Hoofsche lyriek. Geestelijke lyriek. Het volkslied.
VELDEKE'S minneliederen--wij zagen het in een vroeger
hoofdstuk--vertoonen den invloed der Oudfransche lyriek; in hun
Middelhoogduitsch gewaad staan zij volkomen op hunne plaats tusschen de
werken der Minnesinger, omdat immers ook de Duitsche lyriek van minne
zich had ontwikkeld onder den invloed der Fransche. Of HADEWYCH Fransch
en de Fransche lyriek heeft gekend, weten wij niet; woorden als _zeelde_
en _merkaren_ in hare poëzie wijzen eer naar de lyriek der Minnesinger;
doch dat zij de wereldlijke minnepoëzie moet gekend hebben, kan
nauwlijks betwijfeld worden[1].
Het is geen toeval dat VELDEKE en waarschijnlijk ook HADEWYCH tot den
adel behoorden; de erotische lyriek immers, waarop wij het oog hebben,
was _hoofsche_ lyriek, werd vooral door den adel voor den adel gemaakt;
tot den adel behoorden zoowel de Zuidfransche troubadours als de
Hoogduitsche Minnesinger. Een aantal Zuidnederlandsche edelen uit
Brabant, Vlaanderen, het Doorniksche, Artois volgden hun voorbeeld;
onder hen HENDRIK III, hertog van Brabant (± 1260). De Fransche
minnepoëzie dezer Zuidnederlandsche dichters draagt in hoofdzaak
hetzelfde karakter als de overige "lyrique courtoise", die wij reeds in
VELDEKE'S werk leerden kennen; wij vinden hier dezelfde opvatting en
voorstelling der liefde, de geveinsde wanhoop, dezelfde klachten,
hetzelfde smachten, talrijke jeux-parti's (tenzonen) waarin twee
tegenovergestelde meeningen door een paar vrienden verdedigd worden,
vele pastourellen; niet zelden vangt een lied aan met een klein
natuurschetsje, vele dezer stukjes vertoonen een refrein. Zoo klaagt
QUENES DE BETHUNE die blijkbaar ter kruisvaart gereed staat:
Aï, amors, com dure departie,
Me covient faire à perdre la millor
Ki onkes fust amée ne servie;
Deus me ramainst à li, par sa douçor,
Si voirement com j'en part à dolor!
Deus, c'ai je dit! Jà ne m'en part je mie:
Se li cors vait servir Nostre Signor,
Tous li miens cuers remaint en sa baillie.
GUILLAUME DE BETHUNE begint een lied aldus:
Kant li boscage retentist
Dou chant des oisillons en mai
Et la rose el vergier florist,
En icel tens joious et gai,
Lors chanterai de cuer verai,
Car quant li maus d'amer me prist,
El plus haut lieu del mont me mist.
Verderop in dat lied lezen wij:
Douce Dame, quant je vos vi
A celle fois premièrement,
Ne cuidai pas il fust issi
De tout en tout à vo talent;
Por vos languis à esciant,
Et quant n'i puis merci trover,
Bien veul morir por bien amer[2].
Heeft er geen Dietsche minnepoëzie van dezen aard bestaan? Men moet het
wel gaan vermoeden, indien men ziet, dat er meermalen gewag van wordt
gemaakt. In den proloog der _Disticha Catonis_ lezen wij:
Dieghene die in haren sinne
Draghen waerlike [Zijnoot: wereldsche.] minne,
Si maker of riim ende liet.
Dat deze dichter het oog heeft op wereldsche, zinnelijke liefde, blijkt
wel uit hetgeen hij laat volgen: