TIJDSBEPALING.

De Fransche roman van _Berte aus grans piés_ is door ADENET LE ROI

omstreeks 1275 gedicht, de Mnl. bewerking kan dus hoogstens uit het

laatst der 13de eeuw dagteekenen. (Vgl. _Les Epopées françaises_ III,

7). De Fransche roman van _Le Chevalier au Cygne_, waarop wij hier het

oog hebben, dagteekent uit de 14de eeuw. Zie _Mnl. Ep. Fragm._, bl. 253.

Onze vertaling dus ten minste evenzeer. Over den tijd der vervaardiging

van _Cassamus_ vgl. ed. VERWIJS, Inl. XXVIII; het Fransche gedicht

dagteekent van omstreeks 1312; zie: HOOGSTRA, _Proza-bewerking van het

Leven van Alexander den Groote_, Inl. p. XX; de volledige bewerking der

_Borchgravinne van Vergy_ is van 1315; zie vs. 1119 vlgg; de Fransche

_Lohier et Mallart_ moet uit de 14de eeuw zijn: zie _Mnl. Ep. Fragm._,

bl. 266; de overige werken: _Ogier_, _Malegijs (Maugis d'Aigremont)_,

_Huon de Bordeaux_ behooren in de Fransche literatuur tot het tijdvak

der décadence van de ridderpoëzie (laatst der 13de en aanvang der 14de

eeuw) en moeten dus in hun Dietschen vorm ook tot de 14de eeuw gebracht

worden; trouwens de geest der bewerkingen zelve wijst ons ook naar dien

tijd. Het is ook opmerkelijk, dat b.v. in den _Malegijs_ verscheidene

vreemde woorden voorkomen, die men uitsluitend of vooral in werken der

14e eeuw aantreft, zooals: athoer, bolle, calant, tfaliant, fardeel,

rabat, respons, mastijn en andere op p. 193, 201, 203, 205, 207. De

_Seghelijn van Jeruzalem_ dagteekent van omstreeks 1333-1350 (zie:

Inleiding ed. VERDAM, IV). _Van den Borchgrave van Couchi_ wordt door DE

VRIES m.i. terecht in het tweede vierdedeel der 14de eeuw geplaatst; (zie

_Tijdschr. v. N.T. en L._, VII, 129-131). De roman _van Valentijn en

Nameloos_ vertoont in opzet, samenstelling en bewerking zooveel

overeenkomst met de hierboven genoemde, dat ik meen hem tegelijk met de

overige hier te moeten behandelen.

[1] no. 1 afgedrukt achter MOLTZER'S _Floris ende Blancefloer_, bl. 131

vlgg., no. 2 in _Mnl. Ep. Fragm._, XIII; no. 3 uitg. VERWIJS in: _Bibl.

van Mnl. Lett._, 2e afl.; no. 4 _Mnl. Ep. Fragm._ en _Tijdschr. v. N.T.

en L._, XII, 241 vlgg.; no. 5 uitg. STOETT in: _Klassiek Lett.

Pantheon_. (Zutphen. W.J. THIEME EN Co).

[2] Ik bediende mij voor no. 1 van de uitgave door MATTHES in _Taal- en

Letterbode_, VI, 241 vlgg.; no. 2: _Madelghijs' Kintsheit_ ed. N. DE

PAUW; nieuwe fragmenten in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XV en XX en

_Romania_, 1897; no. 3-4 in _Mnl. Ep. Fragm._, XI-XII; nieuwe fragmenten

in _Tijdschr._, XVII en XI (daarbij te verg. XI, 229 vlgg.).

[3] De _Couchi_ is uitgeg. door DE VRIES in: _Tijdschr. v. N.T. en L._,

VII, 97-250. DE VRIES hield dit werk voor eene vertaling uit het Fransch

en meende zelfs dat dit "nauwelijks aanwijzing behoefde." Wat hij

aanvoert als grond voor zijne meening, is echter zwak (_Tijdschr._, VII,

124). Alleen de vele hier voorkomende Fransche woorden schijnen grond te

geven; inderdaad kunnen zij dat niet doen; in den _Limborch_,

_Flandrijs_, _Seghelijn_, _Leven van Sint Amand_ en menig ander, _niet_

uit het Fransch vertaald werk van dezen tijd, komen eveneens vele

Fransche woorden voor. Daarentegen wijzen de naam _Masebrouc_ en de

verklaring van dien naam door den dichter (II, 371-374) er op, dat wij

hier een oorspronkelijk Dietsch werk hebben. Ons verhaal behelst eene

gansch andere geschiedenis dan die van den _Châtelain de Coucy_ en

nergens blijkt dat er nog eene andere Fransche bewerking is geweest.

Indien men let op de meerdere zelfstandigheid bij de bewerkers van

ridderromans uit dezen tijd, die blijkt o.a. uit _Limborch_, _Flandrijs_

en _Seghelijn_, ook uit de andere in den tekst genoemde romans; op de

vermenging van verdichting en quasi-historische werkelijkheid, die ook

in den _Limborch_ wordt aangetroffen, en op het didactisch karakter van

het bewuste werk--dan zal men het met voldoenden grond voor een

Nederlandsch werk mogen houden.

Bovendien schijnen nog tot de 14e eeuw te moeten worden gebracht: 1o.

een roman _van Cesar_, uitgeg. door N. DE PAUW in _Mnl. Ged._, III, 530

vlgg., naar het schijnt uit het Fransch vertaald; 2o. een roman _van

Octaviane_, door BOENDALE vermeld in _Der Leken Spieghel_, III, c. 15,

vs. 125.

[4] II, 1681-5; 3017-'9.

[5] _Taal- en Letterbode_, VI, 261.

[6] _Couchi_, II, 248-250; _Seghelijn_, vs. 640-2; 3134 vlgg.; 5934.

[7] _Fragmenten_ (ed. DE PAUW), bl. 69, 71, 75, 81, 85, 129, 133.

[8] In den _Seghelijn_ personages uit de Karel-sage (GAURES en ROHAERT);

vooral de _Flandrijs_ is nagevolgd, zie _Inl._, VI. Den reus GRAPAERT

vinden wij terug in AGRAPART uit den _Huge van Bordeeus_; een visscher

die een hooggeboren kind bij zich neemt, komt voor ook in _Aiol_;

SEGHELIJN leeft in het bosch van vruchten en kruiden (2885-'9) gelijk

PARTONOPEUS; zijn paard wordt hem, terwijl hij ligt te slapen,

ontstolen, zooals Beiaert aan REINOUT. De naam FLORETTE ook in

_Karlmeinet_. De paardenaam Blankaert uit _Loyhier en Malaert_ ook reeds

in _Aubri de Borgengoen_; de naam van het zwaard Scaerdelijn in _Val. en

Nam._ ook reeds in _Aiol_; de dans van betooverde ridders in den

_Malegijs_ ook reeds in den _Lancelot_, I, bl. 109, vs. 122-3; NAMELOOS

heeft een onzichtbaar makenden ring en knots evenals de dwerg SPYËT; de

auteur v.d. _Malegijs_ heeft geput uit _Patricius' Vagevuur_ en den

_Brandaen_ (_Romania_, p. 504). Vgl. voorts _Mnl. Ep. Fragm._, bl. 206,

210, 228. En nog noem ik niet alles.

[9] II, 5203 vlgg. en 6167-'73.

[10] Vgl. vs. 1311 vlgg.; 2100 vlgg.; 2124-'47, 2742-2882; 5837-5903;

3318 vlgg.; 6200 vlgg.

[11] _Couchi_, II, 195-198; _Mal._ (fragm. DE PAUW), bl. 77, vs. 130

vlgg.; 79, vs. 141 vlgg.

[12] Vgl. vs. 182-'5, 202-'5, 4641-'3, 5472-'8, 9792-'4, 10476-'81.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 64 / 113 题