De ontwikkeling van het ridderwezen spiegelt zich af in die der
ridderpoëzie. Voor een deel wordt het oude leven ook hier voortgezet: er
wordt, als vroeger, vertaald uit het Fransch; als vroeger zelfstandige
bewerkingen van in het Fransch bewerkte stoffen gegeven; als vroeger
oorspronkelijke romans--voorzoover daarvan hier sprake kan
zijn--samengesteld. Er is echter verschil op te merken in dit opzicht:
de aanwas van zelfstandigheid onder deze volken openbaart zich hierin,
dat het aantal vertaalde werken geringer is dan dat der zelfstandig
bewerkte.
Vertaald werden de romans: _van Baerte metten breden voeten_, _de Ridder
metten Zwane_, _Cassamus_, _Loyhier ende Malaert_ en _de Borchgravinne
van Vergy_; de laatste zelfs in twee bewerkingen. Van den _Loyhier ende
Malaert_, die waarschijnlijk uit het Fransch vertaald is, kan kan men
echter geen Fransch origineel aanwijzen. Van de twee eerstgenoemde
werken hebben wij slechts onbeteekenende, van de twee volgende grootere
fragmenten over; het laatstgenoemde werk is tot ons gekomen in eene
volledige en eene onvolledige bewerking[1].
Zelfstandige bewerkingen van poëtische stoffen, ook door Fransche
dichters behandeld, doch kwalijk als vertalingen te beschouwen, brengen
ons de romans _van Ogier_, _van Malegijs_, _van Huge van Bordeeus_ en
_van Valentijn en Nameloos_, alle in fragmentarischen toestand tot ons
gekomen. In hoever ook de _Loyhier en Malaert_ tot deze groep kan worden
gebracht, is moeilijk uit te maken, zoolang wij het Fransch origineel
niet bezitten[2].
De romans _Van den borchgrave van Couchi_ en _van Seghelijn van
Jerusalem_ eindelijk mag men onder voorbehoud oorspronkelijke werken
noemen[3].
Het eerste der hier genoemde werken geeft reeds dadelijk een denkbeeld
van hetgeen ons in de overige wacht.
BERTE "metten breden voeten" is de dochter van FLORIS en BLANCEFLEUR en
huwt koning PEPIJN van Frankrijk. Eene dienstmaagd MARGISTE doet hare
dochter ALISTE BERTE'S plaats in het bruiloftsbed innemen. BERTE wordt
na eene valsche beschuldiging ter dood veroordeeld. Zij brengt er het
leven af, zwerft rond in de bosschen, komt bij den "foreestier" SYMON en
blijft daar, totdat zij door den koning wordt teruggevonden en in eere
hersteld. Later wordt zij moeder van KAREL DEN GROOTE. Door dit werk
toont ADENET LE ROI zich in zijn karakter van "remanieur"; aanknoopend
bij een vroeger literair werk eenerzijds, bij de persoonlijkheid van
CHARLEMAGNE anderzijds, tracht hij door eene verwarrende veelheid van
avonturen de aandacht te prikkelen.
LOYHIER, in den roman van dien naam, wordt ons voorgesteld als een zoon
van CHARLEMAGNE. Hij is een middeleeuwsche Don Juan. Op aandringen der
hooge edelen van het hof verbannen, trekt hij met zijn trouwen vriend
MALAERT naar het Oosten, wordt keizer van Constantinopel en beleeft nog
tal van avonturen. De roman van _den Ridder met den Zwaan_ is eene
poging om de eigenlijke geschiedenis van den Zwaanridder HELIAS te
verbinden met die van GODFRIED VAN BOUILLON. De onbeduidende fragmenten,
die wij van de Dietsche bewerking over hebben, verplaatsen ons naar een
schitterende wapenschouwing over GODFRIED'S vazallen, die indruk moest
maken op de toehoorders als op den Sarraceenschen koning CORNUBRANT, die
haar vermomd bijwoont. De _Cassamus_ behelst eene der bewerkingen van de
_Alexander-sage_ en spreekt vooral van hoofschheid en van minne. De
_Borchgravinne van Vergy_ is een bevallig maar droef verhaal van de
liefdesbetrekking tusschen deze edelvrouw en een Bourgondisch ridder, op
wien ook de hertogin van Bourgondië verliefd is. De ijverzuchtige
hertogin brengt eerst de burggravin, daarna den ridder tot zelfmoord en
wordt zelve met den dood gestraft door haren gemaal, die dan als
Tempelridder naar Palestina trekt. Deze berijmde novelle vormt den
overgang tusschen den ridderroman en de riddersproke.
