Antwoord aan J. T.
te Amsterdam.
WelEd.geb. Heer,
U vindt o.m. dit boek onzedelijk, plat, slecht gecomponeerd, vol
gapingen. Ongetwijfeld is het gemis aan beschrijving van de wijze hóé
Georgine en Alfred de eerste maal „overspel” pleegden eene gaping.
Ohnet, Daudet, Zola, anderen, verkiezen de overbrugging van deze en
diergelijke gapingen. Ziedaar o.m. het verschil tusschen deze auteurs
en mij (het spijt me dus redeneerend mijn persoontje op den voorgrond
te stellen.) Ik heb dezen roman niet geschreven om een publiek bezig te
houden, te ontspannen, nòch tot eenigen prikkel van het ploertig zoodje
dat realisme gelijk stelt met geslachtsgemeenheid. Dit boek is een
simpele smart, een opstand. Het moest zóó geschreven worden, niet
anders. Het móést in zijn naaktheid, ruwheid, wildheid afstooten, niet
smàkelijk zijn. Phrases zooals genoemde auteurs en hun volgers in alle
landen gebruiken, als: „Toen liet zij zich achteroverglijden op de
sofa”—of: „toen zij uit hun roes ontwaakten”—of: „toen zij wakker werd,
begon zij te weenen”—of: „zij vielen in het gras en de stilte werd
alleen verbroken door hun kussen”,—of: „hij bedekte haar mond met
gloeiende kussen en zij zakte bedwelmd in zijn armen”—en zoo voort tot
in het oneindige, behooren tot een meest verachtelijke, onware methode.
Zij spreken met zekere geheimzinnigheid over eene verrichting die niets
geheimzinnigs behoorde te hebben, daar de coïtus nòch onschoon, nòch
gemeen, nòch ont-eerend is. Het gezond naar bed gaan van twee gezonde
menschen die van elkander houden, is een eenvoudige natuurvreugde, die
de bourgeois beschaving met een kleverigen privaatdoek omhangt. Daarom
zijn de sexueele flikjes en geslachts-pasteitjes welke genoemde auteurs
en hun scholieren een geilgraag publiek voorzetten, kernrot en typisch
als product der klasse, te wier gerieve zij geschreven werden en
waaruit zij voortkwamen. Zonder er dieper op te willen ingaan in een
zoo vluchtig geschreven brief, vermeen ik dat het realisme, zooals dit
in lateren tijd met zekere pretentie van nieuwheid is opgestaan, niet
de eerlijke kunst van eerlijke waarnemers is, maar de uiterste grens
tot welke schrijvers, geboren in den bourgeois-stand en bourgeois
geblèven, kunnen of durven gaan. Gaven zij iets anders dan een
verbourgeoisd-realisme, iets anders dan geschaafde realiteit? Ik kan
mij gereedelijk voorstellen dat dit consequent voor niets teruggaand
boek u een ergernis is, later anderen ergernis zijn zal: het vermeent
immers even oprecht de werkelijkheid in deze struisvogel-beschaving te
cracheeren, als het viezerikken om de ooren slaat. Als u nadenkt zult u
inzien dat niet ik de aanstootgever ben, maar de toestanden die voor
elk die zìèt bestaan. Nooit kan iets gemeen zijn dat volkomen-wáár
beschreven wordt. Een boek wórdt gemeen door de schipperende methode
van den auteur. Want het gemeene repugneert zoodanig, is zoo plat, zoo
van modder alleen, dat het nooit een verderflijken indruk kan maken.
Daarom is alle spelen met geslachts-realisme m.i. gevaarlijk en
onzedelijk. Goed geschreven geslachtsleven zal nóóit een prikkel zijn.
Wel komt de triestigheid, zelden het gemeene van een ding tot ons. Maar
juist de insinueerende voorstellingen, de insane fantasieën maken een
bedrijf liederlijk. Zoo zijn genoemde citaten van gerenommeerde
realisten niet realistisch maar geméén. Deze lieden geilen door een
gordijnreet, kijkend naar een zich uitkleedende vrouw, sjaggeren met
bedekt vrouwevleesch, spreken gedempt over dingen in schemering; ik
tracht in het volle licht de menschen, de toestanden, de taal, zooals
die in den kring, welken ik beschrijf, gesproken wordt, weer te geven.
Met de voortzetting der serie erotisch horizon-loos realisme doet men
een perversen arbeid.