Na ’t garneersel der japon van Helène gezien te hebben, waar

DE ERFENIS EENER MOEDER

VAN

P. J. ANDRIESSEN

Geïllustreerd door E. S. WITKAMP Jr.

DERDE DRUK

AMSTERDAM

H. J. W. BECHT

VOORBERICHT.

Afwisseling van spijs doet eten. Het werkje, hetwelk ik hier aan ons

jeugdig publiek aanbied, is noch op historisch, noch op geographisch of

letterkundig gebied; het is op dat der phantasie. En waarom mag, in

onzen practischen tijd, ook niet de phantasie van tijd tot tijd eens

tot haar recht komen? Phantastisch is het daarom niet; ’t is een

eenvoudige familiegeschiedenis, waarin groote sprongen noch vreeselijke

gebeurtenissen voorvallen; maar waarin de erfenis eener gestorvene

moeder een groote rol speelt, een rol, die zeker wel in staat is, om

den leeslust van lezeressen en lezers te prikkelen. Want ik schreef het

boekje zoo voor meisjes als voor jongens.

Ik twijfel niet, of ook dit werkje zal eene goede ontvangst genieten en

vele lezeressen en lezers vinden. Dat er een algemeen zedelijke

strekking in is, behoef ik niet te verzekeren. Te schrijven alleen om

te vermaken, is mijn gewoonte niet. Ik zou mij den tijd, daaraan

besteed, zeker beklagen; nuttig voor de Nederlandsche jeugd te zijn is

steeds mijn hoogste doel.

Met aanbeveling van mijn arbeid aan allen, wien de opvoeding en ’t

onderwijs der Nederlandsche jeugd zijn toevertrouwd, zend ik deze

„Erfenis eener Moeder” de wereld in.

Amsterdam, 1877.

P. J. ANDRIESSEN.

BERICHT VOOR DEN TWEEDEN DRUK.

Dat de schrijver zijn hoogste doel, nuttig voor de Nederlandsche jeugd

te zijn, geheel bereikt heeft, wie zal ’t betwijfelen?

Duizende exemplaren toch, worden jaarlijks van zijn verschillende

boeken nog voor die jeugd gekocht, ter belooning van—en ter opwekking

tot het goede.

Amsterdam, 1893.

DE UITGEVER.

BERICHT VOOR DEN DERDEN DRUK.

„Duizende exemplaren worden nog jaarlijks van Andriessen’s boeken

verkocht”—zoo vermeldde het „Bericht voor den Tweeden Druk”. Het noodig

zijn van een Derden Druk bewijst wel, dat Andriessen nog steeds

onvergetelijk blijft voor de Nederlandsche jeugd.

Amsterdam, 1902.

DE UITGEVER.

EERSTE HOOFDSTUK.

EEN DAG NAAR BUITEN.

„Ik vind het laf van je, dat je niet meedoet, Ernst. Wat moeten de

andere jongens er van denken?”

„Laat ze er van denken wat ze willen. Wat gaat mij dat aan!” antwoordde

Ernst. „Ik kan ’t nu eenmaal niet betalen, en daarmee basta!”

„Maar ik wil je ’t geld leenen, Ernst. Dat heb ik je nu al driemaal

gezegd, en ’t komt er volstrekt niet op aan, wanneer ik het terugkrijg.

Je weet het, pa is rijk; ik heb maar te spreken of er over te

schrijven, en hij zendt me een postwissel voor ’t geen ik hem vraag.”

„Juist Rudolf,” antwoordde Ernst. „Jouw vader is rijk, schatrijk

misschien, en daarom heb je volkomen gelijk, dat je royaal meedoet.

Maar de mijne is arm en ’t kost hem al opoffering genoeg, om mij hier

te laten, en mij ’t weinige zakgeld te geven, dat hij mij zendt. Als ik

dus die vijf gulden van je leende, zou ik ze je niet kunnen teruggeven,

of....”

„Wat het teruggeven aangaat; daarover behoef je je niet eens te

bekommeren,” viel Rudolf hem gul in de rede. „Al is dat over een

halfjaar, over een jaar—ja, al is ’t ook nooit: ’t komt er niet op

aan.”

„Zoo, zoo!” riep Ernst. „Gelukkig, Rudolf, dat we elkander kennen.

Wanneer ’t een ander was die me dit zei, zou ik heel beleedigd zijn.

Iets te leenen, waarvan je al vooraf weet, dat je ’t niet kan

teruggeven, is in mijn oog net zoo goed als diefstal. Daarenboven, pa

heeft mij altijd ingeprent om, wat er ook gebeurt, nooit van iemand

geld te leenen. Als je geld leent, zegt hij altijd, is het, alsof je

tweemaal betaalt: want je beschouwt het geleende als je eigendom en

betaalt er mee wat je er voor hebben wilt; later moet je ’t geld

weeromgeven, en dan is ’t je alsof je het voor de tweede maal uitgeeft.

Daarenboven zegt ’t Fransche spreekwoord niet te vergeefs: qui donne à

crédit, perd son bien et son ami; want de meeste menschen zijn erg

boos, wanneer iemand, die hun iets geleend heeft, het geleende

terugvraagt.”

„Maar als ik ’t je nu present wil doen....”

„Geen woord meer, als je wilt, dat we vrienden blijven,” hernam Ernst

op min of meer trotschen toon. „Dat pa arm is, kan ik niet helpen en

daar schaam ik mij ook niet over, maar als ik weldaden aannam, al was

’t ook van jou, zou ik reden hebben me over me zelf te schamen, en ik

zou den eerlijken naam van mijn braven vader bevlekken, die ’t mij

nooit zou vergeven, dat ik mij zoo laag had aangesteld.”

„In vredesnaam dan, Ernst,” antwoordde Rudolf, eenigszins knorrig en

teleurgesteld. „Intusschen kun je er op rekenen, dat je door je

weigering me de helft van mijn pleizier ontrooft—ja.... ik heb in de

heele zaak nu geen pret meer, nu jij niet van de partij zult zijn.”

„Dwaasheid, kerel,” hervatte Ernst lachend. „Als je eenmaal in de pret

bent, zul je mij wel vergeten. Maar toch,” vervolgde hij op hartelijken

toon, „dank voor je aanbod. Wanneer ik ’t niet al wist, zou ik er uit

leeren, dat je een waar vriend bent. Ik ben trotsch op zulk een

edelmoedigen, onbaatzuchtigen vriend!”

Hoe knorrig Rudolf ook op den onverzettelijken knaap was, deze laatste

woorden ontwapenden geheel en al zijn toorn: hij nam de hem aangeboden

hand aan, drukte die hartelijk en zei:

„Je bent een kopstuk, Ernst. Maar ’t zij zoo. Ik moet je principes

eerbiedigen.”

Mijn lezeressen en lezers zullen waarschijnlijk belang genoeg in onze

beide jongens stellen, om iets meer van hen te vernemen. En ik wil aan

hun nieuwsgierigheid voldoen en hun terstond wat van de twee sprekenden

mededeelen.

Rudolf Nederhorst was de oudste zoon van een rijk koopman in Amsterdam.

