XXXV.

DE DORST.—TERUGKEER VAN DEN ENCUERADO.—DE KLEINE ZWERFTOCHT.—JAUNET,

VERDET EN ROUGETTE.—JACHT OP WILDE PAARDEN.—EEN MONSTER.—LAATSTE

AVONTUUR.—HET GEMATIGDE LAND.

De onderneming bleek boven onze krachten te zijn; hijgende, stikkende,

door den dorst gekweld, betreurde ik het, dat wij niet gedurende den

nacht gemarcheerd hadden. Wat zouden wij niet gegeven hebben voor een

dier onweders, die ons acht dagen te voren zoo hinderlijk waren geweest?

Maar het uitzicht van den hemel ontnam ons zelfs deze laatste hoop.

In den namiddag deelde ik eenige stukken maïskoek uit en moest men zich

met een slokje water tevredenstellen. Lucien klaagde niet meer; maar de

vermoeidheid en zijne pijnlijke voeten verwekten verschijnselen van

koorts, waarover ik mij ongerust begon te maken.

»Ik heb dorst”, herhaalde hij zonder ophouden; »mijne voeten doen erg

zeer; maar ik zou genezen zijn, als ik kon drinken.”

Herhaalde malen reikte mijn vriend hem zijne veldflesch over,—dan was

zijne marteling een weinig minder, doch zij keerde weldra terug. De

nacht naderde en wij maakten ons gereed tot een wanhopigen marsch. Een

slokje cognac verschafte ons schijnbaar kracht, waarvan ik besloot

gebruik te maken. Nog vóór de zon onderging, nam ik Lucien op mijne

schouders en ging ik vooruit. Ik moest twintigmaal stil blijven staan

om adem te scheppen en twintigmaal werd de marsch weer hervat. Lucien

volgde ons nu en dan hinkende. Tegen tien uur waren onze krachten

uitgeput doch gelukkig vertoonde zich een goed voorteeken: het gras werd

minder hoog.

»Wij zijn gered!” riep ik uit.

—Drommels, drommels!” antwoordde Sumichrast met zijne gewone

koelbloedigheid, »'t werd tijd.”

Na eene vrij lange rust maakte ik mij gereed om Lucien te wekken, toen

ik een dof geluid meende te hooren. Ik schoot op goed geluk mijn geweer

af; maar het schot stierf zonder echo weg,—wij hadden ons vergist.

De arme Lucien stond op en zijn eerste woord was ons wat water te

vragen; ik gaf hem eenige druppels met cognac vermengd.

»Wat zou mama bedroefd zijn,” zeide hij »als zij wist dat wij geen water

hebben.”

—»Dat is mijne schuld,” riep Sumichrast uit, zijn gelaat met de handen

bedekkende.

—»'t Gaat al beter, ik heb geen dorst meer,” sprak de knaap, die naar

Sumichrast toeijlde en hem omhelsde. »Komt, laat ons loopen; gij zult

zien dat ik bijna niet meer hink.”

—»Gij hebt gelijk, op weg!” herhaalde Sumichrast. Hij beurde Lucien met

kracht op en begon met vaste schreden te loopen. Ik nam meester Job op,

die zeker wel verbaasd over deze nachtelijke reizen moet geweest zijn.

Eensklaps weerklonk een dof geluid; ditmaal hadden wij ons niet vergist.

Ik bleef staan om beter te kunnen luisteren; een schot deed de lucht

trillen.

»De Encuerado!” riep ik uit.

Ik omhelsde Lucien herhaalde malen, Sumichrast schoot zijn geweer af en

een nieuwe losbranding beantwoordde zijn schot. Ik had, op mijne beurt,

de oogen vol tranen.

Het geraas naderde; men hoorde het galoppeeren van een paard, een bekend

blaffen weerklonk.

»Gringalet,” sprak Lucien.

—Hioe.... hioe... hioe... Chanito!....

Onze ontroering liet ons nauwelijks toe antwoord te geven op het roepen

van den Indiaan, die van zijn paard sprong en op den knaap toeliep,

wiens hoofd hij tegen zijne borst drukte. Gringalet ging geheel uitgeput

op den grond liggen, na met zijn neus tegen onze beenen gewreven te

hebben.

Ik naderde den Encuerado, toen zijne oogen zich eensklaps sloten; hij

sloeg zijne armen uit en viel als levenloos neder. Ik ijlde op hem toe

en ontrukte hem zijne veldflesch; zij was vol! Door Sumichrast geholpen,

goot ik eenige druppels cognac tusschen zijne opeengeklemde tanden.

