THUISKOMST.

Twaalf mijlen scheidden ons nauwelijks van Orizava, en wij vergingen

van ongeduld om thuis te komen. Lucien, die geheel hersteld was, beklom

het eerst den berg. De vogels zongen, de insecten gonsden, de bloemen

ontloken met een feestgelaat; allengs trokken alle voortbrengselen van

het Gematigde Land langs onze oogen heen. Als wij nu pas vertrokken,

zouden wij de bananen-, koffie-, oranje- en citroenboomen bewonderd

hebben, maar nu wenschte iedereen vleugels te hebben, om spoediger thuis

te zijn. Bergen, bosschen, valleien werden met eene koortsachtige haast

over- en doorgetrokken en de nacht alleen kon ons noodzaken rust te

nemen. Jaunet en Verdet hadden gedurende een groot gedeelte van den

weg de twee namen gestameld, welke hun jonge meester hun geleerd had.

Om drie uur in den morgen verweet Lucien ons reeds dat wij zoo langzaam

waren. Wij ontmoetten eene Indiaansche hut; ons verwilderd uiterlijk

maakte de bewoners eerst bevreesd. Langzamerhand stelden zij zich echter

gerust en onthaalden ons op gebraden boonen en _tasojo_, in de zon

gedroogd ossenvleesch. De Encuerado verlichtte zijne mars met wat van

onzen voorraad overbleef en schonk het onzen gastheer; daarna begon hij,

tot aan het laatste oogenblik de gebaande wegen versmadende, een heuvel

te beklimmen.

»O! mama, lieve mama,” riep Lucien uit; »als zij eens wist, hoe dicht

wij in hare nabijheid zijn.”

En hij liep met zooveel vuur vooruit, dat wij hem met moeite konden

volgen.

»Drommels, drommels!” herhaalde Sumichrast, »zijt gij dan het

spreekwoord vergeten: Wie langzaam gaat, gaat zeker! uwe overijling zou

ons in een ravijn kunnen doen storten; laten wij, als 't u belieft, zien

dat wij heelhuids aankomen.”

De knaap hield zich in; maar weldra liep hij weer met Gringalet vooruit,

die eveneens blijde scheen te zijn en begon te begrijpen dat hij weldra

zijn hok en zijn voerschotel zou terugvinden.

Eensklaps groetten eenige houthakkers mij bij mijn naam. Verrukt over

de verhalen van den Encuerado, begeleidden zij ons meer dan een uur.

Zij zagen Lucien vol bewondering aan, en deze zou er zeker hoovaardig

door geworden zijn, als niet de gedachte dat hij weldra zijne moeder,

broertjes en zusjes zou omhelzen, elke andere gedachte overheerscht had.

De Indianen verlieten ons aan den voet van den berg, den laatsten dien

wij nog over te trekken hadden en waarvan de steile helling onzen ijver

temperde.

»Emile, Emile, Emile,” riep Jaunet.

—Hortense, Hortense! antwoordde Verdet.

—»Zij kunnen u nog niet hooren,” zeide de Encuerado hun, »maar dezen

avond zult gij kennis met hen maken. Maar ge zult, hoop ik, niet

vergeten, dat ik, als gij hen ooit bijt, verplicht zal zijn jelui

ook te bijten en mijne tanden zijn wel zoo goed als jelui bek.”

Lucien kwam het eerst op het bergvlak en de vulcaan van Orizava

vertoonde zich vlak vóór ons. Nog eenige schreden en onze oogen staarden

op eene onmetelijke vallei,—Orizava strekte zich voor onze voeten uit.

De jonge reiziger beschouwde de stad, waarin hij geboren was; hij

gevoelde niet eens dat de tranen onwillekeurig langs zijne wangen

vloeiden; hij strekte de armen uit en snikte.

»Ik schrei omdat ik zoo gelukkig ben,” zeide hij tot zijn vriend, die

hem wilde troosten.