Ofschoon van zijn jeugd af aan in rijkdom en weelde grootgebracht, had

hij echter zijn studiën niet verzuimd, en was vrij ver in alles wat men

op zijn jaren—hij was in zijn zestiende—kennen moet. Hij was dan ook,

ofschoon hij de oogappel van zijn vader was, niet verwend, en dat had

hij vooral te danken aan zijn verstandige moeder, die hem wist te

leiden en hem steeds voor oogen had gehouden, dat geld alleen niet

genoeg is, om iemand geacht en bemind te maken; maar dat slechts een

braaf karakter en een ontwikkeld verstand den man van geld den eerbied

van anderen doen verwerven. Gelukkig had Rudolf een helder verstand,

een vlug begrip en een allergelukkigsten aanleg; daarbij liefde tot de

wetenschap en een gepaste eerzucht, die er hem steeds naar deed

streven, om anderen vooruit te komen. Vier jaar geleden, toen hij elf

jaren oud was, had zijn vader hem, op aandrang van zijn moeder, naar

een der beste kostscholen van ’t land gestuurd; want mevrouw Nederhorst

was bevreesd, dat haar man, zonder dat hij ’t wilde, den knaap zou

bederven, en daarom had ze ’t noodig geoordeeld hem onder de leiding

van een vreemde te geven, die beter de gebreken van haar Rudolf zou

zien en bestrijden dan de vader, die geen kwaad in zijn jongen kon zien

en blind was voor ’t geen er verkeerds in ’t karakter van zijn zoon

was.

Ofschoon Rudolf Nederhorst met al de jongens op de school perfect kon

omgaan, daar de meesten den vroolijken, levenslustigen knaap graag

mochten, die, hoe vlug hij ook leerde en hoe hij hun daarin dikwijls de

loef afstak, bij spel en pret, ja bij ’t kattenkwaad dat zij soms

uitvoerden, steeds een trouwe en ferme makker was—had hij zich toch

bijzonder gehecht aan Ernst van Hogenberghe, den zoon van den kapitein

der infanterie van dien naam. Daar kapitein Van Hogenberghe, ofschoon

van ouden adel, geen fortuin van zich noch van de zijde zijner vrouw en

daarbij verscheidene kinderen had, kostte ’t hem vrij wat moeite, om in

zijn stand fatsoenlijk rond te komen, en was ’t hem, zooals zijn zoon

zelf zeide, opoffering genoeg, om zijn Ernst op zulk een deftige en

dure kostschool te laten gaan. Zooals we reeds zagen, bezat Ernst van

Hogenberghe al heel weinig adeltrots, maar fierheid van karakter

genoeg, om zich niet over de bekrompen omstandigheden van van zijn

vader te schamen, en al hinderde ’t hem wel eens, dat hij niet zooals

de anderen met alles kon meedoen—hij was er te zeer van overtuigd,

hoeveel ’t zijn vader kostte, om hem een goede opvoeding te geven, dan

dat hij zich niet met alle macht op ’t verkrijgen van kennis zou hebben

toegelegd. Hij vond er dan ook weinig of geen zelfoverwinning in, om

openhartig te bekennen dat „het hem te duur was” en „dat zijn middelen

hem niet veroorloofden, deze of gene verteringen te maken.” Verre, dat

zijn kameraden hem daarom minder achtten, hielden ze allen veel van den

knaap, die ook ferm met hen kon meedoen, en zochten velen zijn

toegenegenheid, omdat hij van adel was, vooral zij, wier ouders geen

adellijk blazoen in hun wapenschild voerden; terwijl de adellijke

jongeheeren van de kostschool hem volstrekt niet minder achtten, omdat

hij, zooals hij ’t geliefde te noemen, arm was; ofschoon dit woord veel

te hard klonk voor een toestand, die slechts bekrompenheid van middelen

mocht heeten.

De zaak, waarvoor ’t geld benoodigd was, bestond in een roeitocht,

welken de scholieren vóor ’t begin van de vacantie met elkander zouden

maken. Onder toezicht van twee der secondanten zouden ze dan naar den

„Borrelenden Roompot” roeien, een allerliefst gelegen uitspanning, waar

ze zich den geheelen dag amuseeren konden. De kosten van ’t huren der

schuitjes, van déjeuner en diner zouden bestreden worden uit de

bijeengebrachte gelden der deelnemers, die vijf gulden per hoofd

bedroegen, wel zoo’n groote som niet op zichzelf, maar een heel

kapitaal voor een kostschooljongen. De meesten, misschien allen, hadden

dat onmogelijk uit hun zakgeld kunnen fourneeren, naar huis geschreven

en vandaar een extra toelage per postwissel of door tusschenkomst van

meneer Voornvisser, den directeur der kostschool, gekregen. Zooals we

zagen had Ernst niet bijgedragen. Hij was echter de eenige niet; nog

een viertal anderen deelden in zijn lot: éen; omdat zijn vader kort

geleden gestorven was, een tweede, omdat de zijne boos op hem was dat

hij niet was bevorderd, en de twee anderen, omdat hun moeder er

volstrekt tegen was, daar ze vreesde, dat er met zulke wilde jongens,

die op zoo’n vrijen dag uitgelaten moesten zijn, ondanks de

tegenwoordigheid der twee secondanten, veel gevaar voor ongelukken

bestond.

Hoezeer de jongens gaarne hadden, dat allen deelnamen aan zoo’n pretje,

want ook bij hen gold het spreekwoord: „hoe meer zieltjes, hoe meer

vreugd,” speet het hun van die vier toch niet. De reden van den eersten

moesten ze respecteeren; No. 2 was een luiaard, en luiaards konden ze

niet uitstaan, en No. 3 en 4 werden, hoe onschuldig zij er ook aan

waren, voor moedersjongetjes gescholden. Dat gaat meer zoo; want in

zulke gevallen zijn jongens, hoe anders ook op recht gesteld, vrij

onrechtvaardig. Wat Ernst aangaat, van hem speet het den meesten, zoo

niet allen, en zelfs had de commissie tot de feestviering, bestaande

uit drie jongens, van wie Gerrit Zalmvoort als penningmeester

fungeerde, hem uit naam van allen, die tot de partij behoorden,

aangeboden, om zonder te betalen mee te gaan, daar men hem er zoo graag

bij had; maar Ernst had dit met een hoogen blos op de wangen verworpen.

Hij wist, dat het uit hun goed hart voortkwam en kon er zich dus niet

door beleedigd achten, en toch was er iets in hem, wat zich zoo sterk

tegen dat aanbod verzette, als voelde hij er zich door gekrenkt. Hij

had hun dat echter niet laten merken, alleen gezegd, dat hij, hoe

getroffen hij over hun aanbod was, er echter geen gebruik van maken,

maar eenvoudig even als de vier anderen thuisblijven zou; ja, zoover

wist hij zich zelf te verloochenen, dat hij niet, zooals deze, zich

pruilend in de school opsloot, maar aan den waterkant stond, om de

vroolijke makkers te zien afvaren en hun van harte een pleizierigen dag

te wenschen. Ieder der jongens was dan ook ten volle overtuigd, dat

Ernst van Hogenberghe een ferme jongen was, en menigeen, waaronder ook

Rudolf Nederhorst, gevoelde, dat hij zelf daartoe niet in staat zou

zijn.

Vroolijk zingend voeren de jongens af. In ieder schuitje zaten vier

roeiers, van wie er twee de riemen hanteerden en twee hun makkers

aflosten, een stuurman en een passagier, die op den boeg zat en een van

de kleinere knapen was welke nog te zwak waren om te roeien en geen

verstand hadden van sturen. In ’t eerste en ’t laatste schuitje was een

der beide secondanten stuurman. Elk bootje had een vlag op den boeg, en

’t was een aardig gezicht, die schuitjes met hun vroolijke bemanning in

een lange rij achter elkander te zien voortstevenen; terwijl het

prachtige zomerweer niet weinig bijbracht, om het een prettig uitstapje

te maken.

