AANTEEKENINGEN.

[1] Deze _Vita Liudgeri_ is uitgegeven in PERTZ _Monumenta G._, II, 404

seqq.

[2] Vgl. P. PIPER, _Die Spielmannsdichtung_, I, 29.

[3] In EGINHARD'S _Vita Caroli Magni_ 29 (PERTZ, _Monum._, II, 458).

"Item barbara et antiquissima carmina, quibus veterum regum actus et

bella canebantur, scripsit memoriaeque mandavit."

En in _Annales Caroli Magni_, V, 545 (PERTZ, _Monum._, I, 276) leest

men:

Quae veterum depromunt praelia regum Barbara mandavit carmina

litterulis.

[4] _Leven van Sint Amand_ (ed. BLOMMAERT), I, 3468; II, 3303.

[5] PIRENNE, _Geschichte Belgiens_, I, 91.

[6] _Bonifacins_ door Dr. J.P. MÜLLER, I, 86.

[7] PIRENNE, t.a.p. I, 86-7.

[8] Vgl. hier als elders BLOK'S _Geschied. v.h. Nederl. Volk_.

[9] Ik heb hier het oog op hetgeen eerst door JONCKBLOET is uiteengezet

en later door TE WINKEL uitgebreid. Ook op COSIJN'S rectorale rede

"_over Angelsaksische Poëzie_" (1899).

[10] COSIJN, t.a.p. bl. 21.

[11] Dr. TE WINKEL, _Gesch. der Ned. Lett._

[12] _Hilde--Gudrun...._ von F. PANZER. Halle a/S. 1901. Ook Prof.

SYMONS, die de _Gudrun_ uitgaf, hecht aan die plaatsnamen niet veel.

[13] Men vindt ze opgesomd o.a. in de werken van JONCKBLOET (I, 33

volgg.) en TE WINKEL (I, 58). Zie voorts de onderscheidene studiën van

Dr. BLÖTE over deze sage, een artikel van G. PARIS in _Romania_, 1901,

en van Mr. L.A.J.W. Baron SLOET in _Versl. en Meded. d. Kon. Akad._,

XII, 253 volgg.

[14] _Sp. Hist._, IV, Partie III, Boek, c. VI en XXII. Zie voorts mijne

_Middelned. Epische Fragmenten_, bl. 250 volgg.

[15] Vgl. _Middelned. Epische Fragmenten_, bl. 255.

[16] PIRENNE, t.a.p. bl. 41-43.

[17] Zie dat alles uitvoeriger medegedeeld in MOLL'S _Kerkgeschiedenis_,

II, 3, bl. 45-55.

[18] Zie den Catalogus der boekerij van Egmond medegedeeld in VAN WIJN'S

_Huiszittend Leeven_ en, in veel beter uitgaaf, in _Archief voor Ned.

Kerkgesch._, II, 147 volgg. door wijlen Prof. KLEYN.

[19] A.W. WYBRANDS, _De Abdij Bloemhof_, bl. 78-79.

[20] MOLL, t.a.p. II, 2, 239.

[21] In het _Itinerarium_ van dien pelgrim, dat ik leerde kennen uit

MATTHAEI _Veteris Aevi Analecta_, II, 26-33 b.v.: "Natales fines et arva

dulcia linquentes" (_Ecl._, I, 3); aan het slot: "et tunc demum quae

passi fuimus periculorum meminisse juvabit" (_Aen._, I, 203). Vgl. ook

de naar klassieke voorbeelden gevolgde beschrijving van den storm op p.

31.

In de Kroniek van ALPERTUS, _De Diversitate Temporum_ (ed. DEDERICH)

o.a.: uit Juvenalis: "Intolerabilius nihil est quam foemina dives."

[22] MOLL, t.a.p. I, 367. Dezelfde gedachte reeds bij HIERONYMUS. Zie

FRANCK en VERDAM in hunne uitgave van MAERLANT'S _Stroph. Gedichten_,

bl. LXXVIII.

[23] Ik maakte bij dit overzicht gebruik vooral van EBERT'S _Allgem.

Geschichte der Literatur des Mittelalters im Abendlande_, van MOLL's

_Kerkgeschiedenis_ en een enkele maal van HOFMAN PEERLKAMP'S _Liber de

vita_ etc.

MILO'S gedichten zijn het best uitgegeven door L. TRAUBE in _Poetae

Latini Aevi Carolini_, III, 557 seqq.

[24] Over deze laatste heiligenlevens vgl. MOLL, I, 367 volgg.

[25] Vgl. over de poëzie van RADBOUD: EBERT, t.a.p. III, 184. H.

PEERLKAMP, p. 11. De _Versus de hirundine_ medegedeeld in _Zeitsch. f.d.

Alt._ N.F. 7, 388 flgg. Zijne Antiphonen op S. Maarten in _Kerkhistor.

Archief_, III, 213 volgg.

[26] Zie voor het medegedeelde MOLL'S _Kerkgesch._, I, 275 volgg. en

ALPERTUS' Kroniek _De Div. Temporum_.

[27] _Der Lobgesang auf den heiligen Anno_ (ed. GOLDMANN), Leipzig und

Altenburg, 1816. Voor verdere bijzonderheden zie men _Grundriss der

Germ. Phil._, II, 1, 251; en PIPER'S _Spielmannsdichtung_, II, 1.

Gedateerd op 1077-'78; door sommigen op 1105-1110.

[28] De Kroniek van ALPERTUS: _De diversitate temporum libri_ II, is van

ongeveer 1022 (ed. DEDERICH, Münster, 1859). Vgl. MOLL, _Kerkgesch._,

II, 2, 343 en BLOK, I, 130. Over de Kroniek van GALBERTUS vgl. RUDOLF

HENNING, _Nibelungen--Studiën._ Strassburg. 1883.

[29] _De Div. Temp._, II, 5.

[30] R. HENNING in het aangehaald werk.

[31] Ik heb mij hier bediend van E. VOIGT'S voortreffelijke uitgave van

den _Ysengrimus_, (Halle a.S., 1884). In zijne _Etude sur l'Ysengrinus_,

(Gand, 1895) komt L. WILLEMS tot eenigszins andere voorstellingen dan

VOIGT. W., stelt den tijd van ontstaan 1151-1152; V.c. 1148. W. gelooft

dat een "flamand gallicant" uit de buurt van Lille de dichter is geweest

en dat deze niet uit de mondelinge overlevering maar uit de verhalen der

trouvères heeft geput. Het eerste is door W. m.i. niet aangetoond; het

tweede is niet te bewijzen. Zie over WILLEMS' boek ook het oordeel van

Dr. J.W. MULLER in _Museum_ (1897) waarmede ik mij in hoofdzaak kan

vereenigen.

[32] VOIGT, _Einl._ LXIII.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 14 / 113 题