Den Heer Koos Habbema.
Amsterdam.
Waarde Heer,
Met verwondering en gedeeltelijke verbazing nam ik nota van uw verzoek
om Kamertjeszonde bij het Hollandsch publiek in te leiden. Om het maar
in eens te zeggen: schaamteloozer boek ken ik in onze geheele
literatuur niet, schaamteloos door de inkleeding, vooral door de
moraal. Hoofdstuk XII bijvoorbeeld is vèrregaand onzedelijk. Het spijt
mij dat gij uwe talenten verspilt aan een soort realisme dat inderdaad
geen realisme is maar een valsch nabootsen der werkelijkheid. Van
sommige scènes wàlgde ik, waarde heer, wàlgde ik werkelijk. U laat uw
personen om het hardst vloeken, godlasteren, moraal ontkennen—kortom ik
vind uw boek een slecht, een verderfelijk boek, waarvan de uitgave bij
de wet verboden moest worden. Niet alleen dat uw propaganda van onze
samenleving een modern Sodom zou maken (volkomen terecht treedt de
Duitsche Keizer op voor godsdienst, huwelijk en familie), maar uw werk
als artistieke arbeid lijkt mij geheel waardeloos. Alweer neem ik het
straks genoemd hoofdstuk XII dat als los zand aan het voorafgaand
hangt. In een goed gecomponeerd boek mogen geen gapingen zijn en het
uwe is vol gapingen. De stijl is plat. U schijnt zonderlinge voorliefde
voor platheden te hebben. Het verloop van het zoogenaamd verhaal
eindigt als een nachtkaars. De behandeling der stof is langdradig,
vervelend. Telkens onbezonken meeningen en heethoofdige beweringen. En
de verregaande schaamteloosheid! Ja, de schaamteloosheid, mijnheer. Hoe
meer ik er over nadenk hoe schaamteloozer ik uw boek vind. U kon toch
wel veronderstellen dat de lezing van dit werk voor iemand van mijn
positie in zekeren zin een beleediging is? Durft u het uw vader, uw
moeder ter lezing toevertrouwen? Hebt u geen zusters? Vindt u het zelf
bij nadenken niet meer dan schaamteloos dat uw „held” spreekt van zijn
vrouw, zijn kind? Indien u mij in gemoede vraagt, wàt met het
manuscript te doen: verscheurt het, verbrandt de snippers. U is op een
geheel verkeerd pad. Zola was dikwijls excessief in zijn realisme, maar
in elk geval hééft hij ook boeken geschreven die wij onze dochteren ter
lezing kunnen geven en dat is één van zijn verdiensten. Maar in elk
geval is Zola’s realisme in de mooie, vloeiende Fransche taal
geschreven en kwetst ons minder dan wanneer wij op Hollandsche
platheden onthaald worden. De Hollandsche taal leent zich niet tot
realisme, hoogstens tot beschaafd realisme van Beets, tot aardig
realisme van Van Maurik, tot gezond realisme van Van Looy. Niet gaarne
zou ik ook maar één bladzijde van uw realisme in gezelschap van dames
voorlezen. Wel foei! Wij behoeven de mesthoopen toch niet op te zoeken!
Vindt u een ruzie in een achterbuurt verkwikkelijk genoeg om haar te
beschrijven? De Sadduceeën, Farizeeën haatten en belasterden Jezus. Zoo
komt het mij voor dat de jongeren in literatuur en in politiek het
bestaande haten, belasteren. Nòg eens, geeft dit werk niet uit. U zult
er geen pleizier aan beleven. Ik voorspel u slechte recensies of
doodzwijgen. Waarom schrijft u geen schetsen en novellen? Die passen
toch beter voor iemand van uw opvoeding en ontwikkeling. Het moet uw
held slecht gaan in het leven. Iemand die zóó de traditie met voeten
treedt en met God èn zijne geboden èn het huisgezin èn het Koningschap
spot—wel foei: is het waardig om zulke onzinnige grapjes uit te halen
als in hoofdstuk XVIII?—zoo iemand verdient niet beter dan ten onder te
gaan. De maatschappij zal in hem niets verliezen. En uzelf wijs ik als
ouder man op hetgeen Jezus in de gelijkenis van den verloren zoon
leerde—denk eens aan den tijd van uwe catechisatie—, Lukas 15. 11–32,
dat God den mensch die door zonde ellendig geworden is, wanneer hij
zich bekeert, in genade aanneemt en hoe in de gelijkenis van den
barmhartigen Samaritaan echte liefde tot den naaste en niet wraakgeroep
als in hoofdstuk XXI gepredikt wordt. Maar ik wijk als ik hierover
begin af van mijn oorspronkelijke bedoeling om u te zeggen dat ik dit
boek onder geen omstandigheden wil aanprijzen, noch in gunstigen zin
inleiden bij het Hollandsch publiek. Wat u in een begeleidend briefje
schreef: „dat er geen literatuur meer gemaakt moet worden, dat de
wereld beu is van literatuur, dat in dezen tijd van maatschappelijken
overgang alleen dàt boek rechten heeft, dat in goeden klank iets te
bewèren heeft”, ben ik in het geheel niet met u eens. Integendeel.
Geeft ons liever aangename schetsen tot leering onzer dochteren,
schetsen die onze vróúwen kunnen lezen. Wat is hooger, schooner dan het
familieleven? Gelooft mij dát is uw richting. U verheugt zich in een
rijke fantasie. U heeft talent. Er is nu zulk een verbazend groote
produktie van oorspronkelijke literatuur die slecht is, dat wij dubbel
behoefte hebben aan een goed opmerker, aan iemand die vooral voor den
huiselijken kring werkt. Onder terugzending van het manuscript—tusschen
haakjes: het is veel te lang: wie leest zulke langademige romans?— — —