’t Was een heele tocht, eer men aan de uitspanning „De Borrelende

Roompot” kwam, welke voor dien dag afgehuurd was, en waar men onze

jongens met een stevig ontbijt wachtte, waarop ze dan ook, nadat ze hun

schuitjes aan den wal vastgemaakt en in statigen optocht

binnengetrokken waren, als hongerige wolven aanvielen. De kastelein had

er op gerekend, dat er jonge magen zouden komen, die in de frissche

morgenlucht geroeid hadden, en voor een stevig ontbijt gezorgd, waar

geen gebrek aan brood, vleesch en kaas was.

Na ’t ontbijt gingen onze jongens in den grooten tuin, waar schommel,

wip, benevens allerlei gymnastische werktuigen waren, welke ik u zeker

niet behoef te beschrijven, en waar ze zich vermaakten, totdat het tijd

was om koffie te drinken, en ieder een glas frissche melk en een

broodje met vleesch voor zich zag gereed staan. Meer kreeg niemand, om

zijn maag niet voor het middagmaal te bederven. Volgens het reeds dagen

te voren vastgestelde plan ging men nu weer in de schuitjes, en roeide

naar ’t een half uur van daar gelegen dorp Boomoord, waar men aanlegde

en in optocht zingende het dorp doortrok, ’t geen natuurlijk de

bewoners aan de deuren en vensters lokte, die recht schik in ’t

vroolijke troepje hadden, terwijl, om den tocht op te luisteren, de

stuurman van ieder schuitje de vlag had medegenomen, waarmee hij op de

maat van ’t gezang zwaaide. Zoo in optocht trok men de uitspanning van

Boomoord binnen, waar iedere jongen een glas limonade met een

beschuitje kreeg. Lang zitten konden ze echter niet, en terwijl

sommigen wat in den tuin speelden, anderen een eind het dorp

opwandelden, weer anderen een sigaar voor den dag haalden en opstaken,

(’t geen op school contrabande was, maar nu, evenals op de wandelingen,

oogluikend werd toegelaten), werd het langzamerhand drie uur, de tot

vertrekken bepaalde tijd. Allen hadden er voor gezorgd, in den tuin te

zijn, en nadat Gerrit Zalmvoort den kastelein de vertering betaald had,

trok men in dezelfde orde van straks weder het dorp door tot aan de

plaats, waar de schuitjes lagen.

Men kwam nog vroeg genoeg aan „de Borrelende Roompot”; want het diner

was tegen half vijf besteld, en de tijd die er over was, werd op

verschillende manieren besteed, want hoe ordelijk alles ook ging, ten

aanzien van de uitspanningen welke hij koos, was ieder volkomen vrij.

Dat diner was wel niet fijn, maar zooals ’t voor jongens diende te

wezen, stevig en overvloedig, en een lekker glas schuimend Hollandsch

bier, waarvan in overvloed gedronken werd, daar de jongens dorst

gekregen hadden, scheen den eetlust nog te vermeerderen. Toen de

maaltijd afgeloopen was, hadden ze geen lust meer in gymnastische

oefeningen en andere spelen die lichaamsinspanning vereischten. Ze

zetten zich neer in ’t gras, en een der secondanten begon een prachtig

sprookje te vertellen. Toen dit uit was, wist de andere een

alleraardigst verhaal, vervolgens vertelde men elkander anecdotes, gaf

raadsels op en was verwonderd, toen de voorzitter, op zijn horloge

ziende, zei dat het tijd was om zich tot het vertrek gereed te maken.

Menigeen keek sip, omdat de pret hem te gauw om was, doch er was niets

aan te doen: meneer Voornvisser had bepaalde orders gegeven, en

gelukkig, dat de jongens zelf die opvolgden en er niet door de

secondanten aan behoefden herinnerd te worden. Daardoor bleven ze

volkomen vrij en gevoelden volstrekt niet, dat een hoogere macht

surveillance over hen hield. Wanneer alle knapen en meisjes zoo in alle

zaken handelden en steeds in alles hun plicht deden en gehoorzaam waren

aan de bevelen van hen, die over hen gesteld zijn—ze zouden een vrij

wat pleizieriger en vrijer leven hebben, dan als ze er telkens aan

herinnerd moeten worden, dat ze onder bedwang staan.

Met het verhalen van al de pret, welke onze jongens gehad hadden,

zouden we bijna geheel en al onzen Rudolf vergeten hebben. Misschien is

’t ook maar beter dat ik hem u niet herinnerd heb; want menigeen van u

denkt wellicht, dat, wie er pleizier had, Rudolf zeker niet, en dat hem

onophoudelijk zijn vriend Ernst voor de oogen gestaan zal hebben. En

zoo dan al niet onophoudelijk—’t geen misschien wat veel gevergd is—ten

minste van tijd tot tijd. Misschien zou ’t u zoo gegaan zijn; doch als

ge ’t van Rudolf denkt, dan hebt ge u leelijk vergist. Rudolf was wel

geen ongevoelige jongen; integendeel, hij had veel voor anderen over,

zooals we reeds gezien hebben. Maar hij was zeer onstandvastig van

karakter, en, zooals de meeste jongens van zijn leeftijd, onnadenkend.

Daarom had hij zich evengoed vermaakt als de anderen en geen oogenblik

om zijn vriend gedacht, die door omstandigheden geheel onafhankelijk

van hem, dat genoegen had moeten ontberen.

Wat Ernst van Hogenberghe aangaat, meneer Voornvisser en zijn vrouw

hadden getracht hem en zijn vier lotgenooten den dag zoo aangenaam

mogelijk te maken, en hun te doen vergeten, dat ze het genoegen hunner

makkers moesten missen, en werkelijk waren zij er in geslaagd. Al

hadden onze vijf knapen niet zooveel pleizier gehad als hun

kameraden—ze hadden toch in ’t geheel geen vervelenden, onaangenamen

dag doorgebracht en waren vrij welgemoed, toen de anderen, vervuld van

de pret die zij gehad hadden, thuis kwamen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN DANSPARTIJ.

„Ma, zou Rika ons vergeten?” vroeg Helène, „’t Wordt tijd om ons aan te

kleeden. Anders wordt het wezenlijk te laat.”

„Geen nood Helène,” zei mevrouw Nederhorst. „Rika zal je niet vergeten.

’t Goeie mensch is druk bezig, om kant in je jurken te naaien. Je moet

nog wat geduld hebben. ’t Is nog zoo laat niet. Zie maar op mijn

horloge.”

Mevrouw Nederhorst haalde een prachtig met diamanten omzet horloge uit

haar ceintuur en liet haar oudste dochter, de bijna zestienjarige

Helène, zien, dat ze gelijk had.

„’t Is waar, mama,” antwoordde Helène. „Maar ik verlang zoo dat het

maar tijd was. Hoe kan Leonie daar zoo kalm zitten te lezen, alsof er

van avond geen danspartij was! Ik begrijp het niet!”

„Dat komt, omdat Leonie, al is ze twee jaren jonger dan jij, veel

verstandiger is en dat de tijd met al je ongeduld toch niet gauwer

gaat.”