Langzamerhand kwam hij weer bij kennis en zag ons verbaasd aan.

»Drink,” zeide ik hem.

Hij bracht de flesch aan zijne lippen en riep uit:

»'t Is voor Chanito.”

Ieder dronk op zijne beurt; daarop gaf de Indiaan ons een stuk

geroosterd vleesch. Ik droeg zorg de porties te verdeelen.

»Eet gij op uw gemak,” sprak ik tot den Encuerado.

—O, ik heb even goed honger als gij; sedert ik u verlaten heb, heb ik

noch gegeten noch gedronken.

De bezwijming van den braven Indiaan week nu. Ik zag hem met

verwondering aan.

»Als ik gegeten of gedronken had, zou ik hebben willen slapen,”

antwoordde hij op den eenvoudigsten toon van de wereld, »en wat zou er

dan van u geworden zijn? Maar honger en dorst hebben mij zóó geprikkeld,

dat ik geen oogenblik verloren heb.”

»Dat is krankzinnigheid,” riep ik uit.

»Eene heldhaftige krankzinnigheid,” herhaalde Sumichrast, de hand van

den Indiaan drukkende.

»Neen,” sprak hij, »gij moet mij niet voor krankzinnig aanzien, ik heb

naar mijne beste weten gehandeld.”

—»Groot kind,” hervatte ik, »gij hadt uwe krachten moeten herstellen;

als zij u verlaten hadden, wat zou er dan van ons worden!

De Encuerado hoorde mij niet meer; hij was in een diepen slaap gevallen.

Wij volgden zijn voorbeeld.

Bij ons ontwaken besteeg de Encuerado zijn paard, een jongen

appelgrijzen schimmel met somber en vurig oog, dat hij liet zwenken,

nam Lucien vóór zich en ontlastte mij van meester Job. Toen de voor

volgende, die wij op onzen marsch in het gras gemaakt hadden, voerde

onze gids ons naar onze bagage terug, die wij dachten dat door Jaunet en

Verdet wel verlaten zou zijn.

»Wij hebben veel naar je gezocht,” zeide Lucien tot zijn vriend »en

wij waren zeer bedroefd over je vertrek. Papa vreesde eerst dat je een

ongeluk was overkomen; maar Gringalet was bij je.”

—Waarom zijt gij vertrokken zonder ons te waarschuwen? vroeg

Sumichrast.

—Omdat gij mij belet zoudt hebben mijn plan te volgen. Toen wij zijn

gaan liggen, hield ik mij alsof ik sliep; maar ik dacht er aan, dat onze

voorraad weldra op zou zijn, dat Chanito weldra niet meer in staat zou

zijn te loopen en dat die drommelsche mand onzen marsch zou vertragen.

Ik was overtuigd, dat wij spoedig bosschen en kudden moesten ontmoeten.

Ik ben niet bang voor de zon; ge waart dan ook nauwelijks ingeslapen of

ik ben naar de flesch cognac gegaan en heb er twee of drie slokken

uitgenomen...

Bij deze bekentenis zag de Indiaan mij angstig aan.

»Gij hadt de geheele flesch meê moeten nemen,” riep ik uit; »gij wist

wel dat wij er nog een hadden. Maar vertel verder.”

—De cognac is een goede raadgever, Tatita; hij zeide mij: ga, ga

dadelijk. Toen heb ik mijne flesch en mijn geweer genomen en heb ik

Gringalet zachtjes geroepen. Eenmaal buiten het bereik van uwe ooren,

heb ik den looppas aangenomen, zooals gij dat noemt. Als gij de tong

van Gringalet eens gezien hadt, Chanito, hij had eenen dorst!...

—»En gij dan?”

—Ik ook; maar om te kunnen drinken, moest ik eerst loopen; ik had

evenwel veel lust wat te rusten; maar dan dacht ik aan u en liep nog

eens zoo hard.

Ik drukte de hand van mijn wakkeren dienaar, wiens oog van voldoening

schitterde.

»Zonder te weten hoe, struikelde ik,” zoo vervolgde hij, »en het scheen

mij toe, alsof ik insliep. Toen ik de oogen weer opende, was de zon

verdwenen en Gringalet likte mij het gelaat. Ik stond half verdoofd

op... dat kwam van den cognac.

—»Dat kwam van uitputting,” zeide ik.

