I.

De winter.--Bereiding van de wol.--De molen.--Een plan van

Pencroff.--De baleinen.--Waartoe een albatros kan dienen.--De

brandstof der toekomst.--Top en Jup.--Stormen.--Verwoesting

onder het pluimgedierte.--Een uitstapje naar het moeras.--Cyrus

Smith alleen.--Onderzoek van de put.

Met de maand Juni, die in de zuidpoolstreken gelijk staat met onze

maand December, brak de winter aan en de voornaamste bezigheid was

het vervaardigen van ferme, warme kleederen.

De muffeldieren van de kraal waren van hun wol ontdaan, en nu men deze

kostelijke weefbare stof bezat, moest men ze nog slechts bereiden,

om warmer kleederen te verkrijgen.

Het spreekt van zelf dat Cyrus Smith kaarden noch wolkam, glanzer noch

trekker, scheerder noch andere werktuigen had om de wol te spinnen

en geen ramen om ze te weven; hij moest dus op eenvoudiger wijze te

werk gaan om het spinnen en weven te vervangen. Hij stelde zich dan

ook voor gebruik te maken van de eigenschap der wol, die, wanneer men

ze zeer sterk perst, alleen door het in elkander warren zich hecht,

een geheel uitmaakt en de stof vormt, welke men vilt noemt. Dit vilt

kon men dus verkrijgen door de wol samen te drukken, een bewerking,

die wel is waar veel van de lenigheid doet verloren gaan, maar de

eigenschap van de warmte te behouden zeer vermeerdert. De wol, die

door de muffeldieren verschaft werd, bestond juist uit die korte haren,

welke voor het vilt zoo geschikt zijn.

De ingenieur begon, bijgestaan door zijn lotgenooten, waaronder

ook Pencroff--deze moest nog eenmaal zijn scheepsarbeid staken!--de

voorafgaande bewerking die leidde tot het zuiveren van de wol van

die vette, olieachtige bestanddeelen, waarvan zij doortrokken is

en die men wolvet noemt. Deze ontvetting had plaats in kuipen, die

met water, van een temperatuur van zeventig graden, gevuld waren, en

waarin men de wol gedurende vier en twintig uur laat staan; zij wordt

vervolgens ten tweeden male gewasschen in soda-water. Toen de wol

eindelijk genoegzaam door persing gedroogd was, was zij in staat om

gevuld te worden, dat is te zeggen, er een vaste stof van te maken,

die wel is waar grof was en voor de Europeesche en Amerikaansche

beschaving van geen waarde zou zijn, maar die op de markt van het

eiland Lincoln een grooten aftrek had.

Men begrijpt dat deze stof reeds in de vroegste tijden bekend heeft

moeten zijn, en de eerste kleedingstukken zijn dan ook op dezelfde

wijze vervaardigd als Cyrus Smith nu volgde.

Zijn kennis als ingenieur kwam toen uitmuntend te pas bij het

vervaardigen van de machine om de wol samen te persen, want hij wist

gebruik te maken van de kracht van het water uit de beek, die tot

nog toe niet aangewend was, om een persmolen in beweging te brengen.

De bewerking, door Cyrus Smith geleid, slaagde naar wensch. De wol,

vooraf bestreken met een oplossing van zeep, die eensdeels bestemd

was om het glijden en het zachter worden te bevorderen en anderdeels

om te voorkomen, dat het door het stampen uiteengerukt werd, kwam

uit den molen te voorschijn in den vorm van een dik vilten kleed.

De oneffenheden, die aan de wolvezels eigen zijn, hadden zich zoo

goed gehecht en geward dat zij een effen stof vormden waarvan men

kleederen en dekens maken kon. Het was wel is waar noch merinos,

noch neteldoek, noch cachemir, noch rips, noch satijn, noch alpaca,

noch laken, noch flanel maar het was "Lincolnsch vilt" en het eiland

Lincoln telde een industrie meer.

De kolonisten hadden nu goede kleederen en dikke dekens en konden

zonder vrees den winter van 1866-67 te gemoet gaan.

Tegen den 20sten Juni deed zich dan ook reeds de groote koude gevoelen

en Pencroff moest tot zijn spijt het bouwen van zijn schip staken,

dat nochtans voor de volgende lente gereed zou zijn.

