HET WOUD.—DE RAVEN.—EERSTE BIVAK.—DE EEKHOORNS.—DE KLEINE GIDS.—EEN
LOFZANG IN DE WOESTIJN.
Wij bevonden ons op meer dan vijftienhonderd meter boven de oppervlakte
der zee, en de koelte van den Noordenwind overviel den knaap, die,
gewoon aan het klimaat van de gematigde luchtstreek, nooit iets
dergelijks gevoeld had. Uit instinct bracht hij zijn vingers aan den
mond om ze te verwarmen, daar hij niets begreep van hunne verstijving.
Maar zoodra de zon zekere hoogte had bereikt, dacht niemand er meer aan,
over de koude te klagen.
De boomen begonnen dichter bijeen te staan. Verloren te midden der
eiken- en pijnboomen, scheen Lucien, die voor het eerst die reuzen zag,
welker levensjaren eeuwen telden, ten hoogste aangedaan. Hij twijfelde
bijna aan de werkelijkheid van het schouwspel, dat zijn blikken trof;
na van de hoogte van een berg de Lilliput-wereld aanschouwd te hebben,
vroeg hij ons, of niet een tegenovergesteld zinsbedrog hem op dit
oogenblik het rijk voortooverde der reuzen, waarvan zijne moeder hem de
wondervolle sprookjes had verteld. Een omgeworpen eik, dien wij op onzen
weg onmoetten, liet hem toe beter de grootte van die boomen te meten,
welker toppen den hemel schenen te raken. De eeuwenoude, zwarte, ruwe
stam, die op den bodem lag, waarin zijn val hem ten deele begraven had,
stak verscheidene voeten boven ons uit, terwijl gebroken en rondom
verspreide dikke takken een omvang hadden, gelijk aan onze hoogste
kastanjeboomen. Een geruisch van vleugelslagen deed ons het hoofd
opheffen, en twee paar buitengewoon groote raven namen hunne vlucht,
terwijl zij ons met een lang gekras begroetten.
—Gaat heen, gaat heen, duivelskinderen! riep de Encuerado hen toe, gij
zult ons niet bang maken, wij zijn te goede christenen.
—Tegen wien spreekt gij? vroeg Lucien, vol verbazing rondom zich
ziende.
—Tegen de raven.
—Meent gij dan, dat zij u zullen verstaan?
—Of zij mij verstaan, Chanito? Die rekels hebben niets hard dan het
vleesch, en omdat zij een mooien zwarten rok dragen zooals die, waarin
uw papa zich bij feestelijke gelegenheden steekt, meenen zij dat hun
alles geoorloofd is. Maar als een hunner van avond om het vuur durft
dolen, dood ik hem en braad hem, zoo waar als ik de Encuerado ben.
De knaap zette groote oogen op, want hij verbaasde zich altijd over de
hebbelijkheid van den Indiaan, die naar zijn humeur de kreten en de
bewegingen der dieren uitleggende, nooit naliet te antwoorden op de
denkbeeldige uitdagingen, die hij meende dat hem gedaan werden. Soms had
hij het zelfs tegen levenlooze voorwerpen. De gewezen tijgerjager had
zich die gewoonte ongetwijfeld eigen gemaakt in den tijd, toen hij,
alleen in de bosschen levende, toegaf aan die noodzakelijkheid van te
praten, aan die behoefte om zijne indrukken mede te deelen, die een
bewijs zijn voor de gezelligheid van den mensch. In elk geval was het
met eene kinderlijke goede trouw, dat hij zich met een blad of een vogel
onderhield.
Vier uren lang togen wij, door de hitte overstelpt, door het woud. De
pijnboomen en eiken volgden elkander met eene eentonige regelmatigheid
op. Allengs liep het terrein meer af en de nieuwe gang, dien wij moesten
aannemen, verminderde onze vermoeidheid en maakte terzelfder tijd onzen
marsch sneller. Eindelijk kwamen wij in een dal. De plantengroei was
veranderd: hier en daar vertoonden zich wol- en gaiacboomen en lianen.
—Halt! riep ik uit.
Ik ontdeed mij van mijne uitrusting, welk voorbeeld door mijne makkers
met gretigheid gevolgd werd. De Encuerado, door zijn vriend geholpen,
begon onmiddellijk droge takken te zoeken, terwijl Sumichrast en ik het
gras over eene uitgestrektheid van verscheidene meters afmaaiden.