Wij deelden trouwens allen zijne ontroering. Het was de 5 Juli, ik riep

de verschillende voorvallen van onze reis, die zeven en zeventig dagen

geduurd had, en gedurende welke wij meer dan driehonderd mijlen hadden

afgelegd, in mijn geheugen terug. Nu wij de haven bereikten, was ik

blijde de reis te hebben ondernomen. Ik dankte God voor Zijne blijkbare

bescherming en voor het laatst gaf ik het teeken tot het vertrek.

Naar gelang wij afdaalden, vertoonde de stad zich ook duidelijker. De

Encuerado somde de kerken en straten op; eindelijk ontdekte Lucien ons

huis, dat door een prachtigen oranjeboom gemakkelijk te herkennen was.

De Borrego, badende in het zonlicht, droeg op zijn top de Fransche vlag.

Om aan het ongeduld van den knaap te voldoen, die zoo spoedig mogelijk

thuis wilde zijn, voerde Sumichrast ons in een steil ravijn. De karavaan

bereikte de vallei juist op het oogenblik dat de klokken den _Angelus_

luidden.

De zon ging onder en de duisternis omgaf ons. Ieder oogenblik gingen ons

Indianen voorbij en hier en daar werden de lichten reeds aangestoken.

De _Rio Bianco_ versperde ons den weg; maar hier en daar vergunden

verspreide rotsblokken ons haar bijna droogvoets over te trekken.

Gringalet begon te blaffen en verdween eensklaps als eene pijl. Twintig

minuten later trokken wij Orizava door de achterafgelegen straten

binnen, teneinde niet te veel volk op onze hielen te krijgen. De

beweging in de stad kwam ons zeer vreemd voor. Op vijftig schreden

afstands van mijne woning namen Lucien en de Encuerado den looppas aan;

zij vonden het geheele huisgezin op den drempel; Gringalet had onze

komst aangekondigd.

Toen ik op den binnenhof kwam, vond ik Lucien en zijne moeder in

elkanders armen schreien; Emile, Hortense en Amelie draaiden rondom de

mand, waarop Jaunet en Verdet zaten. In een hoek bemerkte ik de kisten,

welke ik aan Torribio had toevertrouwd.

Met welk een geluk nam ik nu weer in een goeden armstoel en te midden

der mijnen plaats! Men vond, dat Lucien groot was geworden; maar zijne

bruine tint, zijne magerte en de litteekens waarmede hij overdekt was,

legden getuigenis af van de zware beproevingen, die hij ondergaan had.

De Encuerado ging tegen den post van de deur van het salon staan en

krulde de breede randen van zijn hoed, op gevaar af van ze te misvormen,

rond.

»Zonder hem zouden wij omgekomen zijn!” zeide ik tot mijne vrouw.

De brave Indiaan kuste de hand zijner meesteres.

»Och! Senora,” riep hij met tranen in de oogen uit, »wat is Chanito

moedig geweest; als gij u de moeite wilt geven meester Job te

ondervragen, zal hij er u wel een woordje over zeggen; hij heeft hem

gezien, in de bosschen zoowel als in de Savanne.”

Mijne kinderen kwamen de zaal binnenstormen; zij hadden de mand

doorgesnuffeld en kibbelden nu om de arme Rougette, die in het

waterbekken in den tuin werd gebracht.

Jaunet en Verdet, op de leuning van een stoel gezeten, herhaalden als om

strijd de namen van Hortense en Emile; de beide kinderen verbleekten van

genoegen en verbazing.

»Gij ziet nu wel, dat ik ook met u had kunnen meegaan,” riep Emile met

eene zonderlinge bewijsvoering uit, »de papegaaien kennen mij zelfs.”

—Neen, geen reizen meer,” sprak mijne vrouw; »ik wil mij niet meer aan

zulke langdurige ongerustheid bloot stellen.

—Bah! Bah!” antwoordde Sumichrast; »gij zult meester Zonnestraal nog

wel eens een klein tochtje toestaan.”

Op het zelfde oogenblik kwam meester Job, die zich door Gringalet liet

voorstellen, vol ernst op het tapijt plaats nemen en liet zich aanhalen.

Hoe gelukkig was ik niet, nu ik mij weer aan tafel bevond, omringd door

al de wezens, die mijn hart zoo dierbaar zijn! De Encuerado juichte

Lucien toe, die zijne moeder telkens deed ontroeren door zijn verhaal

van de voornaamste voorvallen van onze reis.