Het vaste plan van den zeeman was een ontdekkingstocht naar het

eiland Tabor te doen, hoewel Cyrus Smith niet vóór deze reis was,

die geheel uit nieuwsgierigheid zou geschieden, want er was immers

toch geen hulp te vinden op die verlaten, onvruchtbare rots. Een

reis van honderd vijftig mijlen, op een betrekkelijk klein schip,

door onbekende stroomen, moest hem wel eenige vrees inboezemen. Wat

zou er van hen worden te midden van die Stille Zee, waarop zoo menig

schip verging, wanneer hun vaartuig in het volle sop was, Tabor niet

kon bereiken en evenmin naar het eiland Lincoln kon terugkeeren?

Cyrus Smith sprak dikwijls met Pencroff over dit plan en hij vond

bij hem een zonderlinge hardnekkigheid om deze reis te maken, een

hardnekkigheid, waarvan hij zichzelf misschien niet bewust was.

"Beste vriend, ik moet je toch eens doen opmerken," zeide de ingenieur

op een morgen tot hem, "dat gij, na zooveel goed van het eiland Lincoln

gezegd te hebben en zoo dikwijls te hebben verklaard dat het u spijten

zou dit eiland te verlaten, nu de eerste zijt die het verlaten wilt."

"Slechts voor eenige dagen verlaten," antwoordde Pencroff, "voor eenige

dagen slechts, mijnheer Cyrus! De tijd om te gaan en terug te komen,

en te zien wat dat voor een eiland is."

"Maar het kan niet zoo goed zijn als het eiland Lincoln!"

"Daar ben ik van overtuigd!"

"Waarom u dan zoo bloot te stellen!"

"Om te weten wat er op Tabor voorvalt."

"Maar er valt niets voor! er kan niets voorvallen!"

"Wie weet?"

"En indien gij door storm overvallen wordt!"

"Die is in het goede jaargetijde niet te vreezen!" antwoordde

Pencroff. "Maar mijnheer Cyrus, daar men steeds op het ergste moet

bedacht zijn, zal ik uw toestemming vragen om slechts Harbert met

mij op die reis mede te nemen."

"Pencroff," antwoordde de ingenieur, terwijl hij zijn hand op den

schouder van den zeeman legde, "wanneer u of dit kind, dat het toeval

tot onzen zoon gemaakt heeft, een ongeluk overkwam, gelooft gij dat

wij er ons ooit over zouden troosten?"

"Mijnheer Cyrus," antwoordde Pencroff vol vertrouwen, "wij zullen

u dat verdriet niet berokkenen. Wij zullen nog wel eens nader over

deze reis spreken, wanneer de tijd daartoe gekomen is. Ik stel mij

overigens voor, dat wanneer gij ons schip geheel gereed en opgetuigd

zult gezien hebben, wanneer gij bemerkt hebt hoe flink het zee bouwt,

wanneer wij ons eiland omgezeild zullen hebben--want dat zullen

wij te zamen doen--dan stel ik mij voor, zeg ik, dat gij niet zult

aarzelen om mij te laten vertrekken! Ik zeg niet eens dat uw schip

een prachtstuk zal zijn!"

"Laten wij ten minste zeggen: ons schip, Pencroff!" antwoordde de

ingenieur, die voor het oogenblik ontwapend was.

Dit gesprek eindigde toen om eenigen tijd later weder te beginnen

zonder den zeeman noch den ingenieur te overtuigen.

Op het einde van Juni begon de sneeuw te vallen. De kraal was van te

voren van alles ruim voorzien en eischte niet dat men er dagelijks

heen ging, maar men besloot nooit een week te laten voorbijgaan zonder

ze te bezoeken.

De vallen werden opnieuw gezet en men beproefde de toestellen, door

Cyrus Smith vervaardigd. De gebogen baleinen, door een buis van ijs

omsloten en onder een dikke laag vet verborgen, werden aan den zoom

van het bosch gelegd op de plaats waar de dieren in troepen voorbij

kwamen om naar het meer te gaan.

Tot groote voldoening van den ingenieur slaagde deze uitvinding

uitmuntend. Een twaalftal vossen, eenige wilde zwijnen, en zelfs een

jaguar werden gevangen en men vond ze dood en de maag doorboord van

de ontdooide baleinen.

Er werd thans een poging gedaan, die verdient vermeld te worden,

omdat het de eerste was welke door de kolonisten gedaan werd om met

hun medemenschen in betrekking te komen.

Gideon Spilett had er reeds verscheidene malen aan gedacht om,

hetzij in een flesch het bericht te sluiten en die aan de golven

toe te vertrouwen in de hoop dat de golven haar op een bewoonde kust

zouden werpen, of wel duiven er mede te belasten. Maar hoe kon men

hopen dat duiven of een flesch den afstand zouden afleggen die het

eiland van elk land scheidde en twaalfhonderd mijlen bedroeg? Dat

ware een dwaasheid geweest.