—Is onze dagmarsch dan volbracht? vroeg Lucien.
—Ja, antwoordde ik. Zijt gij niet vermoeid?
—Niet te zeer; ik zou nog wel wat kunnen loopen. Hebben wij veel wegs
afgelegd?
—Ongeveer vier mijlen.
—En gaan we nu al rusten? Voor zoo'n beetje? Ik dacht, dat men op reis
tot aan den nacht doormarcheerde.
—Drommels! zeide ik, terwijl ik hem bij zijn oor pakte, wat zijt gij
een onvermoeide looper! Maar vier mijlen zijn niet zoo weinig, als men
ze alle dagen opnieuw moet beginnen. Die langzaam gaat, gaat lang, zegt
een oud spreekwoord, dat wij letterlijk zullen volgen, want te zware
marschen zouden onze gezondheid spoedig benadeelen en dan kunt gij de
reis vaarwel zeggen. Om nu tot aan den nacht door te marcheeren, zulks
is alleen mogelijk als men zeker is een herberg te ontmoeten. Niemand
heeft er onder deze groote boomen aan gedacht, om onzen maaltijd te
bereiden, en ik veronderstel niet, dat gij lust gevoelt om van honger te
sterven. Misschien moeten wij nog wel een paar mijlen maken, alvorens
het wild te dooden, dat de hoofdschotel van ons middagmaal moet
uitmaken.
—Aan dat alles had ik niet gedacht, antwoordde Lucien, terwijl hij het
hoofd met een uitdrukking van overtuiging schudde; maar wat zullen wij
van avond dan eten?
—Ik weet er nog niets van; misschien een haas, misschien een vogel,
misschien ook wel een rat.
—Een rat! Nu, van zulk een beest zal ik zekerlijk niet eten.
—Ach! arme kleine, wacht maar eens tot de ware honger, waarvan gij
nog slechts den naam kent, uwe ingewanden kwelt, dan zult gij zien met
hoeveel lust men het eten verslindt, dat de Voorzienigheid ons toezendt,
onverschillig van welken aard het dan ook zijn moge.
—Zal het dikwijls gebeuren, dat wij een dag zonder eten moeten
doorbrengen?
—Ik hoop van niet, antwoordde ik, lachende om den toon van bezorgdheid
van Lucien, die geheel nadenkend bleef staan.
Gedurende dit gesprek had de Encuerado, vlug als een aap, een pijnboom
beklommen en zijn machete bezaaide den grond met kleine twijgen. Wij,
van onzen kant, gingen ook aan den arbeid, maakten palen, die ik
met een steen, welke voor hamer dienst deed, in den grond sloeg.
Dooreengevlochten en met lianen[12] aaneen verbonden takken vormden een
horde, die, op de palen geplaatst, een dak uitmaakten. Door zijn kleinen
vriend geholpen, wien deze toebereidselen zeer vermaakten, vulde de
Encuerado de hut met bladeren en bedekte de takken met een laag droog
gras. Onder deze beschutting konden wij den regen, zooal niet de koude
trotseeren.
[12] Liaan = Slingerplant.
Het is mij onmogelijk de verrukking van Lucien te beschrijven.
Dit huis—want hij wilde dezen eervollen naam wel geven aan de
vormelooze hut, waarin hij en Gringalet alleen recht op konden
staan—scheen hem een meesterstuk van bouwkunst toe en hij verbaasde
zich over de vlugheid, waarmede het was opgericht. Hij hielp den
Encuerado om den haard te plaatsen, zoodat hij nog slechts behoefde
aangestoken te worden. Met onze geweren gewapend gingen wij er op uit
om ons middagmaal te zoeken.
Toen hij zag, dat wij onze bagage achterlieten, riep Lucien uit:
—Maar als er nu eens iemand kwam, die onzen voorraad stal?
—Duivels! riep Sumichrast uit—de Encuerado antwoordde altijd met een
kruis te maken, op deze geliefkoosde uitdrukking van mijn metgezel—gij
denkt toch aan alles.—Maar voor zulk een ongeluk behoeven wij niet te
vreezen; het is zeer waarschijnlijk, dat wij geheel alleen in het woud
zijn; of als er zich nog anderen dan wij bevinden, zou er al een
wonderdadig toeval noodig zijn, om ze juist bij ons bivak te brengen.