—Ik heb den cognac goed aangesproken, Chanito; Gringalet zou u kunnen

vertellen, hoe ik hem de waarheid heb gezegd. Ik hervatte mijn loop;

mijn gezicht verduisterde; maar de koelte van den nacht frischte mij

weer op. Ik zag groote zwarte vormen voor mij en ik wreef in mijne oogen

om ze te verdrijven, maar hoe meer ik wreef, des te grooter werden de

vormen; het waren boomen, ik heb den eersten, dien ik ontmoette, omhelsd

en ik begon te schreien, altijd zonder te weten waarom.”

De knaap drukte zich ontroerd tegen den ruiter aan.

»Wat een mooie boom, Chanito! Op den stam groeide een Paaschbloem; ik

dronk een slokje water en gaf het overige aan Gringalet, ik ben gaan

zitten om den dag af te wachten, want ik sliep staande....

—»Arme Chema!” murmelde de knaap.

—De zon begon zich reeds te vertoonen, toen ik wakker werd. Ik begaf

mij onder de boomen en in minder dan een kwartier was ik het bosch

doorgeloopen; ik bemerkte toen een groot meer, paarden en stieren....

»En waart gij toen aan het eind van uw lijden?” vroeg Sumichrast.

—Ja, oogenschijnlijk; maar, ziet gij, de ante-burro wilde zich wreken;

mijne krachten begaven mij en mijne verstijfde beenen konden nauwelijks

eene beweging maken. Ik heb meer dan vier uur noodig gehad, om dezen

drommel te vangen,” vervolgde de Indiaan, zijn paard een slag gevende,

zoodat het opsprong.

—Het kwam van honger, dorst en vermoeidheid.

—En waarom zou ik honger en dorst hebben gehad, als 't niet door den

ante-burro kwam? Denkt gij dan dat Tata Sumichrast, zonder dat

verwenschte dier ooit de veldflesch zou gebroken hebben? Wij zullen in

't vervolg die _crustaceeën_[47] met vrede laten, want zij behooren tot

de familie des duivels.

[47] Crustacee = schaaldier.

»Vertel verder,” zeide ik, niet zonder te glimlachen om het woord

_crustacee_, dat zoo zonderling door den Indiaan werd toegepast.

—Ik slaagde er eindelijk in dit veulen, dat aan zijn dij het merk van

den eigenaar draagt, aan mijn lazo te krijgen. Eerst was het weerbarstig

en droeg mij als de wind tusschen de stieren; maar ik werd boos en het

herkende mij als zijn meester. Een kalf, dat om ons kwam snuffelen,

verschafte mij eenen bout. Toen het vleesch gebraden was, hernam ik den

weg, dien ik eerst gevolgd was, met zooveel snelheid, dat Gringalet zich

er meermalen over beklaagde.

—Zijt gij dan naar het bivak teruggekeerd?

—Ja, en ik heb daar Jaunet en Verdet gezien, die zich vol rijst hadden

gegeten en om drinken vroegen.

—Wat? waren de papegaaien dan niet weggevlogen?

—Neen, Tatita; en ik verzeker u, dat zij goed vastgebonden zijn. Uit

hunne verwarde uitleggingen ben ik te weten gekomen, dat gij op weg naar

de bosschen waart. Ik ben toen uw spoor gevolgd, heb mijn geweer

afgeschoten, waarop het uwe geantwoord heeft.

—Arme Chema, weet gij wel dat het pijn doet, honger en dorst te moeten

lijden? sprak Lucien met eenen zucht.

—Waarom hebt gij meester Job niet opgegeten?

—»Hij was veroordeeld,” sprak ik, »uw terugkeer redt zijn leven.”

Lucien zag ons verontwaardigd aan; maar wij waren bij onze bagage

gekomen en de beide papegaaien begroetten ons met een luidruchtig

geschreeuw. Rougette, die wij gedurende al onze beproevingen vergeten

waren, werd uit haar braadpan te voorschijn gehaald en in een kalabas

gezet, waarin de Indiaan een weinig water had geschonken. De kleine

schilpad stak toen haar neus buiten het venster harer woning.

De lucht bedekte zich met lichte wolkjes en dit buitenkansje deed ons

besluiten onmiddellijk te vertrekken. Lucien, die op het paard, dat door

de vermoeidheid gedwee was geworden, geklommen was, droeg meester Job

en de twee tijgervellen. Daar Gringalet slechts met moeite liep, ging

hij den aap op het paard gezelschap houden. Wij bereikten het bosch

eerst tegen middernacht: een groot vuur werd aangestoken en ik sliep in,

den hemel dankende, die had toegestaan, dat de Encuerado nog bijtijds

bij ons kwam. Ik werd den volgenden dag laat wakker; een prachtige

chachalaca braadde reeds voor het vuur, en Lucien, die reeds een bad had

genomen, ging voort met het onderrichten der papegaaien. Ik ging mij op

mijne beurt in den poel dompelen, dien de Encuerado met den naam van

meer had bestempeld en de dag werd verder bij het vuur doorgebracht. Wij

waren mager geworden; maar onze gezondheid was goed en Lucien verheugde

zich dat hij geen pijn meer had, niettegenstaande zijne gekwetste

voeten.