Maar den 30sten Juni ving men, niet zonder moeite, een reiger die door

een geweerschot van Harbert licht aan zijn poot gewond was. Het was een

prachtige vogel van die soort hoogvliegers, waarvan de vlucht tien voet

bedroeg en die zeeën even breed als de Stille Zee kunnen oversteken.

Harbert had gaarne dien prachtigen vogel, wiens wond spoedig genas,

willen behouden en tam maken, maar Gideon Spilett bracht hem aan

het verstand, dat men de gelegenheid, om door dien koerier bericht

te geven aan een der vastelanden aan de Stille Zee, niet mocht laten

voorbijgaan, en Harbert moest toegeven, want indien de stormvogel uit

bewoonde streken was gekomen, zou hij er voorzeker weder terugkeeren

wanneer hij in vrijheid gesteld was.

Mogelijk speet het Gideon Spilett niet, bij wien de reporter nu en

dan boven kwam, om op goed geluk af een boeiend artikel betreffende de

lotgevallen van de kolonisten op het eiland Lincoln af te zenden! Welk

een succes voor den correspondent van den _New-York-Herald_ en voor

het nommer, waarin het verslag zou gedrukt staan, indien het ooit

aan het adres mocht terecht komen van zijn directeur, den bekenden

John Bennett!

Gideon Spilett stelde een beknopt verslag op, dat in een geolieden

linnen zak werd gesloten, met het dringende verzoek, aan dengeen,

die het mocht vinden, het te doen toekomen aan het bureel van den

_New-York-Herald_. Dit pakje werd aan den hals van den stormvogel

gebonden, en niet aan zijn poot, want deze vogels hebben de gewoonte om

op de oppervlakte van de zee te rusten; vervolgens werd dien vluggen

koerier de vrijheid gegeven, en niet zonder eenige aandoening zagen

de kolonisten hem in de nevels van het westen verdwijnen.

"Waar gaat hij thans heen?" vroeg Pencroff.

"Naar Nieuw-Zeeland," antwoordde Harbert.

"Goede reis!" riep de zeeman uit, die, wat hem betreft, niet veel

van deze nieuwe soort correspondentie verwachtte.

Met den winter was ook de arbeid binnen het Rotshuis weder begonnen,

het verstellen der kleederen, het maken van de noodige nieuwe en

onder anderen ook het vervaardigen der zeilen voor het schip, die

uit den reusachtigen ballon gemaakt werden.

Gedurende de maand Juni was het vinnig koud, maar men spaarde hout

noch steenkolen. Cyrus Smith had een tweeden schoorsteen gebouwd in

de groote zaal, en daar bracht men de lange avonden door. Onder het

werken praatte men en in de vrije uren werd er gewoonlijk gelezen;

de tijd snelde voorbij.

Het was een waar genot voor de kolonisten om, 's avonds na een

diné, wanneer zij, in de helder verlichte en goed verwarmde zaal

zaten, met een warme kop koffie en onder het rooken van een pijp,

den storm daar buiten hoorden loeien! Zij zouden volmaakt gelukkig

zijn geweest, indien dit mogelijk geweest ware voor hen, die, ver

van hun medemenschen verwijderd, met dezen geen gemeenschap konden

hebben! Zij spraken altijd over hun vaderland, over de vrienden die zij

achter gelaten hadden, over de grootheid der Amerikaansche republiek,

waarvan de macht steeds moest vermeerderen, en Cyrus Smith, die zeer

van nabij betrokken was geweest bij de politieke zaken der Unie,

boezemde zijn hoorders groot belang er voor in door zijn verhalen,

opmerkingen en voorspellingen.

Gideon Spilett vroeg eens met betrekking daartoe aan hem:

"Maar, mijn waarde Cyrus, loopt deze vooruitgang op het gebied van

handel en nijverheid, waaraan gij zulk een groote toekomst voorspelt,

geen gevaar om vroeg of laat geheel gestaakt te worden?"

"Gestaakt? En waardoor?"

"Maar door gebrek aan die kolen, die men terecht de kostbaarste

delfstof kan noemen!"

"Ja, wel de kostbaarste," antwoordde de ingenieur, "en het schijnt

dat de natuur er het bewijs van heeft willen geven, door den diamant

voort te brengen, die slechts zuiver gekristalliseerde kool is."

"Gij wilt toch niet beweren, mijnheer Cyrus, dat men diamant kan

branden in plaats van steenkolen om ovens te verwarmen?"

"Neen, Pencroff," antwoordde Cyrus Smith.

