ’r wat van, dat ze d’r rol gaat leeren?”, vraagt Duif.—„Wel
nee!”—zegt Guus: „Ze gaat nàtùùrlijk an de zwabber!”—„Dat zal me ’n
hoer worden, as ze ouwer is,”—meent Duif, brandewijn slurpend.—„Nou!”,
wijsknikt Guus.—„Z’s goed begonnen. Voor ’n mooie rol zit iedereen ’r
op. Met wie was ze nòù weer, Dirk?”—„Nou, met je weet wel.”—„O, met
die? Daar kan ze pleizier van hebben as z’n vrouw d’r achter
komt.”—„Hoe oud is ze?”, vraagt Karel.—„Achttien of negentien.”—„Zònde
voor zoo’n mooi gezichtje,” zegt Scherp.—„’t Komiekste is wel dat ze
ingénue-rollen speelt!”, meen ik.—„Da’s larie,” zegt Guus: „Als je zoo
redeneert kan nìèmand van ons ’n fatsoenlijke vrouwerol spelen.”—„Nou
maar,” zegt Karel: „’k Heb Duif bliksems mooi gevonden als de blinde
wees in De twee weezen.”—„En dan had je d’r moeten zien als de schoone
Indiaansche in het Gebed der Schipbreukelingen. ’t Was om je een kriek
te lachen toen de graaf zei: „Mijn God wat is zij schoon!”
„Stikken jullie maar,” zegt Duif achter haar brandewijntje: „Krijg
allemaal ’n rotpest!” De stemming wordt geanimeerd. Tegen drie uur,
door brandewijn en ouwe klare is het gezelschap meestal kip-lekker,
komt er leven in de brouwerij. Dirk doet verhalen van ’n avontuur te
Parijs, toen-ie merkte dat-ie geen cent meer op zak had—, Karel heeft
moppen van levende en gestorven komedianten—, Duif gilt er opmerkingen
tusschendoor—, Scherp en Guus hebben ’t weer apart over ’n ouwe
historie, waarbij zij elkaar in de rede vallen. Ik begin slaap te
krijgen.—„Zouen we nou maar niet opstappen?”—„Nou al? Hoe laat is ’t
dan?”—„Kwart voor drie.”—„Zestien minuten voor drie.”—„Nou tot drie
uur. Da’s ’n fatsoenlijke tijd.”—„Wat hebben jullie ’n haast!”, zegt
Guus gepiqueerd.—„Me dunkt dat ’t welletjes is.”—„Jij ben de heele
avond al zoo verrekt saai en vervelend geweest!”—„Hij is àlweer
verliefd!”, lacht Karel, die schitterende oogjes van de klare
heeft.—„Zaag niet!” zeg ik, geeuwend.—„Op wie is die nou weer
verliefd?”—„Op Georgine Casper.”—„Waar hebben jullie die gezien?”—„Bij
Prot.”—„Zoo is Georgine weer in de stad.”—„Nou da’s ’n knàppe meid,”
zegt Dirk.—„Hoeveel maal ben jij al verliefd geweest,” lacht
Scherp.—„Jongens,” zeg ik inniger geeuwend: „’k heb meer slaap dan
verliefdheid. ’k Denk ’r op ’t oogenblik alleen aan om lekker te gaan
maffen.”—„’t Is gevaarlijk om iets an te halen met ’n getrouwde
vrouw.”—„Daar hebbie maar lást mee.”—„Sjorsjien? Sjorsjien? Wel zeker
die kén ik,” zegt Duif: „Die d’r man is ommers naar Amerika gegaan, ’n
jaar of drie gelejen. Heit ze niet gehoerd met Ba....”—„Mensch,” zeg
ik, prikkelbaar in mijn slaperigheid: „haal toch niet iedereen over je
zatte tong. Wat gaat jou die en die en die an!”—„Wat heb jij ’t
goddoome op je heupe!”—„Laten we nog ’n half uurtje banken,” zegt
Guus.—„Nee ik ga naar huis.”—„Spier wat ben je ongezellig.”—„Ik heb
slaap.”—„Meneer is van middag om drie uur opgestaan!”—„Gaat ’r iemand
zoover mee?”—„Ik.”—„Hè, jassus, hoe flauw van jou Moos!”—„’k Moet
morgen om tien uur op kantoor zijn.”—Guus heeft terwijl de kaarten
uitgelegd. Met hun vieren blijven ze om de tafel. De lamp beschijnt
zonderling hard de hoofden van Dirk, Duif, Guus en Karel, de vieze
tafel, de glazen, de flesschen, het leeg sardineblikje, de vellen van
de paling, de homp brood.—„Amuseer je! Dag Guus!”—„Spelbrekers!”—„Een
kwartje!”—„Vijf en dertig cent!”—„Goeien nacht!”—„Slaap wel!”—„Veertig
cent!”—„Guus geef mijn nog ’n brandewijntje.”—„Vijftig cent!”—„Een
gulden!”....
Op de trap hooren we nog de logge, brutale stem van Duifje.