De sage van OGIER, een der dappere "genooten" van KAREL DEN GROOTE, was
hier te lande waarschijnlijk reeds vroeg behandeld. Men mag dat
vermoeden op grond eener vermelding in _Van den Levene ons Heren_ (vs.
10). Doch het is weinig waarschijnlijk dat daar gedoeld wordt op deze
Dietsche bewerking, die niet terug te brengen is tot een der bekende
Fransche bewerkingen. Zoo hebben ook de _Malegijs_, de _Huge van
Bordeeus_ en de _Valentyn en Nameloos_ met de Fransche bewerkingen dier
stoffen weinig meer gemeen dan eenige namen en voorname feiten. MALEGIJS
is de uit den roman van _de Heemskinderen_ bekende toovenaar; HUGE VAN
BORDEEUS: een leenman van CHARLEMAGNE, die onwetend des keizers zoon
doodt, daarvoor gestraft wordt met de opdracht om den baard en vier
tanden van den soudaan van Babyion te gaan halen en allerlei avonturen
gelukkig te boven komt door hulp van den tooverkoning OBERON. _Valentyn
en Nameloos_ behelst eene bewerking der zelfde sage, die in het latere
Fransche volksboek van VALENTIJN en OURSON wordt gevonden: de talrijke
bonte avonturen van een broederpaar, jong gescheiden, waarvan de een
door eene berin (wolvin) gezoogd is en door den ander, een volmaakt
ridder, overwonnen wordt, waarna zij als wapenbroeders de wereld
rondtrekken. VALENTIJN wordt ten slotte koning van Frankrijk, NAMELOOS
koning van Hongarije.
Het verhaal _van den Borchgrave van Couchi_ behandelt voornamelijk
COUCHI'S liefde tot BEATRIJS, echtgenoote van den Heer van Famweel en
zijn strijd met den bastaard MASEBROUC om het land van Ardennen. Meer
dan eens ook worden wij verplaatst aan het hof van koning KAREL DEN
KALE, tot wiens vazallen COUCHI behoort.
SEGHELIJN van Jeruzalem eindelijk is de zoon van een heidensch vorst;
zijne moeder heet BLANSEFLEUR. Hij wordt opgevoed door een visscher,
helpt CONSTANTIJN DEN GROOTE de overwinning behalen, huwt diens dochter
FLORETTE, wordt keizer van Rome en later paus. Vóór dien tijd heeft hij
de gelegenheid waargenomen bij zeven koninginnen de latere zeven vroeden
van Rome te verwekken; op deze wijze--natuurlijker en eenvoudiger kon
het niet!--heeft de dichter, zekere LOY LATEWAERT, zijn werk verbonden
met den naar de Zeven Vroeden genoemden roman.
Vergelijken wij deze ridderpoëzie met die uit ons Eerste Boek, dan
blijkt wel dat wij van verval mogen spreken.
Daar was nog gevoel voor het ridderwezen in zijn idealisme, zijn
heroïsme, zijne fijnheid van omgangsvormen; hier is daarvan weinig of
niets over. Zeker, ook het dorperlijke en onaesthetische vertoont zich
daar, doch tegenover die schaduw is er vrij wat licht. Maar hier? Wat is
er geworden van het gevoel voor het ridderwezen, van de ridderlijke
idealen? Ja, er wordt nog gestreden ook tegen de heidenen, maar de
bezieling is verdwenen. Avonturen en nog eens avonturen, wonderen het
een nog wonderbaarlijker dan het andere, moeten dat gemis vergoeden. De
_Limborch_ en de _Flandrijs_, die wij in het Tusschenspel leerden
kennen, mogen in dit opzicht beschouwd worden als schakels tusschen de
oudere en de jongere ridderpoëzie.
Staaltjes van gemis aan ridderlijk gevoel, dorperlijke opvatting, die
wij vroeger slechts hier en daar vonden, zijn hier maar al te rijkelijk
aanwezig. In geen der vroegere werken wordt het ridderwezen door lage
boert en platte grappen zoo naar beneden gehaald en onteerd als hier
niet zelden geschiedt. In het gedicht _van den Grimbergschen Oorlog_ dat
wij in het _Tusschenspel_ even vermeldden, moedigt Heer ARNOUT VAN
OYENBRUGGE de zijnen aan door hen indachtig te maken dat zij in hun
eigen land zijn, de vijand daarentegen op vreemd gebied moet strijden.