—Zijn wij dan niet op een weg?
—'t Is een weg, als ge dat zoo wilt; maar dien wij alleen gebaand
hebben; men zal onze schuilplaats niet ontdekken, tenzij men ons op den
voet gevolgd heeft.
De knaap schudde met een twijfelachtig gebaar het hoofd; het denkbeeld
van de woestijn leert men eerst na langen tijd begrijpen. Ik herinner
mij dat ik zelf, toen ik mijne eerste uitstappen in deze eenzame streken
deed, telkens dacht eene hut te zullen ontmoeten of een menschelijk
gelaat te zien, hetzij bij het uitkomen uit een woud, hetzij bij het
volgen van een der paden, die de stieren in de Savanne banen. Vooral
des nachts, als ik door slapeloosheid gekweld werd, dacht ik in de
verwijderde geruchten, die mijn oor troffen, het gekraai van een haan,
het blaffen van een hond of het refrein van een bekend lied te hooren.
—Maar als niemand ons bivak kan ontdekken, hoe zullen wij zelven dan
doen om het terug te vinden? hernam Lucien, terwijl hij een blik
achterwaarts wierp.
—Op eene even eenvoudige als moeilijke wijze: Wij zullen achter
elkander loopen, en de laatste zal in de boomen en heesters een kerf
maken. Dit middel om den weg terug te vinden, is veel zekerder dan de
keisteentjes van klein Duimpje.
—Zal ik vooruit loopen?
—Neen, die plaats komt rechtens toe aan den besten schutter, want wij
moeten het wild, dat wij zouden kunnen ontmoeten, niet laten ontsnappen.
Zoolang gij nog niet weet, hoe gij u van uw geweer moet bedienen, zult
gij de achterhoede uitmaken.
Deze rol scheen Lucien, die dadelijk zijn sabel trok en ons op kleinen
afstand volgde, overal aan de boomen kerven gevende, die ons op den
terugweg moesten geleiden, niet te mishagen.
Hij kweet zich met zooveel ijver van zijne taak, dat zijne krachten
weldra uitgeput moesten zijn. De Encuerado wees hem hoe hij zich zonder
veel inspanning van zijn wapen moest bedienen en de takken kon inkerven,
zonder zijn gang te vertragen.
Wij kwamen op een dier opene plaatsen uit, die men dikwijls te midden
der maagdelijke wouden ontmoet, zonder dat men de mogelijke oorzaak kon
verklaren, welke de boomen belet daar te groeien. Daar zich geen enkel
levend wezen vertoonde, kwam ik met Sumichrast overeen om den Encuerado
en Lucien op de loer achter te laten, terwijl wij ons elk naar een kant
zouden richten, zoo echter, dat wij aan het andere einde van de vlakte
weer bij elkander zouden komen. Toen Gringalet zag, dat wij van elkander
afgingen, wist hij eerst niet, welke partij te kiezen; hij liep van den
een naar den ander en overlaadde ons met liefkoozingen, terwijl hij
klagend huilde. Eindelijk volgde hij mij, maar nauwelijks had ik een
honderdtal meters afgelegd, of hij bleef staan om na te denken. Hij
meende zeker dat hij iets had vergeten, want hij verdween vol haast.
Ik liep sedert een half uur onder het loof, met gespannen oog en oor en
den vinger aan den trekker, zonder het geringste wild te ontdekken. Mijn
makker scheen niet veel gelukkiger dan ik, toen eensklaps een schot
weergalmde.
Op hetzelfde oogenblik bemerkte ik Sumichrast, die mij een troep
eekhoorns, welke de open vlakte doortrokken, aanwees.
—Hebt gij er een gedood? vroeg ik.
—Ja, maar hij is tusschen twee takken blijven hangen, op meer dan
twintig meters boven den grond; dat is een verloren schot kruit.
Wij volgden met angst de sprongen van de bevallige diertjes, welker rust
wij verstoord hadden; zij waren op het punt van in het woud te
verdwijnen.
—Slaapt de Encuerado? riep ik vol ergernis uit.
