AANTEEKENINGEN.

[1] Vgl. voor dit overzicht der Kruistochten vooral MOLL'S _Kerkgesch._,

II, 1, bl. 7 volgg.

[2] Vgl. MAERLANT'S _Spiegh. Historiael_ (edd. DE VRIES en VERWIJS),

III, bl. 366.

[3] MOLL, t.a.p.

[4] Zie I, 1116. Zie ook I, 682-3: "In ebreuschen, in dietschen || In

walschen ende in vriesschen". Vgl. ook _Roman van Torec_, vs. 2556:

"Joncfrouwe, sprecti diets oft walsc?" In den _Rinclus_, vs. 602

_walsch_ en _vriesch_ tegenover elkander gesteld.

[5] Vgl. _Hist. de la langue et de la Littérature française...._ sous la

direction de L. PETIT DE JULEVILLE I, 49 suivv. (o.a. 92, 100-101), 171

en L. SUDRE, _Les sources du Roman de Renart_, p. 341.

[6] Vgl. SCHERER, _Gesch. der D. Lit._, S. 143-4; PIPER,

_Spielmannsdichtung_, II, 299; _Grundriss der German. Phil._, II, 1,

258. Uitgegeven door STEINMEYER in _Z.f.d.A._, 21, Bd. S. 307 flgg.

STEINMEYER gelooft dat de afschrijver aan de taal een Hoogduitsche tint

gegeven heeft.

De bewerker schijnt eene Fransche redactie te hebben gevolgd, waaruit

no. 1 en no. 2 der door ED. DU MÉRIL uitgegevene redactie's zijn

voortgevloeid. De fragmenten komen overeen met ASSENEDE'S bewerking, vs.

2315-3945 en tellen samen 368 verzen; daartusschen zijn echter op vele

plaatsen verzen weggevallen. STEINMEYER'S raming van het geheel (c. 3700

verzen) schijnt mij te hoog: ASSENEDE'S bewerking die veel uitvoeriger

is, telt er slechts 3980.

[7] Dat hij zich "ongheleert ende ongherecht" noemt (I, 186) zal wel

eene uiting van nederigheid zijn. Immers onmiddellijk daarvoor stelt hij

zich zelven tegenover de "ongheleerde luden". Vgl. bovendien het Latijn

in den proloog en eene plaats als II, 944-946.

[8] Zie al het wetenswaardige omtrent VELDEKE samengevat in de Inleiding

tot BEHAGHEL'S _Eneide_. Over VELDEKE'S taal nog te vergelijken wat Prof

J.H. KERN mededeelt in _Museum_ 1900, bl. 213-218. Overigens nog

BORMANS' Inleiding op _Sint Servatius Legende_.

[9] VELDEKE'S bewerking stemt het meest overeen met het leven van S.

SERVAES, dat men vindt in de _Gesta pontificum Tungrensium Trajectensium

et Leodiensium_ in de 10e eeuw samengesteld door den abt HARIGER. Vgl.

over een fragment van een hs. van het eind der 12e eeuw: _Z.f.d.A._, Bd.

27, 146-157. Over een Duitsch leven van S. SERVAES uit ongeveer

denzelfden tijd als VELDEKE'S werk: _Z.f.d.A._, 1845, V, 75 flgg.

[10] Deze Latijnsche passage komt niet voor in HARIGER'S _Gesta_, wel in

de toevoegsels tot dat werk van zekeren AEGIDIUS, een Cistercienser

monnik uit het Klooster van S. Maria aureae vallis. Daar AEGIDIUS echter

omstreeks het midden der 13e eeuw schreef, moet de door VELDEKE

gebruikte _Vite_ ook door HARIGER en AEGIDIUS gebruikt zijn. (Zie

CHAPEAUVILLE'S uitgave van HARIGER en AEGIDIUS). Zoo vinden wij ook de

vergelijking uit I, 271 terug in het oorspronkelijke: ejusmodi nempe

multas tunc temporis provisio divina pro necessitate accenderat faces

etc.