»Als het mijne beurt wordt om meê in de bosschen te gaan,” sprak Emile,

die in een tijgerhuid gewikkeld binnen kwam, »dan zal ik...”

Hij kon zijn volzin niet voltooien, daar hij verplicht was zijn

zegeteeken te verdedigen tegen zijn zusje Amelie, die beweerde dat de

tijgerhuid groot genoeg voor hen beiden was.

»Niet waar, mama, u laat mij nog wel eens met papa meegaan?” vroeg

Lucien. »Onze verzameling is nog niet voltallig. Den een of anderen tijd

zullen wij haar toch moeten aanvullen.”

In die vraag vond men den jongen natuuronderzoeker terug. Onverzadigbaar

te zijn is het lot van den verzamelaar.

De arme moeder schudde met het hoofd en omhelsde hem, zonder te

antwoorden. Maar uit dat stilzwijgen kon men opmaken, dat zij haar kind

niet gaarne aan de gevaren van eene nieuwe reis zou blootstellen.

+------------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |

| |

| Bron (B:) — Correctie (C:) |

| |

| B: 15 |

| C: 14 |

| B: ontwaken.—Een Liliput-wereld.—De |

| C: ontwaken.—Een Lilliput-wereld.—De |

| B: 23 |

| C: 22 |

| B: 821 |

| C: 121 |

| B: lichtkevers—De gothische |

| C: lichtkevers.—De gothische |

| B: |

| C: 162 |

| B: Coyotopec |

| C: Coyotepec |

| B: XII. De galwespen.—Een |

| C: XXII. De galwespen.—Een |

| B: dadelpruimenboom—De |

| C: dadelpruimenboom.—De |

| B: nachtelijk bezoek—Val van een |

| C: nachtelijk bezoek.—Val van een |

| B: de Palmboomen-Villa—De Parra |

| C: de Palmboomen-Villa.—De Parra |

| B: 299 |

| C: 269 |

| B: Ibis.—De kaaimans—De |

| C: Ibis.—De kaaimans.—De |

| B: gieren.—De pinolillas—Een |

| C: gieren.—De pinolillas.—Een |

| B: den Encuerado—Een kleine |

| C: den Encuerado.—Een kleine |

| B: zijn? Kan ik geen hout zoeken, |

| C: zijn. Kan ik geen hout zoeken, |

| B: zijn mexicaansche deken (sarapé) |

| C: zijn Mexicaansche deken (sarapé) |

| B: beteekent in t Spaansch tegelijkertijd |

| C: beteekent in 't Spaansch tegelijkertijd |

| B: ZIJN.—GRINGALET.—ZONSOPKOMST. HET |

| C: ZIJN.—GRINGALET.—ZONSOPKOMST.—HET |

| B: Gringalet maar mêe nemen riep |

| C: Gringalet maar meê nemen riep |

| B: een sterke Zuidewind, die het |

| C: een sterke Zuidenwind, die het |

| B: —O riep Lucien uit, als |

| C: —O, riep Lucien uit, als |

| B: spoediger de opgegete suiker te |

| C: spoediger de opgegeten suiker te |

| B: de hut eene guitar] met drie snaren, |

| C: de hut eene guitaar met drie snaren, |

| B: daarom wilde ik u ok op |

| C: daarom wilde ik u ook op |

| B: flammetje danst, met aarde dicht |

| C: vlammetje danst, met aarde dicht |

| B: betraden onze voeters een |

| C: betraden onze voeten een |

| B: dan vijftienhonderd mijlen boven de |

| C: dan vijftienhonderd meter boven de |

| B: over eene uitgestrekheid van verscheidene |

| C: over eene uitgestrektheid van verscheidene |

| B: de beide eekhorens braadden. |

| C: de beide eekhoorns braadden. |

| B: dat Sumichrost en ik staande en |

| C: dat Sumichrast en ik staande en |

| B: huid van de Toerokoes goed bereid en |

| C: huid van de Soeroekoes goed bereid en |

| B: van Orizava of Citlapetle, dat |

| C: van Orizava of Citlatepetl, dat |