„Nu, ik kan dan zoo verstandig niet zijn, en ’t zou me ook weinig

helpen, al probeerde ik het. Lezen, terwijl er zoo’n pret in ’t

verschiet is! ’t Is verschrikkelijk.”

Inderdaad was het dan ook verschrikkelijk, dat een meisje, niet veel

ouder dan dertien jaren, dat op een danspartij moest, daar zoo rustig

kon zitten lezen. Ze zouden dien avond—’t was de avond voor

Kerstmis—naar hun oom Walburg gaan, wiens oudste dochter Louise van

daag haar vijftienden verjaardag vierde. ’t Zou een groote partij zijn:

er waren niet minder dan zeventig jongens en meisjes genoodigd, en het

trof zoo heerlijk, dat de Kerstvacantie al was begonnen, want nu zou

haar broer Rudolf er ook gebruik van maken. Rudolf was echter niet zoo

ongeduldig als zijn zuster Helène, en zelfs na den eten (want men had

heden middag wat vroeg gedineerd) nog even uitgegaan, om een balboekje

te koopen. Hij hoopte het er van avond van te nemen en eens ferm te

dansen; want even goed als hij zich onder de jongens roeren kon, wist

hij zich ook tegenover meisjes te gedragen. Geen dans zou hij

overslaan; daar kon men zeker van zijn.

„Zoo meisjes!” zei hij, toen hij beneden kwam. „Nog niet naar boven?

Als je zoo talmt, dan heb je kans, dat de kapper te vroeg komt en hij

je zonder je te kappen verlaat; want hij heeft van avond meer te doen

dan jullie te helpen: hij zal ’t wel heel druk hebben.”

„’t Is mijn schuld niet,” zei Helène knorrig. „Als ’t aan mij stond,

waren we al boven. Maar Rika teut zoo.”

„Zeg dat niet, Helène,” zei haar moeder. „Er is vrij wat aan je jurk te

veranderen, en dat heb je zelf gewenscht.”

„Leonie; niet ik,” antwoordde Helène. „Ik ben zoo coquet niet op mijn

kleeding.”

„Maar je bent toch ook graag netjes, Helène,” zei Leonie, die niet zoo

attent las, of ze hoorde de opmerking van haar zuster.

„Netjes, ja. Maar om zooveel opschik geef ik niet.”

„En ik zeg, dat de dochters van meneer Nederhorst voor den dag moeten

komen, zooals ’t aan haar stand past,” zei Leonie trotsch. „Wat zegt u

er van, ma?”

„Ik zal je eerst de jurken moeten zien aanhebben, voor ik er over

oordeelen kan,” zei mevrouw Nederhorst. „Waar is je koopje nu, Rudolf?”

zei ze tot dezen, om ’t gesprek een andere wending te geven. Rudolf

liet het gekochte balboekje kijken.

„Nu, dat ziet er élegant genoeg uit. Vin’ je niet, Helène?” vroeg ze

aan deze, die er bij was komen staan.

„Al te élegant voor een jongen,” zei Leonie, die er ook bij kwam. „Geef

’t mij, dan kun jij ’t mijne krijgen.”

„Ik zou je bedanken,” antwoordde Rudolf. „Tot zoo iets kan ik alle

dagen komen.”

„Nu, daarin heeft Rudolf gelijk,” zei Helène.

„Juffrouw Helène, zoudt u boven willen komen?” vroeg de kamenier,

terwijl ze om den hoek der deur keek.

„Dadelijk,” antwoordde Helène. „Ik dacht, dat je ons vergat, Rika.”

„’t Was zoo’n werk, om dat nieuwe garneersel op uw japonnen te maken,”

antwoordde de kamenier. „Komt u ook gauw boven, juffrouw Leonie?”

„Ja, Rika,” antwoordde Leonie. „Ik kom dadelijk, dan kan ik meteen

zien, of je de jurken naar mijn zin gegarneerd hebt.”

„En ik ga ook naar mijn kamer,” zei Rudolf. „Als de kapper komt, stuur

hem maar ’t eerst bij mij, ma, dan hoeft hij niet op de dames te

wachten.”

Terwijl onze drie jongelieden achtereenvolgens de kamer verlaten,

willen we u even bij mevrouw Nederhorst inleiden.

Zooals ge haar daar op de sofa ziet zitten, vindt ge haar zeker een

schoone vrouw, en dat is ze ook, maar tevens oordeelt ge, dat ze er

zwak en lijdend uitziet. Ook daarin hebt ge niet misgetast; want ze is

werkelijk zwak en lijdend. Dat was ze vroeger niet; doch toen ze nu

drie jaren geleden in éen week aan ’t roodvonk twee kinderen, een

jongetje van zeven en een meisje van acht jaren verloor, was haar

zenuwgestel zoo geschokt, dat men voor haar leven vreesde. Alles werd

aangewend om haar te behouden, consulten met professoren en een

badreis. Mocht dus de wetenschap er zich op beroemen, haar in ’t leven

te hebben behouden, haar een volkomen herstelling te geven was niet

mogelijk geweest: haar gezondheid was geknakt en ze voelde ’t zelf, dat

haar krachten langzamerhand verminderden. Ze verborg dit echter zooveel

ze kon voor haar man en haar kinderen, overspande zich meermalen om

niet te laten merken hoe alles haar vermoeide, en veinsde dikwerf lust

in dingen die haar te vermoeiend waren. Zoodra nu allen het vertrek

verlaten hadden, strekte ze zich gemakkelijk op de sofa uit en men kon

’t haar aanzien, hoe mat ze zich voelde.

Intusschen was Leonie haar zuster spoedig naar boven gevolgd. Terwijl

Helène zich waschte, bekeek de jongere zuster de japonnen, die haar

volle goedkeuring schenen weg te dragen en dan ook inderdaad met veel

smaak door de kamenier waren opgemaakt.

„U mag u wel gaan wasschen, juffrouw Leonie,” zei Rika. „Anders is uw

ondertoilet niet in orde, wanneer de kapper komt, en hij met uw zuster

klaar is.”

„Dan moet hij maar wachten; dat is ’t eenige wat er opzit,” zei Leonie

trotsch. „Hij wordt er immers voor betaald, en ’t is beter dat hij op

mij wacht, dan dat ik ’t op hem doe.”

„Maar je weet, dat hij het druk heeft, Leonie,” zei Helène, „en dan zou

hij immers anderen laten wachten. Wat de japonnen aangaat, die zul je

nog gelegenheid genoeg hebben, om te bekijken.”

„Nu, cathecheseer-juffrouw,” hernam Leonie. „Ik zal me dadelijk gaan

wasschen.”

Inderdaad deed ze wat ze zei, en juist was ze er mee gereed en zou Rika

aan haar ondertoilet beginnen, toen de kapper aan de deur tikte en op

het „Binnen!” van Helène de kamer intrad.

Na ’t garneersel der japon van Helène gezien te hebben, waarnaar hij

zijn kapsel moest inrichten, begon hij zijn kunst aan haar lokken uit

te oefenen, en, gelukkig voor hem, behoefde hij niet te wachten, want

juist toen Helène’s kapsel klaar was, was ook Leonie gereed.

