29 December 1896.

Antwoord aan J. T.

te Amsterdam.

WelEd.geb. Heer,

U vindt o.m. dit boek onzedelijk, plat, slecht gecomponeerd, vol

gapingen. Ongetwijfeld is het gemis aan beschrijving van de wijze hóé

Georgine en Alfred de eerste maal „overspel” pleegden eene gaping.

Ohnet, Daudet, Zola, anderen, verkiezen de overbrugging van deze en

diergelijke gapingen. Ziedaar o.m. het verschil tusschen deze auteurs

en mij (het spijt me dus redeneerend mijn persoontje op den voorgrond

te stellen.) Ik heb dezen roman niet geschreven om een publiek bezig te

houden, te ontspannen, nòch tot eenigen prikkel van het ploertig zoodje

dat realisme gelijk stelt met geslachtsgemeenheid. Dit boek is een

simpele smart, een opstand. Het moest zóó geschreven worden, niet

anders. Het móést in zijn naaktheid, ruwheid, wildheid afstooten, niet

smàkelijk zijn. Phrases zooals genoemde auteurs en hun volgers in alle

landen gebruiken, als: „Toen liet zij zich achteroverglijden op de

sofa”—of: „toen zij uit hun roes ontwaakten”—of: „toen zij wakker werd,

begon zij te weenen”—of: „zij vielen in het gras en de stilte werd

alleen verbroken door hun kussen”,—of: „hij bedekte haar mond met

gloeiende kussen en zij zakte bedwelmd in zijn armen”—en zoo voort tot

in het oneindige, behooren tot een meest verachtelijke, onware methode.

Zij spreken met zekere geheimzinnigheid over eene verrichting die niets

geheimzinnigs behoorde te hebben, daar de coïtus nòch onschoon, nòch

gemeen, nòch ont-eerend is. Het gezond naar bed gaan van twee gezonde

menschen die van elkander houden, is een eenvoudige natuurvreugde, die

de bourgeois beschaving met een kleverigen privaatdoek omhangt. Daarom

zijn de sexueele flikjes en geslachts-pasteitjes welke genoemde auteurs

en hun scholieren een geilgraag publiek voorzetten, kernrot en typisch

als product der klasse, te wier gerieve zij geschreven werden en

waaruit zij voortkwamen. Zonder er dieper op te willen ingaan in een

zoo vluchtig geschreven brief, vermeen ik dat het realisme, zooals dit

in lateren tijd met zekere pretentie van nieuwheid is opgestaan, niet

de eerlijke kunst van eerlijke waarnemers is, maar de uiterste grens

tot welke schrijvers, geboren in den bourgeois-stand en bourgeois

geblèven, kunnen of durven gaan. Gaven zij iets anders dan een

verbourgeoisd-realisme, iets anders dan geschaafde realiteit? Ik kan

mij gereedelijk voorstellen dat dit consequent voor niets teruggaand

boek u een ergernis is, later anderen ergernis zijn zal: het vermeent

immers even oprecht de werkelijkheid in deze struisvogel-beschaving te

cracheeren, als het viezerikken om de ooren slaat. Als u nadenkt zult u

inzien dat niet ik de aanstootgever ben, maar de toestanden die voor

elk die zìèt bestaan. Nooit kan iets gemeen zijn dat volkomen-wáár

beschreven wordt. Een boek wórdt gemeen door de schipperende methode

van den auteur. Want het gemeene repugneert zoodanig, is zoo plat, zoo

van modder alleen, dat het nooit een verderflijken indruk kan maken.

Daarom is alle spelen met geslachts-realisme m.i. gevaarlijk en

onzedelijk. Goed geschreven geslachtsleven zal nóóit een prikkel zijn.

Wel komt de triestigheid, zelden het gemeene van een ding tot ons. Maar

juist de insinueerende voorstellingen, de insane fantasieën maken een

bedrijf liederlijk. Zoo zijn genoemde citaten van gerenommeerde

realisten niet realistisch maar geméén. Deze lieden geilen door een

gordijnreet, kijkend naar een zich uitkleedende vrouw, sjaggeren met

bedekt vrouwevleesch, spreken gedempt over dingen in schemering; ik

tracht in het volle licht de menschen, de toestanden, de taal, zooals

die in den kring, welken ik beschrijf, gesproken wordt, weer te geven.

Met de voortzetting der serie erotisch horizon-loos realisme doet men

een perversen arbeid.

Kamertjeszonde · 第 5 / 77 题