Ik trek de buitendeur dicht. Flauwe lichtscheemring fletst over de
dakenrij. Een agent op den anderen stoep kijkt naar de verlichte ramen
van Dirk en Guus. Het zijn de eenig rood-vierkante gaten in de nauwe
straat.
„Goeien avond,” zegt de man, rustig.
„Goeien avond,” zeggen wij.
De buitenlucht knapt op. We gaan naast elkaar zonder praten. Na een
héél eind loopen zeg ik moe: „Wat ’n bènde!”—„Ja, ’n zwijnentroep,”
zegt Scherpenzaal.
Voetstappen dreunen, schaduwen bollen, rekken weg.
„Wat doen we ’r eigenlijk?”—„Dat weet ik zelf niet.”—„Was ’t niet beter
om nou lekker op je nest te liggen?”—„Of ’t! Van jou begrijp ik ’t
heelemaal niet.”—„Waarom niet van mij?”—„Wel, jij verschooiert je
talent èn je gezondheid.”—„En jij dan?”, zeg ik, moe, òp,
licht-duizelig.—„Voor mij komt ’t ’r minder op an. Ik maal toch geen
cent om ’t leven,” antwoordt hij: „als je onder de plak zit van je ouwe
heer, die je met gewèld op kantoor houdt, terwijl je zooveel mooie
dingen in je kop heb, dan kan ’t je ten slotte niks meer verdommen.”
„Loop weg.”
„Daar denk ik wel eens over,” zegt hij, dof: „Maar m’n mòèder houdt
véél van me. Da’s ’n goed mensch, zóó’n erg goed mensch. Ze praat wel
telkens kleingeestig over ’n—ja, dat moet je d’r hóóren zeggen, je
lacht je ’r dood bij!—over ’n net, èn ’n beschaafd, èn ’n welopgevoed
jodenmeissie, meissíé, mét geld, vòòral met geld—zoo gaat ’t bij ons,
Alf—, maar van ’n moeder verdraag je ’n hoop, omdat ze je moeder is.
Als zij ’r niet was, had ik hèm al lang laten stikken!”—„Ho!
Hoho!”—„Nou ’t is zoo! Ik kan ’r niet om liegen. Hij is gewoonweg ’n
vreemde voor me, ’n lèèlijke vreemde, ’n vreemde die sjaggert, negotie
drijft, niks voelt, niks weet van het leven.... ’k Zie geen onderscheid
tusschen hem en de klerken.... ’t Zijn àllemaal stomme idioten, die m’n
vijanden zijn.... Toen ’t eerste bedrijf van m’n treurspel af was,
heeft hìj ’t verscheurd.... Ik weet wel dat ’t niks was, dat ’t vòl zat
van Kloos, Perk, maar ’r wàren mooie regels in en ik hield er van....
Dàt vergeef ik ’m nooit, al wordt-ie honderd jaar! Dat was ’n
ploertenstreek! Nou werk ’k stiekem, als ’n jongen die snoept, verberg
’t manuscript dàn hier, dàn daar. Maar ’t gáát niet. Je vòèlt overal
vijanden. An tafel is ’t elken dag ruzie, rotte toespelingen op De
Nieuwe Gids. Dan maakt-ie grapjes op de mosterd die ik neem.—Da’s nou
bruin-bruine kloddergedodder zegt-ie dan. En dan grinnikken moe en Saar
en hou ik m’n mond. Maar als-ie me lang genoeg verveelt, wor ik
woedend, scheld ’m uit voor stommeling, loop van tafel. Nou pest ik ’m
met lààt thuiskommen, maak de smerigste bokken in effectennota’s, loop
naar de kroegen. Jammer voor moeder. Da’s ’n góéd mensch. Daar hou ik
van en die maakt zich elken dag ongerust over de blauwe kringen onder
m’n oogen..., Ja-ja.... Ja-ja.... Dat kun je zoo hebben..., Ja-ja”....
Een poos loopen we weer zwijgend, dan zeg ik zeker en heel rustig: „Als
je òoit moed genoeg heb, Scherp, om met ’m te breken, kun je bij mij
komen inwonen.”—„Dank je Alfred. Weet je wàt gek is? An jou heeft-ie
zoo stierlijk ’t land. Iemand die zulke liederlijke boeken schrijft,
zegt-ie, is ’n gemeen individu.”—„Dat kan wel,” glimlach ik.
We zijn bij den Amstel.
„’k Zal je nog een eindje brengen,” zeg ik, wat opgeruimder door de
nachtfrischte.
