DE SUIKER.—GRINGALET IN DE STROOP.—EEN IDEE VAN DEN
ENCUERADO.—INDIAANSCH AVONDMAAL.
Het ontbijt was, dank zij den Spaanschen wijn, dien onze gastheer
beloofd had, zeer opgewekt. De Indiaansche werklieden, hunne vrouwen en
kinderen, verzamelden zich vol nieuwsgierigheid voor de vensters van het
huis. Lucien was in de wolken, want die nieuwsgierigheid gold vooral
hem. Gringalet, die door zijn natuurgenooten uit de fabriek veel minder
hartelijk was ontvangen dan wij, verliet zijn meester niet en toonde te
pas of te onpas zijn tanden.
Alvorens wij vertrokken, wilde Sumichrast aan zijn leerling laten zien
hoe de suiker gemaakt wordt. Hij geleidde hem eerst naar een molen, die
onder een ruim afdak was geplaatst. Daar werd het riet, dat door een
Indiaan tusschen de rollen werd gestoken, door twee houten cilinders,
die om een spil draaiden, welke door middel van een as, door twee aan
een juk gekoppelde ossen in beweging werd gebracht, fijn gemalen. Het
werktuig steunde en scheen uit elkander te zullen springen door de
kracht, welke de twee sterke dieren, die men door gebaren en door de
stem aanwakkerde, er op uitoefenden. Lucien zag dat de stengels, die in
stukken van een meter, schuins waren afgesneden, door de twee rollen
gegrepen en platgeperst werden. Na deze machtige drukking te hebben
ondergaan, kwamen zij bijna geheel droog van onder de rollen te
voorschijn, terwijl het suikerachtige sap in een grooten bak liep, die
uit een boomstam gemaakt was. Zoodra de bak vol was, werd er een groote
klep geopend, niet ongelijk aan die, welke gebruikt worden om het water
uit de badkuipen te laten wegvloeien; het troebele en drabbige sap liep
door een goot, vanwaar het in een steenen vergaarbak kwam. Bij dit
neervallen liep het door de mazen van een zak, die uit aloë-vezels was
gemaakt en werd daarin zoo goed en zoo kwaad als 't kon gefiltreerd.
Daarna bracht men het in verbazend groote koperen ketels, die op een
groot fornuis stonden. De gekneusde suikerrietstengels, die in de zon
spoedig droogden, werden gebruikt om het vuur te onderhouden, dat het
sap, waarvan men ze beroofd had, aan 't koken moest brengen.
Bij den zak van aloë-vezels, waarin zich zonder ophouden het afval van
het riet ophoopte, bevond zich een knaap van ongeveer twaalf jaren,
wiens werk het was telkens den zak te ledigen. Lucien trok mij aan mijn
kleeren, om er mij opmerkzaam op te maken dat de knaap slechts één arm
had.
—Waar hebt ge uw linkerarm verloren, pobrecito[5]? vroeg ik.
[5] Pobrecito = arme jongen.
—Tusschen de rollen, die het riet fijn malen, senor.[6]
[6] Senor = mijnheer.
—Was 't uw schuld?
—Helaas, ja! Vader, die bij de machine werkte en dien ik hielp door de
ossen aan te sporen, had mij verboden om dicht bij de rollen te komen.
Eens verwijderde hij zich eenige oogenblikken; ik wilde op mijn eigen
houtje een stengel fijn malen; maar mijn vinger werd gegrepen en mijn
arm verpletterd.
—Dat was een verschrikkelijke straf voor uwe ongehoorzaamheid.
—Veel verschrikkelijker dan gij wel denkt, mijn goede mijnheer; mijn
vader is zes maanden geleden gestorven; ik heb veel broers, en als ik
mijn beide armen had, kon ik minstens een kwart piaster daags verdienen
en mijne moeder helpen.
—En hoeveel verdient ge nu, met van den ochtend tot den avond op dien
zak te passen?
—Een medio![7]
[7] Vijftien cents.
Ik zag Lucien eens aan, die mij in de armen vloog.