Beide meisjes zagen er inderdaad uit om te stelen in haar élegant

toilet, en met welgevallen beschouwde mevrouw Nederhorst haar beide

dochters, en wist bij zich zelf niet te bepalen, wie van beide de

schoonste was: Helène met haar tenger en fijn figuurtje en haar

vriendelijk gezicht, of Leonie, die, voor haar leeftijd meer

ontwikkeld, ’t in ronding van vormen van haar zuster won en wier

trotsche trekken en levendige oogen haar zoo verleidelijk goed stonden.

„Is Rudolf nog niet beneden, ma?” vroeg zij. „Nu, die heeft ook lang

werk aan zijn toilet.”

„Hij zal hebben moeten wachten tot meneer Courtier hem onder handen kon

nemen, Leonie,” zei mevrouw Nederhorst.

„O, neen, ma, die kwam juist van hem vandaan, toen hij ons kwam

kappen,” zei Helène. „Maar daar komt hij zingend de trap af.”

Inderdaad ging een oogenblik later de kamer open en daar trad Rudolf

binnen, geheel in gala gekleed. Hij zag er keurig uit en mevrouw

Nederhorst kon niet nalaten, een blik van welgevallen op haar oudsten

zoon te slaan, zooals hij daar stond in zijn nieuw pak, met zijn helder

linnen, zijn keurige witte glacé handschoenen, ’t gefriseerde haar, en

de vroolijke oogen, die van genoegen schitterden. Inderdaad zag hij er

alleraardigst uit en mevrouw mocht met recht wel eenigszins grootsch op

haar zoon zijn.

„Is ’t rijtuig nog niet voor, ma?” vroeg hij. „’t Wordt zoo laat.”

„Mij dunkt, dat je reden hebt, om blij te zijn, dat het er nog niet

is,” antwoordde mevrouw Nederhorst, „anders kwam je zeker te laat.”

„O, o! Dan had het maar wat op mij moeten wachten,” zei Rudolf. „Maar

ik hoop, dat het gauw komt. Louise heeft gevraagd, of we wat vroeger

komen. U weet, ma, ik zal een van de ceremoniemeesters zijn, om de

dames te ontvangen.”

„O, heb je daarom dien strik op je borst,” zei Leonie. „Ik dacht eerst,

dat je ridder geworden was of voor een paard van den koning wou

spelen.”

„Die hebben in alle gevallen de strikken aan hun kop,” zei Rudolf.

„De ridders of de paarden van den koning?” vroeg Leonie.

„Daar is ’t rijtuig!” riep Helène uit, die vol ongeduld aan een der

ramen stond.

Mama werd nu goeden dag gekust; door Rika geholpen, stapten ze in de

vigilante en reden met een vroolijk hart naar ’t huis van oom Walburg,

voor wiens deur ze weldra stilhielden.

’t Was een prachtige, rijk verlichte zaal, waarin de danspartij zou

plaats hebben.

Toen Rudolf met zijn beide zusters kwam, was er echter niemand in de

zaal dan meneer en mevrouw Walburg en hun drie kinderen, van welke

Louise vrij wat in leeftijd verschilde met haar twee zusjes, waarvan de

oudste eerst acht jaren oud was. Natuurlijk werd eerst Louise geluk

gewenscht en met een cadeautje verrast; daarna maakte men zijn

compliment voor oom en tante.

„’t Speet me, dat ma er tegen had, om Dora en Alfred mee te sturen,”

zei mevrouw Walburg tegen Helène.

„Ma vond ze nog te klein, om naar zulk een groote partij te gaan,

tante,” antwoordde Helène. „Alfred is nog maar acht en Dora zeven jaar.

Ze zouden u maar tot last zijn, en daarenboven misschien onder den voet

raken.”

„En dan Anne en Emmy?” vroeg mevrouw Walburg. „Anne is ook pas acht

jaren en Emmy nog maar zes.”

„O, tante, dat maakt een groot verschil,” antwoordde Helène. „Die zijn

hier thuis en zullen wel, als het wat vol wordt, bij u blijven zitten.

Daarenboven, als ze slaap krijgen, kunnen ze naar bed gebracht worden;

terwijl Dora en Alfred zouden moeten wachten, tot ze, al was ’t dan ook

vroeger dan wij, werden gehaald.”

„’t Is waar,” hernam mevrouw Walburg. „Je ma heeft groot gelijk, en ik

zou in haar geval evenzoo gehandeld hebben. Maar dat ze zelf niet

meegekomen is, heeft me zeer teleurgesteld. Vroeger hield ze er wel

van, zulke partijen te zien.”

„Ma zei, dat ze te zwak was, om zich in zulk een gewoel te wagen,”

antwoordde Helène. „Ze vond het voor haar verstandiger om maar stil

thuis te blijven.”

„Wel, Rudolf,” zei oom Walburg tegen zijn neef, „je ziet er kranig

genoeg uit. Al de meisjes zullen zin in je krijgen en met je willen

dansen.”

„’t Is niet te hopen, oom!” antwoordde Rudolf. „Als dat het geval was,

dan mocht ik wel tien lichamen hebben meegebracht, om met elk van haar

een dans te kunnen doen. Maar zoo’n vaart zal ’t niet loopen, denk ik.”

„Nu, dat is maar goed ook,” hernam meneer Walburg. „Want anders vrees

ik, dat je hier niet heelhuids van daan zou komen, daar men je stuk zou

trekken. Je bent gisteren met vacantie thuisgekomen, niet waar?”

„Ja, oom! Gisteren na den middag.”

„En gaat het altijd nog goed op school?”

„O, ja, oom, heel goed. Ik kan met de meesters goed overweg, en met de

jongens ook.”

„Dat doet me pleizier,” antwoordde meneer Walburg. „Je papa krijgt dan

ook telkens van meneer Voornvisser de gunstigste getuigenissen. Ga zoo

maar voort, Rudolf, en je zult er plezier van hebben. Een mensch die

wat weet, kan vooruitkomen in de wereld—een botterik en een weetniet

wordt door iedereen geschuwd.”

„O, wat zijn je jurken allerliefst gegarneerd!” zei Louise tot haar

nichtjes. „Dat heeft Rika zeker gedaan.”

„Natuurlijk,” antwoordde Leonie. „Maar ik heb haar eerst de les moeten

lezen. ’t Is of die soort van menschen uit zichzelf geen smaak hebben.

Je had eens moeten zien, hoe stijf ze ’t eerst gedaan had. Gelukkig dat

ik nog juist bij tijds boven kwam om ze eens te zien, anders hadden we

er uitgezien als een paar vrouwen uit een hofje.”

„Dat zou zoo’n vaart niet geloopen hebben,” meende Louise.

„Maar nu zie je er allebei uit om te stelen; dat moet ik zeggen.”

„Maak Leonie maar niet hoogmoediger dan ze al is,” zei Helène lachend.

„Wat mij aangaat, ik ben dankbaar dat ik zoo’n ingénieus zusje heb,

maar ik pas er wel op, haar in haar gezicht te prijzen; want dan zou ze

nog trotscher worden dan ze al is.”

Ze werden in haar gesprek gestoord door ’t binnentreden van een tweeden

ceremoniemeester met zijn zuster, die Louise aansprak en haar

gelukwenschte met haar verjaardag. Rudolf en zijn ambtgenoot begaven

zich nu naar ’t voorhuis, om hun plichten als ceremoniemeester jegens

de dames te vervullen, en weldra werd hun getal nog met twee

vermeerderd. Ze hadden ’t alle vier braaf druk met de dames te

ontvangen, binnen te leiden en aan de gastvrouw voor te stellen, en ik

moet zeggen, dat ze den hun opgedragen post eer aan deden.