„Zeg, Alfred,” hij weer.—„Ja.”—„Waarom kom jij toch haast elken nacht
bij die lui?”—„Elken nacht is wat sterk.”—„Zoolang ik je ken, blijf je
’r na één uur plakken.”—„Dat is de schuld van Vening Meinesz.”—„Wat is
dat voor onzin?”—„Vroeger ging ik om één uur naar de Quelle. Die bleef
tot twee uur open. Na tweeën was ’t Mosselenhuis de societeit. Dan ging
’k om drie uur naar huis.”—„Zit je dan zoo graag laat op?”—„Vroeger
niet. Maar als je laat gewerkt heb, bijv., tot twaalf, half een, wil je
’n luchtje scheppen, wat afleiding hebben. Ik heb wel gepròbeerd thuis
te blijven. Dan zette ik koffie, stak ’n versche pijp op. Je kùnt niet
naar bed gaan als je op je zenuwen drijft. Maar dan voelde ik me zoo
verdomd eenzaam, zóó triestig, leek de heele dag me zoo leeg en de
nacht zoo vrééselijk lang. Vooral den komenden morgen zie je ’s nachts
zoò grijs, zoò vaal, zòò-weer-hetzélfde voor je. Er hoort meer
resignatie toe dan ik heb om te werken àltijd op je kamer, àltijd ’t
werk, ’t wèrk, ’t wèrk. Dat wordt vreugdeloos, dor, ’n marteling. Dat
mat af. Dat vermoordt je. Als ik zoo’n half uur bij m’n koffie, m’n
pijp gezeten had, kleedde ik me an, liep de stad in, naar de Nes, naar
de eerste de beste gelegenheid om er te kletsen over wàt ze maar wouen,
met de eerste de beste meid. Dat dee me genoegen. Dat gaf me
veerkracht. Gek, hè? Mal, hé? Met zoo’n meid praatte ik liever dan met
een van de koffiehuiskennissen. Later ontmoette ik Dirk. In z’n tijd
was ie ’n gevoelige jongen, een die soms in goeie buien fragmenten uit
Mei wèrkelijk mooi kon voordragen. Nou is die abruti. Soms komt nog ’t
ouwe in ’m boven. Maar als je zit in de vuilniskar van zóó’n passie,
ben je voor de haaien. Dirk inviteerde me. Dirk was óok ’n nachtuil.
Nou dat weet je! En ’t was ’n bizarre wereld, het zoodje van de
kabotijns, die samenhokten in De groote Slok, in de Catacomben. Je ziet
er elken dag wat nieuws, wat anders, nog iets méér gemeens,
liederlijks. Ik denk dat ’k ’r eens ’n boek over schrijven zal.—Nou.
Zoo zie je me plakken hier en daar, omdat ik geen thuis heb, ’s nachts
tóch niet slapen kan, menschen zien móét, onverschillig wàt voor
menschen ’t zijn. Gek, dat iemand voor z’n leven ’n dosis verveling bij
ànderen nóódig heeft. Ik voel me er niet ongezond onder, al zie ik
bleek. Nou—en de ouwe dag.... God, die òùwe dag.... wat ’n ráár
verschiet, als je je jong—zoo oud en zoo belabberd eenzaam
voelt.”—„Laat mij maar dikwijls bij je komen,” zegt hij
héél-vriendschappelijk.—„Als je wilt.”—„Zou je niet naar huis gaan. ’t
Wordt stinkend laat. Je moet ’t heele end nog terug loopen. En ’t
begint weer te regenen.”—„Ja je heb gelijk. Dag kerel. Tot
morgen.”—„Slaap lekker!”
Loom, rustig lag de Amstel. Regen tikkerde in het water, op de boomen.
In de verte, achter het plomp silhouet van het Badhuis, kromde een
melkstreep van opkomenden dag. Mat groende het water daar, glanzend
tegen het brauwende zwart der donkere landen. Nog brandden lantaarns,
koperroode priempuntjes, die in het water weerkaatsen tot gouden,
draaiende, diepgaande zuilen. Vuriger boorde het purperen oog van het
overzetveer. En naarmate de melkstreep in de verte fletser werd,
wijdend over vreemde roetpluimingen, het kopergroen van het water
strakker, vervaagden de roode priempuntjes tot dansende, schemerende
stippels. Een melkboer klotste aan achter een kar, waarvoor honden
wit-adem-hijgend trokken. En klokken begonnen te luien, zeer zachtjes,
dompende, wiegende stooten in de kille, grauwe schemering. Eerst één
klok, langzaam, klagend, elke dreun gonzend-nazoemend. Dan een ander,
vlugger als van een zoekende hamel op verre bergtoppen.
„Overrrr!”
„Overrrrr!”
„Halloooo! Hallo-óóó!”
Over het water komt de jolleman gegleden. De riemen doorklokkelen het
water.
„Goeien avond meneer.”
„Dag Tijs.”
„Misselijk weertje, meneer.”
„Ja. Niks lekker.”
Telkens een zwarte geul bij de riemen, wat schuim, en over het heele
water de vinnige spetjes van regen, de gouden spiegelzuilen van de
lantaarns. Ik ben koud geworden, huiverig, ben blij als ik thuis in den
hangstoel lig. Door de ramen vaalt eerste daglicht. Alles lijkt
leelijk, oud, hard. De krant ligt wijd-open, vertrapt op den grond.
Waar Karel gezeten heeft, is het rooie tapijt wit, goor en grijs van
ingeloopen sigarenasch. Het vuil theegerij staat op tafel. In mijn
vermoeid hoofd is een onbestemd gevoel, dat ik omringd ben door wreede,
dierlijk-gemeene dingen en ik denk flàùw, met iets van zelfverwijt en
iets van laat-alles-nou-maar-gebeure-d’r-kan-me-niks-schele—dat ik
wonderlijk-ongelukkig ben.