—Ik zal altijd gehoorzaam zijn, riep hij geheel ontroerd uit; maar mag
ik nu dien armen jongen mijn beurs geven?
—Geef hem een piaster, mijn kind; wij kunnen nog meer ongelukkigen
ontmoeten, en wij moeten wat overhouden om dezen ook te kunnen helpen.
—O, mijn jongeheer, riep de arme verminkte knaap uit, terwijl hij met
bewondering het geldstuk beschouwde, dat voor hem zestien dagen werks
vertegenwoordigde, wat zullen we goed voor u bidden!”
Daarna haastte hij zich om den zak, die bijna overliep, weer te ledigen.
De wijze van bewerking, die in de fabriek, welke wij bezochten
gevolgd werd, was uiterst eenvoudig en oorspronkelijk. De Europeesche
fabrikanten gebruiken ijzeren cilinders, die door stoom of water in
beweging worden gebracht en zuig- en perspompen, die het sap zeer snel
naar de ketels brengen, waar het door gisting geklaard moet worden.
Maar om een goed denkbeeld te krijgen van de verschillende bewerkingen,
die de winning van suiker eischt, was de hacienda[8] van Antonio, waar
alle bewerkingen open en bloot plaats hadden, veel te verkiezen boven
die, welke de nieuwere nijverheid van verbeterde werktuigen heeft
voorzien.
[8] Hacienda = hoeve.
Toen de jonge bezoeker dat dikke, modderige, door talrijke brokken
stengel verontreinigde vocht zag, dat men zoo voor zijn oogen met een
reusachtige schuimspaan rondroerde, had hij moeite om te gelooven, dat
men er ooit die mooie witte kristallen, die hij zoo gaarne knabbelde,
uit kon gewinnen.
—Maar waar is dan toch de suiker? vroeg hij.
—Daar, voor u, antwoordde Sumichrast. Het suikerriet bevat, evenals
alle gewassen, een zekere hoeveelheid water, waarin de suiker zich in
opgelosten toestand bevindt; het is voldoende er dit water aan te
onttrekken om de prismatische kristallen te doen ontstaan. Zie, de
inhoud van dezen ketel begint te koken, er komt een zwartachtig schuim
op, dat men er zorgvuldig afschept, want na twee of drie dagen, als het
gegist heeft, zal men er door distillatie den brandewijn of _tafia_
uithalen, waarvan de Encuerado zooveel houdt. De nevel, die boven den
ketel opstijgt, bewijst dat het sap begint te klaren; nog eenige
oogenblikken en het zal in stroop veranderd zijn en als het koud wordt,
kristalliseeren. Wij zullen de uitkomsten van deze laatste bewerking
eens gaan zien.
Wij kwamen onder eene ruime galerij, waar vormen van gebakken aarde,
die de gedaante van omgekeerde suikerbrooden hadden, op een rei op een
stelling van balken stonden, die vrij wel op flesschenrekken geleken. De
werklieden goten de kokende siroop in deze vormen, die vooraf nat waren
gemaakt. Een weinig verder toonde men ons het kooksel van den vorigen
dag, dat reeds begon te kristalliseeren, welke geheimzinnige arbeid der
natuur door een Indiaan, die het vocht langzaam schudde, werd bevorderd.
Uit een vorm, die aan het onderste einde open was, vloeide een dik
vocht, waaraan men den naam van _melasse_ geeft en die gebruikt wordt
om er rum en peperkoek van te maken. De bodem of de voet van het
suikerbrood scheen nu geel en kleverig te zijn.—Terwijl wij een
donkeren gang doorgingen, bemerkte Lucien twee bijna halfnaakte
werklieden, die bezig waren om klei aan te mengen en er zoo eene soort
van pap van te maken.
—Wat een knoeiboeltje! riep hij vol overtuiging uit; wat zou mama wel
zeggen als zij hier was, zij heeft mijn broertje en zusje laatst nog zoo
beknord!
—Wat hadden zij dan uitgevoerd?
