Daer doen si stomme beesten spreken _Daer doen si simmen speren breken_

wijzen ook daarop. Uit het door mij gecursiveerde vers mag men opmaken,

dat hier sprake is van een fabel of een verhaal waarin een tournooi van

apen wordt beschreven. Zulk een verhaal is, mijns wetens, niet tot ons

gekomen.

[5] T.a.p. I, 96, vs. 69. Vgl. voorts de uitgave van Dr. TE WINKEL.

[6] Aldus versta ik de verzen (vs. 19-20):

Maer merket ende hoert Meer die redene dan die woert.

[7] Vgl. b.v. no. 11, 1-2; 28, 1 vlgg.; 42, 1 vlgg.

[8] De afschrijver voegde hieraan weer een paar onnoodige verzen toe.

[9] Vgl. no. 3; no. 50; no. 30; no. 66. Het Latijn heeft op deze

plaatsen niets van dien aard.

[10] no. VII, XLV, LX, LXII, LXIII. Ook de fabel van den strijd tusschen

den buik en de overige ledematen verplaatst ons buiten de dierenwereld

(LXV).

[11] De vier laatste verzen kunnen, zooals FRANCK opmerkte, onmogelijk

van den oorspronkelijken Nederlandschen bewerker zijn.

Het Latijnsche verhaal heeft op de overeenkomstige plaats slechts het

volgende: "Accepit (aquam) bibit et exinde habiit. Cumque ille videret

feminam pulcram, rediens consolatur eam. Iterum sic fecit et tertio."

Vgl. _Romulus_ (ed. OESTERLEY. Berlin. Weidmannsche Buchhandlung), p.

69, III, 9.

[12] Een zeer goed overzicht van deze stof en de literatuur daarover gaf

Dr. A.J. BOTERMANS in zijn Proefschrift: _Die hystorie van die seven

wijse mannen, van romen._ 1898. De Erven F. BOHN. Haarlem. Hoofdstuk I.

[13] Vgl. daarover: Dr. H.P.B. PLOMP, _De Middelnederlandsche bewerking

van het gedicht van den VII. vroeden van binnen Rome._ (Utrecht. 1899).

[14] I, p. 92.

[15] Vgl. _Esopet_, vs. 51-2:

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 36 / 113 题