Hij bedient zich daarbij van deze vergelijking: een hond durft op zijn
eigen mesthoop veel beter dan een vreemde. Elders in dat gedicht lezen
wij, dat een schild wordt gekloofd als een raap[4]. Den dapperen OGIER
laat men struikelen over erwten, om hem zoo ten val te brengen[5]. In de
_Couchi_ wordt eene veete bij een zwerende puist vergeleken. Ridder
SEGHELIJN zegt van zich zelven:
Ende so ic ben een quade sprute,
So moet die pust breken ute.
Zijn ros Glorifier eet gebraden kapoenen. Als het dan staat te
likkebaarden, zegt zijn meester lachend tot het ros: dat is uwe ouders
nooit gebeurd, maar gij verdient het wel!" Nadat SEGHELIJN vijftien jaar
lang gevangen heeft gezeten op water en brood in een donker hol, doet
God een wonder aan hem: nu ziet hij er weer zoo goed uit, "alsof hij
zich had liggen mesten"[6].
Maar de _Malegijs_ spant hier de kroon.
MALEGIJS doet door zijne tooverkunsten een aantal ridders naakt een
rondedans uitvoeren en later onder groot gelach der omstanders op den
grond tuimelen; de dwerg SPYËT vermaakt zich daar kostelijk mede en
geeft den raad om ze als vogelverschrikkers in het koren te zetten.
MALEGIJS' oom, meester YVERT, lacht als REINAERT: "mi dochte dat ic
spleet". Beyaert, het edele ros der Heemskinderen, wordt door MALEGIJS
voor een kar met wijn gespannen. Dat was erger dan, met molensteenen aan
de pooten, in de Oise verdronken te worden! ROELANT spreekt smalend tot
CHARLEMAGNE over diens "grote coenheide"; gaat gij ons voor in het
gevecht, zegt ROELANT, dan vechten wij mee; maar vlucht gij, dan
vluchten wij ook[7].
Evenals de _Limborch_ en de _Flandrijs_ zijn ook deze werken slechts
voor een gering deel uit het leven ontstaan, doch grootendeels uit
herinneringen aan wat de vervaardigers elders gehoord of gelezen hadden.
De _Seghelijn_ is op-en-top een compilatie; vele bewijzen daarvan zijn
reeds vroeger bekend gemaakt en zij kunnen nog vermeerderd worden; ook
met den _Huge van Bordeeus_ en den _Valentijn en Nameloos_ is dat het
geval. In de overige werken kunnen wij eveneens telkens namen of
toestanden aantreffen die reeds in vroegere werken worden gevonden en
het beroep op "ouden jeesten" in den roman van _Couchi_ begrijpelijk
maken[8].
Doch waarin ook de ridderpoëzie van dezen tijd moge achterstaan bij die
van een vroeger tijdperk, niet in stichtelijkheid. In de onderscheidene
fragmenten van _Valentijn en Nameloos_ en in den _Malegijs_ vertoonen
zich telkens godsdienstige of op godsdienstigheid gelijkende invoegsels.
De voltooier van het gedicht op den Grimbergschen Oorlog betreurt het
zelfs, dat deze strijd gevoerd is tusschen Christenridders: hadden zij
gezamenlijk de Sarracenen bestreden, zegt hij, dan zouden wij hen mogen
prijzen. Aan het slot van zijn werk richt hij tot den edelman, voor wien
het werk bestemd was, een bespiegeling over de broosheid des levens en
een waarschuwing, dat hij rekenschap zal moeten afleggen van zijn doen
en laten[9]. Maar eerst in den _Seghelijn_ viert de stichtelijkheid
hoogtij! Allerlei wonderen worden verricht door onderscheidene
reliquieën van CHRISTUS: den geesel, het "vergulde vat", waar JEZUS
azijn met gal gemengd uit dronk, de doornenkroon en de spijkers van het
kruis. De gebeden zijn hier uitermate lang; andere stichtelijke passages
niet zeldzaam. Als SEGHELIJN honger heeft, daalt een soort manna voor
hem uit den hemel. Op zijn wensch krijgt dat brood daarna den smaak van
een kapoen en later zelfs van wijn. De stichtelijkheid komt hier
gevaarlijk dicht bij het sprookje van "tafeltje dek je"! SEGHELIJN zelf
wordt als een soort van Graalridder voorgesteld: als hij nadert laat een
geesel met vijf knoopen, waarmede JEZUS gegeeseld is, droppels bloed
vallen; zelfs de speer uit de Graal-sage wordt hij waardig gekeurd[10].