Langzamerhand vulde zich de zaal met keurig gekleede dametjes en

jongeheeren, en ’t was een aardig gezicht, die bonte menigte door

elkander te zien woelen. Nadat de thee gepresenteerd was, verscheen de

dansmeester met zijn muzikanten, en nu repten de jonge voetjes zich tot

den dans. Toen de pauze begon, verzocht de dansmeester, dat de jongelui

zich twee aan twee zouden opstellen en maakte men een marsch door de

zaal. Niemand begreep, wat dat eigenlijk te beduiden had, tot eensklaps

de vleugeldeuren geopend werden en een zee van licht onzen jeugdigen

gasten uit de aangrenzende zaal tegenstroomde. Daar toch stond een

kolossale kerstboom, die tot aan de tamelijk hooge zoldering reikte,

met ontelbare lichtjes versierd en met tal van cadeaux behangen was.

Onder toezicht nu van Rudolf en een anderen ceremoniemeester werd er

een tombola gehouden, terwijl de beide andere ceremoniemeesters, met

haken gewapend, de getrokken prijzen uit den rijk voorzienen boom

haalden. Er was natuurlijk veel plezier wanneer een jongen een

werkmandje, of een meisje een sabel of een geweer trok. Door minnelijke

wisseling echter kwamen al de getrokken prijzen in de rechte handen en

keerden allen hoogst tevreden en vergenoegd naar de groote zaal terug,

waar weldra het dansen op nieuw begon, en de massa limonade en ijs,

welke er gebruikt werd, wel aantoonde, dat de jonge kelen droog van het

dansen en het stof werden.

Toen onze jongelui thuiskwamen, alle drie met kleuren als rozen,

gezichten gloeiend van de warmte en oogen flikkerend van de pret,

vonden ze hun ouders nog op. Mevrouw Nederhorst had niet naar bed

willen gaan, eer de kinderen thuis waren, hoe dikwijls haar man haar

daartoe ook aangezet had.

„Plezier gehad?” vroeg ze, toen de drie jongelui binnenkwamen.

„O, ma! Dol veel!” riep Helène uit. „Ik heb geen enkelen dans

overgeslagen. En we hebben een tombola gehad en nog een cadeautje op

den koop toe gekregen. ’t Is maar jammer, dat zoo’n avond zoo gauw om

is!”

„Ja, kindlief! Er is een eind aan alle dingen, ook aan de pret. En

daaraan schijnt gauwer een eind te komen dan aan ’t verdriet; want als

we plezier hebben, dan vliegen de uren om. En jij, Leonie?”

„O, zeker, ma,” antwoordde Leonie. „Wie zou zich niet amuseeren op een

danspartij?”

„En heeft Rudolf zijn rol van ceremoniemeester goed vervuld?” vroeg

meneer.

„Nu, dat zou ik zeggen!” antwoordde Helène. „Hij heeft de honneurs goed

waargenomen. ’t Is hem wél toevertrouwd.”

„Maar ’t is hoog tijd, om naar bed te gaan,” zei haar vader. „Kom,

kinderen! zeg nu ma en mij goeden nacht en zoek dan de slaapkoets op!

Ma moest eigenlijk al lang te bed liggen. Het deugt voor haar in ’t

geheel niet, om zoolang op te blijven.”

„En waarom is u niet naar bed gegaan, ma?” vroeg Helène.

„Omdat ik je zoo graag van een partij zie thuiskomen. En nu, goeden

nacht!”

„Nacht, ma!” zei Helène. „O, dat zulke dagen zoo zelden voorkomen! Ik

zou wel driemaal in de week zulk een partij willen bijwonen.”

Nadat ze pa en ma goeden nacht gezegd hadden, gingen de drie

jongelieden de kamer uit om naar bed te gaan, en schelde mevrouw

Nederhorst haar kamenier.

„Wat een verschil tusschen die twee meisjes!” zei meneer Nederhorst tot

zijn vrouw. „Helène alles maar voor de pret; terwijl Leonie in stilte

geniet.”

„Je oordeelt oppervlakkig, Leo,” antwoordde zijn vrouw. „Leonie is

misschien even dol op plezier als Helène, maar ze weet zich te

bedwingen en uit zich niet, terwijl de andere veel levendiger en minder

gesloten is. Heusch, het karakter van Helène, hoe oppervlakkig ’t ook

schijnt, is dieper en inniger dan dat van Leonie. ’t Komt er door, dat

de een fijner voelt dan de ander.”

„’t Is best mogelijk, Marie,” antwoordde meneer Nederhorst. „Maar daar

is Rika. Kom, nu gauw naar bed! Het is niet goed voor je, om zoo laat

op te blijven. Dokter Manders heeft het je volstrekt verboden.”

„Ik zal den verloren tijd trachten in te halen,” zei mevrouw

Nederhorst, „en me vlug uitkleeden. Tot straks, Leo!”

Ons drietal was spoedig in bed. Leonie en Rudolf sliepen weldra in.

Maar Helène kon den slaap niet vatten. ’t Was of haar onophoudelijk de

dansmuziek in de ooren klonk en of ’t licht der balzaal nog in haar

oogen schitterde. Onrustig draaide zij zich van de eene zij op de

andere en poogde een andere wending aan haar gedachten te geven. Doch

te vergeefs: de vroolijke polka’s en mazurka’s kwamen telkens weer

boven en dreven den slaap uit haar oogen. Eindelijk, ’t zal zoowat vier

uur in den morgen geweest zijn, sluimerde ze in; doch ze genoot geen

gerusten slaap: want ze werd door de bontste en grilligste droomen

gekweld, die haar erg vermoeiden. Toen men haar ’s morgens kwam roepen,

had ze lust om nog wat te blijven liggen; want ze had geduchte

hoofdpijn. Ze hoopte echter dat, wanneer ze opstond en in beweging was,

die hoofdpijn wel beter zou worden, stapte het bed uit en kleedde zich

aan.

„Kindlief!” zei haar vader, toen hij merkte hoe bleek en betrokken zij

er uitzag, „hoeveel je ook van uitgaan mag houden, je schijnt er niet

best tegen te kunnen.”

„Ik kon in den voornacht niet in slaap komen, pa,” zei ze. „En toen ik

eindelijk in slaap viel, heb ik zoo zwaar gedroomd, dat ik met

hoofdpijn ben opgestaan.”

„Gelukkig, dat het Kerstdag is en er geen lessen zijn,” zei mevrouw

Nederhorst. „’t Zou er anders slecht mee staan, Helène.”

„Dat denk ik ook, ma,” antwoordde Helène. „Neen, dank u; ik zal niets

gebruiken; ik heb geen trek in eten.”

„Ik zal zeggen dat Rika je bed weer opmaakt,” zei mevrouw Nederhorst.

„’t Best is, dat je dadelijk maar weer gaat liggen; misschien lukt het

je te slapen, en dan zal de hoofdpijn waarschijnlijk wel overgaan.”

Helène deed, wat haar moeder zei. ’t Was wel geen prettig besluit van

de heerlijke danspartij; maar wat zou zij er aan doen? Weldra was ze in

een gerusten slaap en ’t was al half twee, toen ze geheel verkwikt en

zonder hoofdpijn ontwaakte.

DERDE HOOFDSTUK.

LOTWISSELING.