[11] Vgl. I, 1626; II, 674, 1789, 1931.

[12] Vgl. den proloog van Boek I.

[13] Vroeger hield men BENOÎT DE STE. MORE voor den maker. Zie PETIT DE

JULEVILLE a.w. I, 220, en SALVERDA DE GRAVE, _Introduction à une édition

critique du Roman d'Eneas_ ('s-Gravenhage, 1888).

[14] Vgl. BEHAGHEL'S _Einleitung_, CL-CLVI.

[15] Vs. 2708-2741; in het Fransche gedicht vs. 3456-3460.

[16] _Minnesangs Frühling_, p. 62.

Dat VELDEKE'S liederen oorspronkelijk door hem in zijne moedertaal

gedicht zijn, blijkt ook daaruit, dat men ze--in tegenstelling met de

werken der overige Minnesinger--gemakkelijk in gewoon Middelnederlandsch

(daarom nog geen Limburgsch) kan overzetten. Hier b.v.:

van minne comet ons alle goet: die minne maket reinen moet. Wat soude ic

ane minne dan?

[17] Ik kan niet beslissen of het eerste vers gebruikelijk

Middelhoogduitsch is. Misschien heeft eene verwarring met _entfaen_

(ontvangen) plaats gehad en zal men de drie verzen op deze wijze mogen

weergeven:

hoe mochte ic dat voor goet ontfaen, dat hi mi dorperlike bade dat hi mi

moeste ombevaen?

[18] Vgl. M.F., p. 61, 25; 56, 18; 57, 30-32; 60, 32; 61, 10; 58, 17-19.

[19] M.F. 56, 1-6.

Het sijn goede nieuwe maren dat die vogel openbare singen daer men

bloemen siet. tot dien tiden in den jare stonde wel dat men vro ware:

lacen, des en ben ic niet.

[20] M.F. 64, 17-21.

Die vogelen doen ane schijn dat si die bome sien gebloet. haer sanc

maket mi den moet so goet dat ic vro bin ende trurich niet can sijn.

Vgl. voorts nog: M.F. 57, 10-18; 58, 23 vlgg.; 59, 11; 62, 25; 66, 1.

[21] M.F. 57, 5-6.

ic bat hare in der caritaten dat si mi moeste al ombevaen.

Vgl. voorts: 59, 32; 60, 1.

[22] M.F. 65, 21-24.

So wie den vrouwen settet hoede, die doet dat dicke evel staet. wel

menich man draget die roede daer hi sich selven mede slaet.

Vgl. voorts: 65, 11-12; 67, 1-2; 62, 11-22.

[23] M.F. 66, 13-15.

geschiedet [Zijnoot: Misschien in het oorspronkelijk Limburgsch:

_gescege_?]" mi alse den swane die singet alse hi sterven sal, so

verliese ic te vele daer ane.

[24] Vgl. o.a. Episodes uit MAERLANT'S _Historie van Troyen_ door Dr. J.

VERDAM, p. 27-28.

[25] Vgl. BEHAGHEL'S _Einleitung_, S. CLXXXVI flgg.

[26] Uitvoerige mededeelingen over en uiteenzetting dezer poëzie in

PIPER'S _Spielmannspoesie_. Vgl. voorts: _Grundriss_, II, 1, 305 vlgg.

[27] Vgl. _Reinaert_ (ed. MARTIN), GLOSSAR j.v. _Ermenrijc_ en W.

MÜLLER, _Mythologie der deutschen Heldensage_, S. 178.

[28] Vgl. KLEYN'S Catalogus in _Archief voor Ned. Kerkgesch._, II, 147.

[29] Over die tijdsbepaling _Grundriss_, II, 1, p. 310 vlgg. ZARNCKE

houdt het er voor dat B. "um die Mitte des 13. Jahrh." is ontstaan.

(_Das Nibelungen-Lied, Einl._, S. XIV).

[30] Boek II, 115.