Twee opeenvolgende schoten gaven mij antwoord en bijna op hetzelfde
oogenblik kwamen Gringalet, de Encuerado en Lucien uit het bosch. Na
eenige minuten zoekens stak de knaap de armen omhoog en toonde ons twee
eekhoorns. Wij versnelden den pas; de Indiaan nam het wild over en sloeg
den weg naar het bivak in, terwijl Lucien ons tegemoet liep.
—Papa, papa! mijn geweer heeft een eekhoorn gedood! riep hij ons
geheel buiten adem toe. O, mijnheer Sumichrast, ga hem eens zien, hij is
geheel grijs met een staart, die op een pluim gelijkt.
—Hebt gij hem wel geschoten? vroeg ik.
—Ik heb geschoten, maar de Encuerado hield mijn geweer. Wij hebben in
den hoop geschoten, want er waren er veel. Als gij hen eens hadt zien
springen! Die, welken ik geschoten heb, klom op dien boom daar; hij viel
als een steen neer. De Encuerado zegt, dat hij den tijd niet heeft gehad
om te lijden.”
De arme jongen had zijn leerproef in het jagersvak gedaan, en zijn
hart was een weinig vol, ofschoon hij fier was, zulk een bewijs van
behendigheid te hebben gegeven. Sumichrast haastte zich, hem geluk te
wenschen. Ofschoon ik de voorzichtigheid van den Encuerado kende, stelde
ik mij toch voor hem te berispen, al was het maar om het kruit te doen
besparen, en hem te waarschuwen tegen eene te groote begeerte om den
knaap te laten schieten.
—Komaan, zeide ik tot Lucien, die zijn geweer aan zijne borst drukte,
wees onze wegwijzer om het kampement terug te vinden. Gij hebt den weg
gebaand, zorg nu dat gij ons niet laat verdolen.
Onze kleine gids bracht ons met eene zekerheid naar ons punt van uitgang
terug, zooals ik geenszins verwacht had.
—De aandacht der kinderen wordt licht afgetrokken, sprak Sumichrast;
hoe verklaart gij het, dat Lucien het gemaakte spoor zoo goed gevolgd
heeft.
—Misschien omdat het gedeeltelijk zijn werk was, gaf ik ten antwoord.
—En ook omdat ik klein ben, viel de knaap met een klein spottend lachje
in, ik zie den grond dichterbij dan u, bijna zooals Gringalet, die zoo
goed zijn weg weet terug te vinden. Gij ziet wel, papa, dat klein zijn
toch ergens goed voor is en dat ik u van dienst kan zijn.
Onnoodig te vragen of deze pleitreden tegen de grootte ons vermaakte.
—Zoo beschouwd zou ik er nog spijt over moeten hebben, dat ik uw broer
Emile niet heb meegenomen, zijne geringere grootte zou hem nog spoediger
een spoor doen terugvinden dan u.
—Wel zeker. Herinnert gij u niet, dat hij, bij onze wandelingen op den
Borrego, dikwijls insecten heeft ontdekt, die gij niet gezien hadt.
Ik was nu geheel en al geslagen.
Wij gingen bij den haard zitten, waarvoor de beide eekhoorns braadden.
De Encuerado ving het vet in een pan op en begoot ze er van tijd tot
tijd mede.
Het vleesch van den eekhoorn gelijkt door de kleur en den smaak op dat
van den haas; onze jeugdige reisgezel at er dan ook met goeden eetlust
van. Gedroogde maïskoeken, die men _totopo_ noemt, vervingen het brood
en ieder onzer kreeg zijn afgepast deel er van. Van het vleesch kon een
ieder naar hartelust bekomen.
Gringalet maakte ons ongerust; wij hadden hem de helft van een eekhoorn
gegeven, maar in plaats van er in te smullen, vond hij beter er met
woede overheen te rollen. Het arme dier at slechts eenige stukjes
_totopo_. Hij moest zich toch gewennen om wild te eten, want onze
maïskoeken waren te kostbaar om ze hem te geven. Ieder onzer goot een
weinig water uit zijne veldflesch in een kalebas, die hem tot voerbak
diende. Aldus op rantsoen gesteld, moest de arme Gringalet wel spijt
gevoelen, dat hij ons gevolgd was. De zon ging zienderwijs onder.