| B: is de Popocatepettl? vroeg hij. |

| C: is de Popocatepetl? vroeg hij. |

| B: langzaam en lui. |

| |

| Wij zullen |

| C: langzaam en lui. Wij zullen |

| B: ge, Chanita, sprak de Encuerado, |

| C: ge, Chanito, sprak de Encuerado, |

| B: —Toen de Indiaan een nieuw stuk boomschors oplichte, |

| C: Toen de Indiaan een nieuw stuk boomschors oplichtte, |

| B: gerust aanvatten,” er is niets |

| C: gerust aanvatten, er is niets |

| B: niet anders,” de salamander is, evenals |

| C: niet anders, de salamander is, evenals |

| B: een der soerokoes kookte, terwijl |

| C: een der soeroekoes kookte, terwijl |

| B: afgebeeld met een panter uit kleine |

| C: afgebeeld met een pantser uit kleine |

| B: beweerde dat. als God aan den |

| C: beweerde dat, als God aan den |

| B: zich tegengehouden, hoe hij zich bij |

| C: zich tegengehouden, toen hij zich bij |

| B: er niet aangedacht, dat gij |

| C: er niet aan gedacht, dat gij |

| B: door eene instorting die, vier of |

| C: door eene instorting, die vier of |

| B: —Stil,” dat is de schrijnwerker-vogel, antwoordde |

| C: —Stil, dat is de schrijnwerker-vogel, antwoordde |

| B: scheen zich verwijderd te hebben,” |

| C: scheen zich verwijderd te hebben, |

| B: Indiaan vergistte zich; ik was |

| C: Indiaan vergiste zich; ik was |

| B: geeindigd, of Lucien kwam op |

| C: geëindigd, of Lucien kwam op |

| B: Zijn de tatoes zeldzaam? |

| C: —Zijn de tatoes zeldzaam? |

| B: verwoesten, kunnen meester worden |

| C: verwoesten, kunnen meester worden. |

| B: hoe Sumichrait vol zorg de bladeren, |

| C: hoe Sumichrast vol zorg de bladeren, |

| B: zooals Gringelet doet. Mama raadde |

| C: zooals Gringalet doet. Mama raadde |

| B: invloeden te bezweren. |

| |

| Bovendien was de vogel |

| C: invloeden te bezweren. Bovendien was de vogel |

| B: _tuza's_,[19], door de landbouwers |

| C: _tuza's_,[19] door de landbouwers |

| B: gevreesde mexicaansche mollen, graven. |

| C: gevreesde Mexicaansche mollen, graven. |

| B: gescheeuw, de vlucht. |

| C: geschreeuw, de vlucht. |

| B: had een nest scolenpenders, gewoonlijk |

| C: had een nest scolopenders, gewoonlijk |

| B: dien zij gewoonlijk inboezemenen. |

| C: dien zij gewoonlijk inboezemen. |

| B: ceders, olmen en guaiacboomen. De |

| C: ceders, olmen en gaiacboomen. De |

| B: SLECHTE NACHT. DE ONTWORTELDE |

| C: SLECHTE NACHT.—DE ONTWORTELDE |

| B: SALSAPARILLE. GRINGALET ONTDEKT EENE |

| C: SALSAPARILLE.—GRINGALET ONTDEKT EENE |

| B: Cordillera's tegen de roode |

| C: Cordilleras tegen de roode |

| B: wanluidende kreeten van hct gevecht, |

| C: wanluidende kreeten van het gevecht, |

| B: die ons beschut. Een boom stortte |

| C: die ons beschut. |

| |

| Een boom stortte |

| B: deze algemeene verwoes, ting zou een tak, |

| C: deze algemeene verwoesting zou een tak, |

| B: was van mee- dan een orkaan |

| C: was van meer dan een orkaan |

| B: de Indiaan ons, toe dat hij een groep |

| C: de Indiaan ons toe dat hij een groep |

| B: ondergaande zon verrastte ons, toen wij |

| C: ondergaande zon verraste ons, toen wij |

| B: den vulkaan ware uigebraakt |