[31] _Teuthonista_ (ed. VERDAM), p. 486: "die witte wech des nachtes an

der lucht, den men noempt sent Jacobs wech of ver broenelden strait,

_galaxia_."

[32] Over de redactie die waarschijnlijk tot voorbeeld heeft gestrekt

aan de Nederlandsche bewerking vgl. mijne _Middelned. Epische

Fragmenten_, p. 1-3 en het artikel van Dr. FRANTZEN in _De Gids_, 1889,

I, 29-79.

[33] In mijne uitgave der fragmenten heb ik daaromtrent het een en ander

medegedeeld; Dr. FRANTZEN voegde daaraan vrij wat toe in zijn

voortreffelijk _Gids_-artikel. Sedert heb ik de fragmenten nog eens met

het origineel vergeleken in de uitgave van BARTSCH: _Der Nibelunge Nôt._

(Leipzig. BROCKHAUS, 1870-1880) waarin men ook de varianten der hss.

vindt.

[34] Vgl. _Middelned. Ep. Fragmenten_, bl. 9-32; het genoemde stuk van

Dr. FRANTZEN in _De Gids_ en de uitgave van E. MARTIN in _Quellen und

Forschungen_, 65. Heft.

[35] Vgl. _Mnl. Ep. Fragmenten_, bl. 10.

[36] Volgens de juiste opmerking van Dr. FRANTZEN, t.a.p.

[37] _Sp. Hist._, IIIe Deel, bl. 170, 204.

[38] Vgl. _Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het

Henegouwsche huis_, III, p. 96.

[39] Bij de door Dr. TE WINKEL genoemde literatuur moet gevoegd worden:

1o. de uitgave van het gedicht door Dr. E. BONEBAKKER. (Amsterdam.

Gebroeders BINGER. 1894); 2o. Dr. J. BERGSMA, _Bijdrage tot de

Wordingsgeschiedenis en de critiek der Mnl. Brandaenteksten_; 3o. _Van

Sente Brandane_ in _Tijdschr. v. Ned. T. en L._, VII, 85 vlgg.; 4o.

_Romanische Studiën...._ von ED. BOEHMER, I, 553 flgg. Over de

tijdsbepaling van het Mnd. gedicht te verg. het a.w. van P. PIPER, I,

116. De Middelnederlandsche bewerking is tot ons gekomen in twee

redacties, die van het Hulthemsche en die van het Comburgsche hs. Ook ik

houd de eerste voor de oudste; o.a. omdat het aantal assoneerende rijmen

en het aantal der verzen met slechts drie of twee heffingen er grooter

is dan in het Comburgsche hs.

De beide bewerkingen schijnen, onafhankelijk van elkander, naar

hetzelfde Mnd. voorbeeld gemaakt te zijn.

[40] Vgl. _Van Sente Brandane_ (ed. BONEBAKKER), p. 10.

[41] Vs. 249-251.

[42] Het hier en elders in den _Brandaen_ voorkomende _aerme scaren_

(zie BONEBAKKER'S _Aant._, p. 8) met DE VRIES, VERWIJS, VERDAM e.a. te

veranderen in een door DE VRIES gemaakt Mnl. woord _harmschare_ (straf,

kwelling), dat nergens in de Duitsche redacties voorkomt, schijnt mij

niet alleen onnoodig maar zelfs verkeerd. Het Comb. Hs. dat spreekt van

"keitivegher scaren" had DE VRIES kunnen waarschuwen. De uitdrukking is

op de bewuste plaatsen volkomen goed te verdedigen. MAERLANT spreekt van

"blide scare" voor hemelbewoners; (zie _Stroph. Ged._ edd. FRANCK en

VERDAM, p. 135). Doch wij hebben hier een der niet zeldzame gevallen

waarin de oudere philologie, tegen de overlevering in, en met verwerping

van het voor de hand liggende als te eenvoudig, zich vermeide in de

spelingen van haar critisch vernuft.

[43] Ed. BONEBAKKER, C. 1008, H. 953; C. 1075-1081, H. 1022-1028.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 16 / 113 题