—Zij hadden slijk gemaakt om er een stad van te bouwen en een grooten
kleibak in den grooten gang van het huis.
—En welke rol hebt gij daarbij gespeeld?
—Ik was de bouwmeester, maar ik heb evengoed knorren gehad als de
anderen.
—Dat wil ik graag gelooven, zei Sumichrast, die zijn ernst niet kon
bewaren; maar laten wij die werklieden eens volgen, dan zult gij zien,
dat zij niet voor hun plezier slijk maken.
Lucien zag tot zijne groote verwondering, dat het ledige gedeelte der
vormen, waaruit men de stroop had laten loopen, met de zwarte vloeistof
gevuld werd.
—Dat zijn verloren suikerbrooden! riep hij uit.
—Integendeel, ze zullen nu wit worden. Het water, dat de brij bevat,
zal langzamerhand doorsijpelen en de stroop, die de kristallen omgeeft,
voor zich uitdrijven, en deze veelvuldig herhaalde bewerking levert die
sponsachtige suikerpap op, waarvan de groote korrels nog den smaak van
het riet behouden, maar waarvan de Europeanen, gewoon aan de fraaie
voortbrengselen van hunne raffinaderijen, niet houden.
Er bleef nog slechts over om de droogstoven te bezichtigen, waar de
opgestapelde suikerbrooden droogden en op een kooper wachtten.
Terwijl wij op onze schreden terugkeerden, vielen wij bijna in een
grooten, met den grond gelijk liggenden en openstaanden vergaarbak
vol stroop, waarvan de schuimende oppervlakte op eene bedriegelijke
wijze op den ongelijken en glibberigen bodem van de fabriek geleek.
De ongelukkige Gringalet behoedde ons, ten zijnen koste, voor dit
ongeval. Rusteloos als al zijne soortgenooten, ging hij, links en rechts
snuffelende, vooruit, alsof men hem gelast had een verloren voorwerp
terug te zoeken—eensklaps schoot hij door onze beenen door om ons
vooruit te komen en verdween plotseling in het dikke vocht. Ik haalde er
hem dadelijk uit en haastte mij hem naar buiten te brengen. Nauwelijks
stond hij weer op zijn pooten, of hij rolde zich in alle richtingen
rond en stond toen op, vol hout- en stroostoppeltjes, en geen vorm van
hond meer vertoonende. Ik riep hem naar de poel, maar het arme dier was
geheel uit het veld geslagen en verblind en scheen mij niet te hooren.
Men behoeft niet te vragen of de werklieden in een algemeen geschater
uitbarstten! Alleen Lucien, die meende dat zijn hond zou sterven, volgde
hem wanhopig. Het dier, zonder twijfel hem willende geruststellen, liep
naar zijn meester toe, sprong liefkoozend tegen hem op en bedekte hem
van het hoofd tot de voeten met de strooperige massa. Daar ik het
ongeval niet had kunnen beletten, nam ik de beste partij en lachte er
om als de anderen.
Terwijl de Encuerado den hond wiesch, maakte de huishoudster de kleeren
van Lucien schoon. Daarop vervolgden wij onzen weg.
Don Antonio beklaagde ons, als een echte Mexicaan, dat wij, evenals de
Indianen, te voet gingen; hij beklaagde vooral onzen kleinen reismakker
en beschuldigde ons van wreedheid.
—Hij moet leeren zich van zijne voeten te bedienen, daarvoor heeft de
goede God ze hem gegeven, antwoordde Sumichrast, die er vermaak in vond
den rentmeester het hoofd te bieden.
—Maar waar dienen de paarden dan toe?
—Om zich den hals te breken. Bovendien zijn er te veel
gebrekkelijkheden in het leven, dat men zich nog vrijwillig die van een
paard behoeft te geven.
—Het paard een gebrek?
—Wel zeker, vooral bij menschen van uwe soort, want gij zoudt het
evenmin zonder een rijdier kunnen stellen als een kreupele zonder
krukken.