| C: den vulkaan waren uitgebraakt |

| B: wel, anwoordde Lucien, en de |

| C: wel, antwoordde Lucien, en de |

| B: adervleugelige of _neurophtere_, aldus |

| C: adervleugelige of _neuroptere_, aldus |

| B: kwaad doen? »vroeg Sumichrast aan |

| C: kwaad doen? vroeg Sumichrast aan |

| B: De wilde gayavaboom of Indiaansche |

| C: De wilde goyavaboom of Indiaansche |

| B: gayavavruchten over den grond rolden. |

| C: goyavavruchten over den grond rolden. |

| B: handje vol gayava's te kunnen |

| C: handje vol goyava's te kunnen |

| B: dat de gayavavruchten in vierentwintig |

| C: dat de goyavavruchten in vierentwintig |

| B: welke hij ommiddellijk, onder het |

| C: welke hij onmiddellijk, onder het |

| B: zeide de Encuerado en slechts goed om |

| C: zeide de Encuerado, en slechts goed om |

| B: ook dikwijls schilpadden wonden zien |

| C: ook dikwijls schildpadden wonden zien |

| B: soorten uit Azië en Afrika[25] |

| C: soorten uit Azië en Afrika.[25] |

| B: die den fezant versmaadde. |

| C: die den fazant versmaadde. |

| B: de Encuerado aan Gringolet, |

| C: de Encuerado aan Gringalet, |

| B: Gewoonlijk uit zwavel, chroom |

| C: —Gewoonlijk uit zwavel, chroom |

| B: werk mijne metgezellen mêe te nemen |

| C: werk mijne metgezellen meê te nemen |

| B: een inwoner van Brazilie, dien |

| C: een inwoner van Brazilië, dien |

| B: bleven wij voor een gayacboom |

| C: bleven wij voor een gaiacboom |

| B: Morgen zal Tato Sumichrast ons vertellen, |

| C: Morgen zal Tata Sumichrast ons vertellen, |

| B: massa's. Eenige, die zoo oud zijn |

| C: massa's voor. Eenige, die zoo oud zijn |

| B: van St. Ignatius noemen” en waarvan de |

| C: van St. Ignatius” noemen en waarvan de |

| B: of _marsupialen_ genoemd worden |

| C: of _marsupialen_ genoemd worden. |

| B: holen toe. Een _jaquarete_ |

| C: holen toe. Een _jaguarete_ |

| B: ze toch wel goed smaken, |

| C: ze toch wel goed smaken. |

| B: oneffenheden zijn, vastklampen, Eensklaps liet de |

| C: oneffenheden zijn, vastklampen. Eensklaps liet de |

| B: vinden?” vroeg Luciën, wien dit verhaal |

| C: vinden?” vroeg Lucien, wien dit verhaal |

| B: brengen, |

| C: brengen. |

| B: waar, Tatito, dat is lekker? |

| C: waar, Tatita, dat is lekker? |

| B: betalen.” antwoordde ik. |

| C: betalen,” antwoordde ik. |

| B: XIX |

| C: XIX. |

| B: zijn weg overpoosd vervolgd. Ik |

| C: zijn weg onverpoosd vervolgd. Ik |

| B: men kon onmogeiijk voortgaan zonder ze bij |

| C: men kon onmogelijk voortgaan zonder ze bij |

| B: huid van den fraaien Saurier |

| C: huid van den fraaien Sauriër |

| B: —Een metereologisch verschijnsel, gelijk |

| C: —Een meteorologisch verschijnsel, gelijk |

| B: weinig uren voordoen. Geen boomen. |

| C: weinig uren voordoen. Geen boomen, |

| B: »Een pad,,' riep deze eensklaps uit. |

| C: »Een pad,” riep deze eensklaps uit. |

| B: —Wij wisselden een blik; daarna, |

| C: Wij wisselden een blik; daarna, |

| B: gasten van Coyotopec; komt mede.” |

| C: gasten van Coyotepec; komt mede.” |

| B: Coyotopec—steenen chacal—kon ongeveer |

| C: Coyotepec—steenen chacal—kon ongeveer |