Den volgenden morgen, nadat wij met een stuk kalfsvleesch en eene

uitstekende rijstsoep ontbeten hadden, vergezelde Lucien ons naar den

zoom van het boschje; hij steunde op twee stokken, die zijn vriend

voor hem gesneden had. De Encuerado ging op jacht om ons rijdieren te

bezorgen. Nadat de vlugge Indiaan den loopenden strik van zijn lazo had

gereedgemaakt, ging hij in galop naar een troep paarden toe, die in de

verte aan 't grazen waren; de riem viel over een prachtig dier, dat zich

tevergeefs verzette. Het omverwerpen, de oogen verbinden en op den neus

een klem zetten, was het werk van een oogenblik. Nadat hij aan den

staart van het dier een zwaren tak had gebonden, die zijn loop moest

vertragen, reed de Encuerado eensklaps op den gevangene weg, die door

het gewicht van den tak werd uitgeput. In minder dan een uur bracht de

ruiter het getemd en met zweet overdekt terug. Des avonds waren wij in

't bezit van vijf paarden; maar wij waren uitgeput van vermoeienis.

Twee dagen verliepen met het oefenen onzer rijdieren om ze minder

weerbarstig te maken. Onze levensmiddelen verminderden langzamerhand,

maar wij waren van onze ongevallen hersteld en de voeten van Lucien

begonnen te genezen. Het werd hoog tijd om te vertrekken. Bij het

aanbreken van den nacht wierp ik een laatsten blik op de onmetelijke

vlakte, waar wij bijna den dood hadden gevonden. Bij de hut teruggekomen

bleef ik verwonderd staan; ik had hooren blaffen, ofschoon Gringalet

stil naast ons liep. De Encuerado kroop vooruit; eensklaps zag ik dat

hij ging zitten en het uitschaterde van 't lachen: de blaffer was geen

andere dan Verdet, wien Jaunet, maar met minder talent, antwoordde.

Lucien was in de wolken en streelde zijne beide lievelingen; hij zeide

hun met meer ijver dan ooit de twee namen voor, die hij hun wilde

leeren; maar ofschoon zij hun gele oogen half toe deden en met diepe

aandacht hun kopjes overhelden, konden de twee vogels maar niet aan 't

praten komen.

Een vreeselijk onweer overviel ons in 't midden van den nacht. Gelukkig

waren wij goed beschut, zoodat de stroomen water ons niet hinderlijk

werden. Bij het aanbreken van den dag werd de draagmand op het grijze

paard bevestigd en de Encuerado, die het paard van Lucien bij den

teugel hield, opende den marsch. Jaunet en Verdet, die terdeeg dooreen

werden geschud, schreeuwden zoo hard zij konden en begonnen tot groote

verbazing van Gringalet te blaffen. Meester Job verborg zich en Rougette

boette in de braadpan de drie gelukkige dagen, die zij in den poel had

doorgebracht. De kleine ruitertroep trok in galop vlakten en bosschen

door. De altijd blauwachtige, maar nu naar 't scheen hoogere bergen,

bevonden zich vlak tegenover ons en de vulkaan vertoonde ons zijn

scherpste punt. Eene kudde wilde paarden, door een prachtig bruin

dier aangevoerd, omringde ons eensklaps en sprong meer dan een uur om

ons heên; daarop kwamen stieren, die ons vervolgden. Andere kudden

vergenoegden zich met ons na te kijken; zij hadden op den rug eene

menigte maden-pikkers[48], die met hunne snavels in het haar wroetten,

om er de parasieten uit te halen. Wij trokken nog een groot bosch door

en weldra vlamde onze haard dicht bij eene beek.

[48] Soort spreeuwvogel.

Ik ging in gezelschap van Sumichrast op jacht. Wij liepen langs eene

opene plaats, toen een groot geraas uit het kreupelhout klonk. Ik maakte

mijn geweer gereed en bijna op hetzelfde oogenblik zag ik tusschen het

gebladerte een monsterachtigen kop. Ik week achteruit tot bij mijn

makker.

»Wat is er toch? gij zijt gansch bleek!”

—»Ik ben bang,” antwoordde ik; »ik geloof dat ik nu den wezenlijken

ante-burro gezien heb.”