De kerstvacantie was voorbij en Rudolf reeds sedert eenige dagen naar

de kostschool teruggekeerd. In ’t huisgezin van de familie Nederhorst

was alles weer op den ouden voet; ’t scheen echter, dat meneer zelf

niet erg op zijn gemak was. Wat hem deerde, kon niemand te weten komen;

zelfs zijn vrouw niet. Ofschoon hij nooit heel veel sprak, was hij nu

toch bijzonder stil en ingetrokken, at bijna niet en zag er somber en

verdrietig uit.

„Wat scheelt pa toch?” vroeg Helène op zekeren Zondag aan haar moeder.

„Hij spreekt geen woord, en als je hem iets vraagt, geeft hij zulk een

onvriendelijk antwoord, dat je ’t best doet om ook maar te zwijgen.”

„Ik weet het niet, Helène,” antwoordde haar mama. „Ik heb pa al

gevraagd, of hij zich soms onlekker voelde en dokter Manders al over

hem willen raadplegen. Maar hij heeft mij geantwoord, dat ik dit wel

laten kon en dat geen dokter hem kan genezen.”

„Wat zou die arme pa dan hebben?” vroeg Helène op medelijdende toon.

„Ik denk, dat hij onaangename dingen aan ’t hoofd heeft, die hij me

niet zeggen wil, omdat ze me hinderen zouden,” hernam mevrouw

Nederhorst. „Kooplieden hebben dikwijls bij ’t begin en ’t einde van ’t

jaar allerlei beslommeringen, waarvan wij toch geen verstand hebben, en

daarom zullen wij er ons hoofd maar bij neerleggen.”

Helène zweeg en hield zich, als hadden de woorden harer moeder haar

gerustgesteld; maar noch zij, noch mevrouw Nederhorst waren ’t

inderdaad. Leonie bekommerde er zich weinig om—trouwens ze was twee

jaren jonger dan haar zuster, en op dien leeftijd, waarop men zich

zulke zaken nog weinig aantrekt.

Een paar dagen later kwamen Helène en Leonie van school en vonden mama

in tranen op de sofa liggen. Beiden liepen terstond naar haar toe, en

vroegen, wat haar scheelde.

„O, Helène, o, Leonie! Hoe zal ik het je meedeelen!” riep mevrouw

Nederhorst, terwijl ze de handen wrong. „O, als ik maar bedaarder was!

Maar mijn zenuwgestel is zoo geschokt!”

„Heeft u den dokter niet laten roepen, ma?” vroeg Helène.

„De dokter kan mij niet helpen, kindlief,” zei mevrouw Nederhorst, die

’t goed scheen te doen, dat ze haar beide kinderen bij zich had. „Je

arme vader! Je arme vader!”

„Is pa wat overkomen?” vroeg Helène angstig.

„Bijna ’t ergste wat hem treffen kon,” antwoordde mevrouw Nederhorst.

„O, kinderen! hoe zal ik ’t je zeggen! Papa heeft zijn geheele vermogen

verloren!”

„Dus zijn we arm, ma?” vroeg Leonie.

„Doodarm misschien,” antwoordde mevrouw Nederhorst.

„Doodarm?” herhaalde Helène.

„Ja, kind, doodarm. Ons mooie huis, onze fraaie meubelen, kortom—alles

zal moeten verkocht worden, om de schulden te voldoen. Want pa wil tot

den laatsten cent betalen.”

„Maar dat is vreeselijk, ma!” zei Leonie.

„Ja, wel vreeselijk, Leonie,” herhaalde mevrouw Nederhorst.

„Nu, ma! Als we elkander maar blijven liefhebben, zal de armoe zoo erg

niet zijn,” zei Helène.

„Je weet niet wat armoe is, kind,” hernam mevrouw Nederhorst. „Je bent

het altijd zoo onbekrompen gewoon, dat het je dubbel hard zal vallen,

wanneer je zult moeten missen, wat je als natuurlijke zaken beschouwt,

dingen zult moeten ontberen, welke je nooit gemeend hadt, dat ontbeerd

konden worden.”

Helène en Leonie stonden versteld. Dat zoo iets zou kunnen gebeuren,

hadden ze nooit gedacht.

„Ga je goed af doen en kom dan hier,” zei mevrouw Nederhorst. „Maar

tegen niemand een woord er over, hoor! ze zullen ’t spoedig genoeg

hooren, doch niet van jullie. Ook niet aan Alfred en Dora; die hebben

er nog geen begrip van.”

De beide meisjes begaven zich naar boven, om zich van haar goed te

ontdoen.

„O, Leonie! Wat ben ik geschrikt van ma,” zei Helène. „Ik heb haar

nooit zoo vreeselijk zenuwachtig gezien.”

„’t Is dan ook een tijding, die ze ons medegedeeld heeft,” antwoordde

Leonie. „Hoe is ’t mogelijk! Als ma ’t ons zelf niet verteld had, zou

ik ’t niet gelooven.”

Leonie bleef nog wat boven, doch Helène keerde spoedig naar de

huiskamer terug. Ze vond haar moeder veel bedaarder dan straks. Het

denkbeeld om de tijding aan haar kinderen mee te deelen had haar

geschokt. En toch wilde ze niet, dat ze die ’t eerst van vreemden

zouden hooren.

„Ma,” zei ze, terwijl ze voor de sofa knielde en de hand harer moeder

greep, „u moet niet zoo bedroefd zijn. Dat doet u kwaad.”

„Ik zal trachten bedaarder te zijn, Helène,” antwoordde haar moeder.

„En ik ben veel kalmer dan straks. ’t Heeft me goed gedaan, dat ik het

je meegedeeld heb. Ik zag er zoo tegen op.”

„En hoe is pa er onder?”

„Bijna wanhopig. Dit was dus de reden van zijn somberheid in de laatste

dagen. Ik vreesde wel, dat er wat boven ons hoofd hing.”

„U moet u maar bedaard houden, ma. Misschien loopen de zaken nog beter

uit dan we denken.”

„Ik mag ’t hopen; doch na de mededeelingen, die je vader me deed,

geloof ik, dat het ergste te wachten staat. ’t Zal je afvallen, Helène.

Daar zal nu wel van geen partijen meer inkomen.”

„Wel, ma! als ’t anders niet is, zal ik er mij in trachten te

schikken.”

Op dit oogenblik trad haar vader binnen. Helène zag om. Ze schrikte van

zijn gelaat, zoo somber stond het.

„Ga heen en laat Leonie ook boven blijven,” fluisterde mevrouw

Nederhorst. „Pa wil me zeker spreken.”

Helène begaf zich naar haar kamer en waarschuwde Leonie, met wie ze

over de aanstaande verandering sprak.

’t Waren recht treurige dagen in ’t huis van meneer Nederhorst, welke

nu volgden. Mevrouws gezondheid leed er sterk onder. Wat haar vooral

aandeed, was dat haar oude vrienden en kennissen, die anders er zoo op

uit waren om visites te maken, haar nu geheel en al schenen te

vergeten. Gelukkig, dat ze haar broer Walburg had, die haar trouw

bezocht en haar man in alles broederlijk bijstond, om van de schipbreuk

van zijn fortuin nog te redden wat hij kon. Ook haar schoonzuster,

mevrouw Walburg, was haar tot veel troost en opbeuring.