| B: WORDEN SCHRIJNWERKERS. DE ENCUERADO |

| C: WORDEN SCHRIJNWERKERS.—DE ENCUERADO |

| B: WAAIERPALMEN. DE ADVOCAATBOOM.—DE |

| C: WAAIERPALMEN.—DE ADVOCAATBOOM.—DE |

| B: GIER. EENE MOEIELIJKE ONDERHANDELING.—DE |

| C: GIER.—EENE MOEIELIJKE ONDERHANDELING.—DE |

| B: magere soep van maiskoeken |

| C: magere soep van maïskoeken |

| B: borbonica_. (_Livistonia sinensis_), is een |

| C: borbonica_ (_Livistonia sinensis_), is een |

| B: XV. |

| C: XXII. |

| B: Deze fraaie meerl, bijvoorbeeld, |

| C: Deze fraaie merel, bijvoorbeeld, |

| B: voorbrengt. |

| C: voortbrengt. |

| B: Onze stille gang verrastte eenige |

| C: Onze stille gang verraste eenige |

| B: Al waren zij ook nog zoo mooi, |

| C: —Al waren zij ook nog zoo mooi, |

| B: bruine en groene kakkerlakkken, maar |

| C: bruine en groene kakkerlakken, maar |

| B: (N. v. d. V. |

| C: (N. v. d. V.) |

| B: —Een »vliegende rat” herhaalde |

| C: —Een »vliegende rat”, herhaalde |

| B: deelen. Een schilpad, die den terugtocht |

| C: deelen. Een schildpad, die den terugtocht |

| B: »Oh! Tatita, sprak hij,” »'t |

| C: »Oh! Tatita,” sprak hij, »'t |

| B: —Maar het het zal u met zijn |

| C: —Maar het zal u met zijn |

| B: ik zag drie chachalaca's wegvliegen en |

| C: ik zag drie chachalacas wegvliegen en |

| B: spoedig gevonden werd Evenals de Wandelende |

| C: spoedig gevonden werd. Evenals de Wandelende |

| B: middelste er uit, Chanito” riep de Encuerado, |

| C: middelste er uit, Chanito!” riep de Encuerado, |

| B: maar niet, Clanito; gij zult eens |

| C: maar niet, Chanito; gij zult eens |

| B: werd het klinmen en dalen veelvuldiger. |

| C: werd het klimmen en dalen veelvuldiger. |

| B: —»Gednld maar,” antwoordde Sumichrast, |

| C: —»Geduld maar,” antwoordde Sumichrast, |

| B: bromelacee. |

| C: bromeliacee. |

| B: toekomenende deel; daarna, en |

| C: toekomende deel; daarna, en |

| B: wolfsmelkboomen,” antwoordde Sumichast. |

| C: wolfsmelkboomen,” antwoordde Sumichrast. |

| B: »en met twee sabelhouwen |

| C: en met twee sabelhouwen |

| B: gemaakt.” |

| C: gemaakt. |

| B: die de geleerde _Manti_ (spookjes) |

| C: die de geleerden _Manti_ (spookjes) |

| B: waarover de arabische vertellers zoo |

| C: waarover de Arabische vertellers zoo |

| B: Tamantua tetradactyla. De vijfteenige mierenbeer |

| C: Tamandua tetradactyla. De vijfteenige mierenbeer. |

| B: plotseling tegenover den Encurado. Hij |

| C: plotseling tegenover den Encuerado. Hij |

| B: knalde een schot; de tamadua kruiste |

| C: knalde een schot; de tamandua kruiste |

| B: »Nader niet. Tata Sumichrast,” |

| C: »Nader niet, Tata Sumichrast,” |

| B: Gringolet er zich over heen |

| C: Gringalet er zich over heen |

| B: twee prachtige koeroekoes met lange |

| C: twee prachtige soeroekoes met lange |

| B: eens,” »zeide ik hem, opdat de |

| C: eens,” zeide ik hem, »opdat de |

| B: gedurende een kwartieruurs bleef ik met |

| C: gedurende een kwartier uurs bleef ik met |

| B: geluid. Bromelaceeën gaven ons genoeg |

| C: geluid. Bromeliaceeën gaven ons genoeg |

| B: »den toon van den Encuerado nabootsende, schaamt |