—Welnu, vroeg Sumichrast aan Lucien, wat zegt gij nu van het
rattevleesch.
—Dat zal ik u zeggen, als ik er van zal gegeten hebben.
—Hoe, ziet gij dan niet dat de eekhoorn en de rat twee zeer nastaande
verwanten zijn, dat zij beiden tot de familie der knaagdieren behooren?
—'t Is waar, dat ze wel wat op elkander gelijken, zeide de knaap met
een koddig gebaar.
—Vooral de soort, die voor ons middagmaal heeft gediend en die door de
geleerden nog niet gerangschikt is. Zie eens. Zijn haar is zwart op den
rug, grijs aan de zijden en wit onder den buik; de ooren zijn naakt in
plaats van die lange haarborsteltjes te hebben, die aan de eekhoorns van
Europa zulk een levendig uiterlijk geven.
—Eten de eekhoorns dan ook vleesch?
—Neen, zij vergenoegen zich met eikels en hazelnoten, waarvan zij voor
den winter een grooten voorraad opdoen.
—Dan gelijkt het vleesch van den eekhoorn niet op dat van de rat, die
een allesetend dier is, riep Lucien zegevierend uit.
De overtuigde en gerustgestelde toon van den jongen geleerde, perste
ons een glimlach af, maar bijna op 't zelfde oogenblik gebood ik
stilte, want een geraas van bewogen takken, dat onze opmerkzaamheid had
getrokken, werd hoe langer zoo duidelijker. Gringalet wilde blaffen,
maar de Encuerado greep hem om den snuit en bedekte hem met zijn deken.
Een troep knagers, zonder twijfel dezelfden, die wij een paar uur te
voren verjaagd hadden, verscheen onder het uiten van kleine kreten. Zij
sprongen van tak tot tak, zonder zich om den afstand te bekommeren, wij
zagen hen loopen, elkander vervolgen, zich nu eens boven, dan weer
onder tot aan de uiteinden der dunste takken vooruitwagen. Twee of drie
daalden langs den boom af, die vlak tegenover ons stond. Zij liepen als
met kleine sprongen, hielden in, klommen weer op om dan weer naar omlaag
te dalen. Beneden gekomen gingen zij op hun achterdeel zitten en zich
van hun voorpooten als van handen bedienende, wreven zij zich met
zulke potsierlijke bewegingen over den neus, dat Lucien zich niet kon
weerhouden om te praten en ons deelgenoot van zijne bewondering te
maken.
Op het voor hen zoo vreemde geluid eener menschelijke stem, namen de
bevallige diertjes de vlucht, maar toch niet zoo vlug of het geweer van
Sumichrast verwondde er een. De eekhoorn bleef aan den boom geklemd,
waarop hij getroffen werd en viel daarna op den grond. Hij had evenwel
nog de kracht om zich op te richten en den jager te bijten, die hem te
schielijk wilde oprapen. De Encuerado ontdeed hem dadelijk van de huid,
om hem voor ons ontbijt van den volgenden ochtend te bewaren.
De zon verdween; kreten van dieren weerklonken en de nacht kwam, met
zich de volkomene stilte der woestijn brengende. De Encuerado hief een
langen lofzang aan en weldra paarde Lucien zijne stem aan die van den
jager. Het gezang was eenvoudig en eentonig; maar er lag iets roerends
in den lof van God te hooren zingen door dat kind en dien Indiaan,
beiden even eenvoudig van hart. De lofzang eindigde met een gebed,
dat Sumichrast en ik staande en met ongedekt hoofd aanhoorden en vol
overtuiging herhaalde mijn vriend het _amen_ van den Encuerado: God is
groot!
Na den haard van nieuw hout voorzien te hebben, dat het vuur gedurende
den nacht moest onderhouden, ging men naast elkander onder de hut
liggen. De wind zuchtte zachtkens in het gebladerte, en onder dien
afgemeten ademtocht brachten de pijnboomen dat zwaarmoedig geluid voort,
hetwelk, tot bedriegens toe, gelijkt op het geklots van de op het strand
wegstervende golven. Door daar veel over te denken, gevoelde mijn slaap
er de terugwerking van, want ik droomde dat ik op zee was en dat het
schip, hetwelk mij voerde, op de zilveren golven dobberde.