"Toch beweer ik dit," hernam Gideon Spilett. "Gij ontkent toch niet

dat de bron van steenkolen eenmaal geheel uitgeput zal zijn?"

"O! er zijn nog een menigte kolenlagen en de honderd duizend arbeiders,

die er jaarlijks honderd millioen quintalen uit putten, zijn nog niet

aan het eind."

"Met het toenemend verbruik van steenkolen," antwoordde Gideon Spilett,

"kan men voorzien dat die honderd duizend arbeiders weldra twee honderd

duizend zullen zijn en de opbrengst tweemaal grooter zal worden."

"Zeker; maar na de kolenlagen van Europa, waarin nieuwe werktuigen

weldra nog dieper zullen dringen, zullen de steenkool-aderen van

Amerika en Australië nog langen tijd voorraad verschaffen aan de

behoefte der nijverheid."

"Hoe lang?" vroeg de reporter.

"Minstens twee honderd vijftig of drie honderd jaar."

"Dat is voor ons voldoende," antwoordde Pencroff, "maar verontrustend

voor onze achter-kleinkinderen!"

"Men zal dan iets anders vinden," zeide Harbert.

"Men moet het hopen," antwoordde Gideon Spilett, "want zonder

steenkolen geen machines, zonder machines geen spoorwegen, geen

stoombooten, geen fabrieken, niets van dat alles, dat door den

vooruitgang van den tegenwoordigen tijd vereischt wordt!"

"Maar wat zal men dan gebruiken?" vroeg Pencroff. "Kunt gij het u

voorstellen, mijnheer Cyrus?"

"Ten naasten bij, mijn vriend."

"Wat zal men dan in plaats van steenkolen branden?"

"Water," antwoordde Cyrus Smith.

"Water!" riep Pencroff uit. "Water om stoombooten en locomotieven te

stoken. Water om water te verwarmen!"

"Ja, maar water dat in zijn bestanddeelen ontbonden is," antwoordde

Cyrus Smith, "en waarschijnlijk ontbonden door electriciteit,

die dan een groote en leidbare kracht zal zijn geworden, want alle

groote ontdekkingen schijnen door een onverklaarbare wet, op het

geschikte oogenblik te komen en volmaakt te worden. Ja, vrienden,

ik geloof dat het water eenmaal tot brandstof zal dienen, dat

waterstof en zuurstof, waaruit het bestaat, alleen of verbonden,

een onuitputtelijke bron van warmte en licht zullen verschaffen,

van grooter kracht dan steenkolen. Niets is dus te vreezen. Zoolang

deze aarde bewoond zal zijn, zal zij in de behoefte van hare bewoners

voorzien en het zal hun nooit aan licht noch warmte ontbreken, evenmin

als het hun zal ontbreken aan voortbrengselen van het planten-, dieren-

of delfstoffenrijk. Ik geloof dus dat, wanneer de kolenlagen uitgeput

zullen zijn, men water zal stoken en er zich mede verwarmen. Het

water is de steenkool der toekomst!"

"Dat zou ik wel eens willen beleven," zeide de zeeman.

"Gij zijt te vroeg opgestaan, Pencroff," antwoordde Nab, die slechts

door een dergelijk gezegde aan het gesprek deel nam.

Het waren echter niet de woorden van Nab, die het gesprek afbraken,

maar het blaffen van Top, die weder op dezelfde zonderlinge wijze

jankte, waarop reeds meermalen de aandacht van den ingenieur gevallen

was. Top draaide ter zelfder tijd om de opening van den put heen.

"Waarom blaft Top toch zoo?" vroeg Pencroff.

"En waarom bromt Jup zoo?" voegde Harbert er bij.

De aap had zich inderdaad bij den hond gevoegd en legde zeer duidelijk

zijn onrust aan den dag en, wat vooral merkwaardig was, de beide

dieren schenen eer ongerust dan nijdig.

"Het is zeer duidelijk," merkte Gideon Spilett op, "dat deze put

onmiddellijk in verband staat met de zee en dat het een of andere

zeemonster van tijd tot tijd aan den bodem van den put verschijnt."

"Zeer duidelijk," antwoordde de zeeman, "er is geen andere uitlegging

aan te geven...."

"Stil, Top," voegde Pencroff er bij, "en Jup naar je kamer!"

De aap en de hond zwegen. Jup ging slapen, maar Top bleef in de kamer

en liet den geheelen avond zijn dof gebrom hooren.

Er werd niet meer over het voorval gesproken, maar blijkbaar was de

ingenieur er geheel mede vervuld.