—Drommels, drommels! Zullen wij een tot dus verre onbekend dier

ontdekken!

Het geraas in het kreupelhout bleef aanhouden.

»Pas op,” riep ik mijn makker toe, »ik verzeker u dat ik nooit zoo'n kop

gezien heb.”

Op dit oogenblik deinsde ook Sumichrast achteruit, maar weldra barstten

wij in lachen uit. Het dier, dat er werkelijk monsterachtig uitzag en

ons zoo verschrikt had, was een paard zonder ooren. Niets is meer

algemeen dan wilde paarden te zien met neerliggende en onbeweeglijke

ooren, die inwendig door de insecten zijn uitgevreten; maar ik zag voor

het eerst een dier, dat geheel zonder ooren was, en men kan er zich geen

denkbeeld van vormen, welk een zonderling uiterlijk het dan heeft.

De tweede marschdag stelde ons geduld op de proef; wij moesten

modderachtige moerassen doortrekken, waar onze rijdieren tot aan den

buik inzakten; ik weet niet hoe wij er te voet door zouden gekomen zijn.

De vaste grond kwam weer te voorschijn. Wolken vliegen overvielen ons;

zij hadden het vooral op onze rijdieren gemunt.

Wij dorsten ternauwernood mond en oogen openen en Gringalet huilde als

een razende. Die bloedzuigers vergezelden ons meer dan een uur; zoodra

zij ons niet meer vervolgden, werd het bivak opgeslagen.

De bergen kwamen naderbij; wij verwachtten elk oogenblik eene hoeve of

eene Indiaansche hut te ontmoeten. Toen de nacht kwam, verkondigde geen

enkel licht ons de nabijheid eener woning.

Eindelijk, in den namiddag van den derden dag, terwijl wij voor twee

stieren die vreeselijk met elkander vochten, uit den weg wilden gaan,

kwam een ruiter aanrennen. Deze bleef besluiteloos staan en wendde

vervolgens, na zijn geweer op ons te hebben afgeschoten den teugel.

»Drommels, drommels!” sprak Sumichrast.

De Encuerado hief zijn geweer op, maar ik belette hem te schieten.

Wij spoorden onze paarden aan, er slechts aan denkende een hacienda

te bereiken, toen een tweede schot weerklonk en een kogel langs onze

ooren vloog. Nu zette de Indiaan den verrader achterna, die in galop

wegvluchtte. Niettegenstaande mijn geschreeuw vuurde de Encuerado en de

ruiter stortte op den grond.

»Dood hem niet!” riep ik mijn dienaar toe.

»Neen, Tatita, ik heb slechts op zijn paard gemikt. De koeherder was met

één sprong op de been, en vluchtte wat hij kon. Maar de Encuerado zette

hem achterna en greep hem weldra bij zijn kraag.

't Was een jongmensch van nauwelijks zeventien jaar. »Wie zijt gij?”

riep ik hem toe.

—Joce Antonio, een dienaar van God; doe mij geen kwaad!

—Waarom hebt gij op ons geschoten?

—Ik heb u voor paardendieven aangezien.

Toen de jonge man Sumichrast zag naderen, verdubbelde zijn angst. Dat

komt omdat wij ons zelven geen rekenschap wisten te geven van het vreemd

uiterlijk, dat onze gelapte kleeren en onze verwonde gezichten ons

gaven.

»Van waar komt gij?”

—Van de hoeve van Sopilote, bij Amatlan.

—Hoeveel mijlen zijn wij nog van het dorp verwijderd?

—Zes... Waarlijk ik zag u voor dieven aan, doet mij geen leed.

—Gij zoudt evenwel eene kastijding verdienen, want uwe kogels hadden

ons kunnen verwonden of dit kind dooden.

—»De eigenaar van de hoeve van Sopilote is mijn vriend,” voegde

Sumichrast er bij, »en ik beloof u, dat hij u zal weten te straffen.”

Ik beval den Encuerado den jongen man los te laten, die het dadelijk

op een loopen zette.

Toen de nacht viel, bevonden wij ons aan den voet der bergen en het

lag slechts aan ons, om den grooten weg van Vera-Cruz naar Mexico in

te slaan. Onze paarden kregen hunne vrijheid terug, begeleid door de

plichtplegingen en dankzeggingen van den Encuerado. De goede dieren

waren eerst besluiteloos en bleven een oogenblik met den neus in den

wind staan. Een hunner hinnikte en schoot vooruit; weldra hoorden wij

het geluid hunner hoeven niet meer over den grond weerklinken.

Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker · 第 52 / 54 题