Leerdicht, dierfabel en dier-epos, de berijmde novelle, het lied--dat
waren de wegen in het rijk der literatuur, waarop wij de gemeentenaren
in de 13de eeuw hebben aangetroffen. Op die wegen vinden wij hen ook in
deze volgende eeuw, doch hoeveel verder zijn zij daarop gevorderd.
De hoogere ontwikkeling die de burgerij in hare voortbrengselen van
dezen tijd toont, had zij zeker voor een deel te danken aan den omgang
met en het voorbeeld van adel en geestelijkheid. Den invloed dier beide
standen zullen wij dan ook op meer dan één plaats in de poëzie der
gemeenten aantreffen. Doch tevens zal blijken, dat de burgerij, in den
omgang met de beide overige standen haar geestelijk wezen aanvullend,
ontwikkelend en verfijnend, daardoor slechts te onafhankelijker
tegenover die beide standen kwam te staan.