| C: den toon van den Encuerado nabootsende, »schaamt |

| B: hij eensklaps, en wees het vooral |

| C: hij eensklaps, »en wees het vooral |

| B: om mij; »komaan, ik weet het |

| C: om mij; komaan, ik weet het |

| B: »'t Is of het schreit.” |

| C: 't Is of het schreit.” |

| B: bromelaceeën leverden ons voldoende |

| C: bromeliaceeën leverden ons voldoende |

| B: Chanito! antwooordde eene stem in |

| C: Chanito! antwoordde eene stem in |

| B: ons door hunne schaduw beschutten, |

| C: ons door hunne schaduw beschutten. |

| B: overeenkomen |

| C: overeenkomen. |

| B: onaangeroerd laat liggen (N. v. d. B). |

| C: onaangeroerd laat liggen. (N. v. d. B.) |

| B: zette, of halstarrig zijne vingers |

| C: zette, of halsstarrig zijne vingers |

| B: bijbrachten om het melancolische dier op te |

| C: bijbrachten om het melancholische dier op te |

| B: plaatste de schilpad in dit |

| C: plaatste de schildpad in dit |

| B: daar in 't minst aan te denken |

| C: daar in 't minst aan te denken. |

| B: vogel van de Egytenaren, die |

| C: vogel van de Egyptenaren, die |

| B: vraag. Ik kwam weer bij het bivak |

| C: vraag.” Ik kwam weer bij het bivak |

| B: —Baparalaca, sprak Jaunnet. |

| C: —Baparalaca, sprak Jaunet. |

| B: pret hebben gehad,” Chanito. |

| C: pret hebben gehad, Chanito.” |

| B: de visschen gelachen!” |

| C: de visschen gelachen?” |

| B: aan de oogen gespieten; een hunner, |

| C: aan de oogen gespleten; een hunner, |

| B: eerstwilde hij niet; het uiterlijk |

| C: eerst wilde hij niet; het uiterlijk |

| B: on overwinbaren afkeer in. |

| C: onoverwinbaren afkeer in. |

| B: De door de horsels gekwelde troep |

| C: De door de horzels gekwelde troep |

| B: TAPIR—AFSCHEID VAN DE RIVIER.—DE |

| C: TAPIR.—AFSCHEID VAN DE RIVIER.—DE |

| B: met de schilpadeieren te ledigen, die |

| C: met de schildpadeieren te ledigen, die |

| B: dat men een anto-burro kan dooden. |

| C: dat men een ante-burro kan dooden. |

| B: de vulkaan van Orizaba, waaromheen wij |

| C: de vulkaan van Orizava, waaromheen wij |

| B: kortste weg om Orizaba te bereiken. |

| C: kortste weg om Orizava te bereiken. |

| B: prairiën van 't Noorden naar |

| C: prairieën van 't Noorden naar |

| B: hebben kunnen meenen, dat Orizaba |

| C: hebben kunnen meenen, dat Orizava |

| B: ondervroeg weer den gezichtseinder:—helaas! |

| C: ondervroeg weer den gezichteinder:—helaas! |

| B: DE DORST—TERUGKEER VAN |

| C: DE DORST.—TERUGKEER VAN |

| B: KLEINE ZWERFTOCHT—JAUNET, |

| C: KLEINE ZWERFTOCHT.—JAUNET, |

| B: AVONTUUR—HET GEMATIGDE LAND. |

| C: AVONTUUR.—HET GEMATIGDE LAND. |

| B: koelbloedigheid, «'t werd tijd.” |

| C: koelbloedigheid, »'t werd tijd.” |

| B: Sumichrast toeeilde en hem omhelsde. |

| C: Sumichrast toeijlde en hem omhelsde. |

| B: «Drink,” zeide ik hem. |

| C: »Drink,” zeide ik hem. |

| B: kwam een ruiter aanrennen, Deze bleef |

| C: kwam een ruiter aanrennen. Deze bleef |

| B: Ik beval den Encueredo den jongen |

| C: Ik beval den Encuerado den jongen |

| |

+------------------------------------------------------------+

Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker · 第 54 / 54 题