Er werd bepaald, dat de familie Nederhorst Amsterdam zou verlaten,

omdat noch meneer noch mevrouw in de stad wenschte te blijven, waar ze

zich zoozeer verminderen moesten en reeds nu met den nek werden

aangezien; verder, dat Rudolf nog een jaar op de kostschool bij meneer

Voornvisser zou blijven, om zijn studiën te voltooien en dat oom

Walburg Leonie bij zich in huis zou nemen, waar ze een welkom

gezelschap voor zijn dochter Louise zou zijn en tevens haar opvoeding

zou kunnen voltooien.

Ofschoon meneer Nederhorst elke geldelijke hulp van zijn zwager zou

hebben afgeslagen, vond hij er niets in, dit voorstel aan te nemen en

ook mevrouw stemde er gereedelijk in toe ter wille van Leonie, wier

opvoeding nog voltooiing behoefde, ofschoon ’t haar wel leed

veroorzaakte, dat de toestand der beide zusters zoozeer zou verschillen

en de een in ontbering, de andere in weelde zou worden grootgebracht.

Wat Helène aangaat, zij koesterde geen jaloezie ten aanzien van haar

zuster, ja, oprecht gesproken was zij blij: dat zij de uitverkorene

niet was. Niet, dat zij zich niet beter in den toestand van Leonie had

kunnen voegen dan in dien, welken ze nu te gemoet ging—maar ze gevoelde

’t zoo, dat ze beter steun was voor haar moeder, dan de jongere Leonie;

ze wist het, dat haar moeder zou moeten lijden en verduren en ze

begreep ten volle, dat dat lijden nog smartelijker zou zijn, wanneer

zij, de oudste dochter, haar verliet; kortom ze was ’t zich zelf

bewust, dat ze haar moeder tot troost en opbeuring zou strekken.

Mevrouw Nederhorst had wel terecht tegen haar man gezegd, dat Helène

dieper en inniger gevoelde dan Leonie; ze zou toonen, dat hoe gaarne ze

ook partijen bezocht, ze nog wat anders kon doen dan voor haar plezier

leven.

’t Was een treurige taak, welke mevrouw Nederhorst op de schouders

gelegd was en die ze haar man beloofd had, te vervullen: den

dienstboden aan te kondigen, dat ze over zes weken konden vertrekken.

Wie echter tegen Februari een dienst kon krijgen, had volkomen verlof

om eerder te gaan. Ze liet ze alle bij zich in de kamer komen en deelde

hun de droevige maar wel verwachte tijding mede. Allen verlieten de

kamer, onder betuiging van leedwezen; slechts een had geen woord

gesproken, de oude Trui, de keukenmeid, die reeds van mevrouws trouwen

bij haar gewoond had. Toen echter de anderen de kamer verlieten, was ze

gebleven, deed de deur achter haar kameraads toe en ging voor mevrouw

staan.

„Mevrouw!” zei ze, „U zult toch zeker wel één dienstboo houden.”

„Dat zal wel dienen, Trui,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Ik zelf kan

slecht den pot koken en den boel aan kant houden, en mijn dochter

evenmin. Maar waarom vraag je dat zoo, Trui?”

„Wel, lieve mevrouw,” antwoordde Trui, „’t wordt met de rep zeventien

jaren, dat ik uw brood heb gegeten. Al uw kinderen heb ik zien geboren

worden en ik heb het hier altijd goed gehad ook. Niemand uwer

dienstboden kan ’t hart voor u hebben, dat ik heb, en nu zou ik u op

mijn ouden dag moeten verlaten en u misschien door een meid worden

bediend, die u niet liefheeft zooals ik. Hoor eens, mevrouw! Dat u de

anderen weg doet, is natuurlijk. Maar als u mij weg deedt, dan zou u er

spijt van hebben, dat zou u. En daarom, ik bid het u, laat mij bij u

blijven.”

„Maar, beste Trui,” zei mevrouw Nederhorst, „dat zal je nooit bevallen.

Zeventien jaren heb je hier in overvloed geleefd; je hebt nooit iets

behoeven te ontzien, en nu zul je een burgerpot moeten koken en ’t

zuinig moeten aanleggen.”

„Ik begrijp u, mevrouw,” antwoordde Trui. „U wilt zeggen: een meid, die

’t altijd zoo royaal gewend is, zal niet zuinig kunnen zijn. En mevrouw

zou gelijk hebben, als Trui ’t niet deed, omdat ze haar niet verlaten

kan. U zult eens zien, hoe zuinig ik zal huishouden. Dus mag ik

blijven, niet waar mevrouw?”

„Ik weet het niet, beste Trui, of we een meid zullen kunnen

bekostigen,” antwoordde mevrouw Nederhorst.

„Wat bekostigen?” zei Trui op dien toon, welken oude dienstboden zoo

gemakkelijk aannemen, als hun meesters of meesteressen iets doen, wat

in hun oog onrechtvaardig is. „Dat moet dan maar bekostigd worden. Wat

drommel! U kan toch met uw teere handjes geen vaten wasschen, kamers

stoffen en trappen schuren. Wat weet u van pot koken? Daar zou wat van

terecht komen! Aangebrand en niet gaar zou schering en inslag zijn! En

dan met uw zwakke gestel bij de hitte van zoo’n kookkachel! Als u dat

doet, dan moest u maar tegelijk uw doodkist ook bestellen.”

Mevrouw Nederhorst moest ondanks haar droefheid om de ruwe maar

overtuigende manier lachen, waarop Trui sprak.

„Je hebt gelijk, Trui,” antwoordde ze. „Ik weet echter niet of onze

middelen ons zullen toelaten een volle meid te houden, dan of we ons

met een dagmeisje zullen moeten behelpen.”

„Met zoo’n tulle muts!” riep Trui verontwaardigd uit. „Dat ’s ook al

geen voordeel, mevrouw. Die eten voor twee volle en doen ’t werk nog

voor geen halve. Dan is uw verdriet niet te overzien; want zulke tulle

mutsen hebben altijd nog een stuk vrijer en blijven twee uren weg voor

een boodschap van een kwartier. Dan is uw verdriet niet te overzien! En

werken kunnen ze niet; alles wordt schroeibroei gedaan, en u moest eens

in de hoeken kijken. Daarom, mevrouw, ik blijf er bij: houd mij. Ik ken

u sedert meer dan zestien jaren en weet beter dan iemand wat u noodig

heeft. Ik zal u zooveel niet kosten, beste mevrouw! Niets dan kost en

inwoning, en die moet u een andere dienstmeid toch ook geven. Daarbij

moet die nog huur hebben.”

„Dat laatste zul je toch ook moeten hebben, Trui, en zeker....”

„Maar hoe heb ik het nu? Dacht mevrouw, dat ik zooveel woorden vuil

maakte, om mijn loon te behouden! Dan kent mevrouw Trui al heel slecht.

Zestien jaren heb ik u gediend en verscheidene malen is mijn loon door

u verhoogd. Daarbij was u of meneer niet sikkeneurig en hebt u me nog

al eens een buitenkansje bezorgd. In ’t eerst heb ik me nog al van

ondergoed voorzien, en toen ik goed onderlegd was, heb ik mijn duitjes

in de spaarbank gezet, en dat bedraagt al een heel sommetje. Wanneer u

me dus maar kost en inwoning geeft, dan kan ik met de renten best

toekomen.”

„Maar, beste Trui! op die conditie kan ik immers geen meid aannemen.

Meneer zou daar niet in toestemmen.”

De erfenis eener moeder · 第 1 / 15 段