Wel strooken met deze begeerte tot stichten de vermaningen en
moralisaties, die in den _Ogier_ zijn gevlochten, en het didactisch
element in dat werk en den _Seghelijn_. In den laatsten roman vinden wij
een tooneel, waar de held door zijne moeder BLENSEFLUER gekust wordt.
Verraders, die de verhouding der koningin tot den jongeling niet kennen,
beschuldigen SEGHELIJN in des konings tegenwoordigheid van ongeoorloofde
verstandhouding met de koningin. "Schurk," zegt SEGHELIJN, "men omhelst
en kust elkander dikwijls in eer en deugd. Wat overigens de kussen
betreft, er zijn vier soorten: "van moeder, van lieve, van peise en van
grieve." Deze scholastieke indeeling en de elders voorkomende "questiën"
met de daarbij behoorende antwoorden verplaatsen ons naar het trivium en
het onderwijs in de dialectiek.
Het geringe gevoel voor de ridderlijke idealen, de neiging tot
stichtelijkheid en didactiek hebben reeds het vermoeden kunnen wekken,
dat de literaire waarde dezer werken niet groot zal zijn. Het
compilatorisch karakter alleen zou voor dat vermoeden te weinig grond
geven; want ook al heeft men dat vastgesteld, dan blijft altijd nog ter
beantwoording deze vraag: Wat hebben de dichters van de door hen
ontleende stoffen gemaakt?
Maar ook op die vraag kan men bezwaarlijk anders antwoorden dan: weinig
moois of verdienstelijks. De _Cassamus_ en vooral de _Borchgravinne van
Vergy_ zijn vloeiend, hier en daar bevallig, vertaald; doch naar het
schijnt hebben deze vertalingen overigens weinig eigens. De meer
zelfstandige werken verheffen zich soms tenauwernood boven het
middelmatige en blijven niet zelden daarbeneden. In den _Couchi_ vindt
men wel eens aardige verzen; zoo b.v. deze:
Daer so hadde een worm ghebeten
Diepe in ziere rosen blat,
So dat nemmermeer dat gat
Conde heelen noch genezen.
In den _Malegijs_, die overigens vooral in den versbouw een ongeoefende
hand verraadt, vindt men hier en daar niet onverdienstelijke
minne-lyriek[11]. Doch over het algemeen is de oogst van het goede of
verdienstelijke uiterst schraal. Hoe zou dat ook anders kunnen zijn,
waar de dichters van de beide minst afhankelijke werken telkens toonen
hoe weinig zij _in_ hun verhaal zijn. Den vervaardiger van den
_Seghelijn_ zien wij telkens het oog afwenden van zijn verhaal en zijne
personages, om het op zijn eigen tijd te richten; gewoonlijk wordt hij
daartoe gedreven door het verlangen om te waarschuwen, te vermanen of te
berispen. Hij handelt dan over de trouweloosheid en de kijfzucht der
vrouwen, de wellustigheid der mannen; ontraadt zijn publiek, een dief
van de galg te bevrijden; hij wekt den dommen mensch op, God te erkennen
in Zijne kracht en Hem steeds te dienen[12]. In den roman _van Couchi_
vinden wij evenzoo b.v. een uitval tegen het ridder worden zonder den
ridderslag; over den ootmoed, die de vrouwen past; eene bespiegeling
over "een crudekijn, heet nijt", in den geest, waarin later WILLEM VAN
HILLEGAERTSBERCH zal spreken "van enen cruut ende hiet selve".
Niet bij toeval komt, aan het eind van dit overzicht der ridderpoëzie in
verval, de naam van een Hollandschen spreker, die de gemeenten
vertegenwoordigt. Die naam is een vingerwijzing naar de dingen die
komen. De ridderschap als instelling had uitgeleefd, maar niet vergeefs
geleefd. Trouw aan den heer; eergevoel, dat geen smet op het blazoen
duldde; vereering der vrouw; toewijding, die met mannenmoed desnoods het
leven op het spel zette, waar een der ridderlijke idealen te verdedigen
viel; begeerte om het leven ook door de kunst schooner en aangenamer te
maken--naar zulke dingen had de ridderschap gestreefd. En al heeft zij
die slechts gedeeltelijk bereikt, al waren hare handelingen dikwijls in
openbaren strijd met hare beginselen, desniettemin hebben die idealen,
door haar voor het eerst verkondigd en voorgestaan, als een zuurdeesem
ook in het leven dezer volken gewerkt en zijn zij dat blijven doen.