Het bleef de maand Juli regenachtig en koud. De temperatuur daalde

niet zoo sterk als den vorigen winter en het laagste was acht graden

Fahrenheit, maar was het dien winter al minder koud, de stormen en

windvlagen waren heviger.

Gedurende die stormen was het moeielijk zich op de wegen van het eiland

te wagen, zelfs gevaarlijk, want er vielen onophoudelijk boomen. De

kolonisten lieten echter nooit een week voorbijgaan zonder de kraal te

bezoeken. Gelukkig werd deze door den berg Franklin beschut en leed

zij weinig van de stormen. Het pluimgedierte op de bergvlakte was

echter minder veilig, daar het blootgesteld was aan den oostenwind;

het dak van de duiventil werd afgerukt door een windvlaag en een

muur neergeslagen. Alles moest hersteld worden, maar steviger, want

men zag wel in, dat Lincoln in een van de meest woeste streken der

Stille Zee gelegen was.

In de eerste week van Augustus bedaarde de storm en de dampkring

herkreeg die kalmte, welke zij voor altijd scheen verloren te

hebben. De temperatuur werd echter tegelijkertijd lager, het werd

vinnig koud en de thermometer wees acht graden onder nul.

Op den 3den Augustus ondernam men een tocht, waarvan reeds lang sprake

was geweest, naar het zuidoosten van het eiland. Een groot aantal

watervogels, die daar hun winterverblijf hielden, lokten de jagers

tot de jacht uit, en men besloot daar een geheelen dag aan te geven.

Niet alleen Gideon Spilett en Harbert, maar ook Pencroff en Nab

namen aan den tocht deel. Cyrus Smith was alleen thuis gebleven,

onder voorwendsel van werk en voegde zich niet bij hen; hij bleef in

het Rotshuis achter.

Zoodra de jagers met Top en Jup over de brug van de Mercy waren,

trok de ingenieur haar op en keerde terug, met het voornemen om een

plan ten uitvoer te brengen, waarvoor hij alleen wilde zijn.

Dit plan was om nauwkeurig dien onderaardschen put te onderzoeken,

waarvan de opening in het Rotshuis uitkwam, en die met de zee in

verband stond, omdat hij vroeger diende tot uitweg van het water uit

het meer.

Waarom draaide Top zoo dikwijls om deze opening? Waarom liet hij zulk

een zonderling gekef hooren, wanneer zekere onrust hem naar dien put

dreef? Waarom voegde Jup zich bij Top? Had deze put andere vertakkingen

dan de loodrechte gemeenschap met de zee? Ziedaar hetgeen Cyrus Smith

vooreerst slechts wilde weten. Hij had dus besloten, om gedurende de

afwezigheid van zijn lotgenooten, een poging aan te wenden om de put

te onderzoeken en de gelegenheid bood zich er toe aan.

Het was gemakkelijk er in af te dalen door de touwladder te

gebruiken, die geen dienst meer deed en lang genoeg was. Dit deed de

ingenieur. Hij sleepte de ladder naar de opening, waarvan de middellijn

zes voet bedroeg, liet haar afzakken na ze vooraf van boven stevig

vastgemaakt te hebben. Hij daalde de eerste treden van de ladder af

nadat hij een lantaarn aangestoken had en tot wapens een revolver en

een kort mes bij zich had gestoken.

De muur was overal vlak; maar van afstand tot afstand staken eenige

rotsblokken uit en door middel van deze blokken kon het een vlug en

behendig man inderdaad gelukt zijn tot aan de opening van den put

te klimmen.

Dit merkte de ingenieur op; hij bekeek met zijn lantaarn elke rotspunt,

maar zag geen enkel spoor, geen indruk, waaruit men zou kunnen opmaken

dat ze in vroeger of later tijd tot trap hadden gediend.

Cyrus Smith daalde dieper af en liet zijn lantaarn overal rondgaan.

Hij zag niets dat hem verdacht voorkwam.

Toen de ingenieur op de laatste sport stond raakte hij de oppervlakte

van het water, dat toen volkomen kalm was; noch op den bodem noch

in een ander gedeelte van den put bevond zich een pad. De muur,

waartegen Cyrus Smith met het heft van zijn mes sloeg klonk dof. De

vraag waar dit kanaal uitkwam, aan welke zijde van de kust en hoe

diep onder het vlak der zee, kon niet beantwoord worden.

Cyrus Smith had zijn onderzoek volbracht, klom naar boven, trok de

ladder op, bedekte de opening van den put en keerde, in gedachten

verzonken, naar de groote zaal van het Rotshuis terug, bij zich

zelven mompelende:

"Ik heb niets gezien, en toch is er iets!"

Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene · 第 5 / 37 题