2. Verhalende en lyrische poëzie.

Leerdicht, dierfabel en dier-epos, de berijmde novelle, het lied--dat

waren de wegen in het rijk der literatuur, waarop wij de gemeentenaren

in de 13de eeuw hebben aangetroffen. Op die wegen vinden wij hen ook in

deze volgende eeuw, doch hoeveel verder zijn zij daarop gevorderd.

De hoogere ontwikkeling die de burgerij in hare voortbrengselen van

dezen tijd toont, had zij zeker voor een deel te danken aan den omgang

met en het voorbeeld van adel en geestelijkheid. Den invloed dier beide

standen zullen wij dan ook op meer dan één plaats in de poëzie der

gemeenten aantreffen. Doch tevens zal blijken, dat de burgerij, in den

omgang met de beide overige standen haar geestelijk wezen aanvullend,

ontwikkelend en verfijnend, daardoor slechts te onafhankelijker

tegenover die beide standen kwam te staan.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 73 / 113 题