Don Antonio floot tusschen zijn tanden zonder te antwoorden, maakte zijn
paard los, nam Lucien voor zich op het zadel en vergezelde ons meer dan
een uur ver. Daar zijn plicht hem eindelijk naar de hoeve terugriep,
drukte hij ons de handen en wendde den teugel. Wij konden hem niet meer
zien, toen nog zijne stem, die ons eene goede reis wenschte, tot ons
doordrong.
Wij moesten eene prairie[9] doortrekken; de warmte was verstikkend en
wij liepen naast elkander voort zonder een woord te wisselen. De gang
van Lucien werd bemoeielijkt door zijne weitasch en zijne veldflesch,
die, trots al zijne pogingen, steeds naar voren kwamen. Eensklaps
bemerkte ik, dat hij zich van dat lastig tuig bevrijd had.
[9] Prairie = groote, uitgestrekte grasvlakte.
—Hola, riep ik uit, waar is uw voorraad gebleven?
—De Encuerado heeft ze willen dragen.
—De Encuerado heeft reeds een last te dragen, die zwaar genoeg is,
vriendje, en ge moet u aan uwe eigene vracht gewennen. Na eenige dagen
zal het u evenwel niet meer hinderen, dank zij de gewoonte, die dikwijls
gemakkelijk maakt wat eerst onmogelijk scheen.
—Senor, sprak de Encuerado, Chanito (dien naam was hij gewoon aan
Lucien te geven) is vermoeid; 't is voor den eersten keer, dat hij
reist; ik zal hem zijne weitasch morgen teruggeven.
—'t Is beter, dat hij er zich reeds van heden af aan gewent. Geef hem
zijne vracht, die in evenredigheid met zijne krachten is, terug, anders
zal ik hem moeten beknorren.
De Indiaan preutelde alvorens te gehoorzamen; daarna nam hij den knaap
bij de hand, bleef een weinig achter en ik hoorde hem fluisteren:
—Als ge niet meer kunt loopen, Chanito, moet ge het maar zeggen, dan
zal ik u op mijnen korf zetten.
—Ja, dat moest ge eens probeeren, sprak ik, mij omkeerende, dan stuur
ik u met hem naar huis terug.
—Mijne schouders behooren mij toe, antwoordde de Indiaan in allen
ernst, en als ik uwe bagage maar draag, mag ik ze gebruiken zooals mij
goeddunkt.
Bij het hooren van deze redeneering proestte Sumichrast van 't lachen,
ik stapte schielijk vooruit om het niet eveneens te doen. Ik was evenwel
bevreesd, dat Lucien vanaf den eersten dag te veel op de goedheid van
den Encuerado zou leeren rekenen; ik was dus zeer blijde toen ik hoorde,
dat hij herhaalde malen het aanbod van de hand wees om boven op den
korf te klimmen, in welk denkbeeld de goede Indiaan, met zijne gewone
koppigheid, die ik sinds lang kende, bleef volharden. Zekerlijk in de
meening verkeerende, dat zijne waardigheid op het spel stond met het
bewijs te leveren, dat hij nog zwaarder vracht kon dragen, nam hij
Gringalet, die met de tong uit den bek hem op de hielen volgde, beet,
plaatste hem op zijne mars, en den Indiaanschen draf aannemende,
liep hij ons als een zegevierend veldheer voorbij. Gringalet, geheel
verbaasd, wilde eerst uit de mars springen en jankte van angst; maar
weldra ging hij zonder veel omslag liggen, tot groot genoegen van mijn
zoon, wien dit tooneel zeer vermaakte.
De vlakte, die wij doortrokken, scheen geen einde te nemen.
—Het geeft ons niet veel of wij al loopen, sprak Lucien, wij komen niet
vooruit.
—Dat hebt gij gelukkig mis, antwoordde Sumichrast. Zie maar eens recht
voor u, en gij zult zien dat de boomen, die straks nog in elkander
schenen te versmelten, zich nu vrij van elkander vertoonen.
—Bedoelt u het bosch, dat wij van hier bemerken?
—Gij ziet eenige boomen, die in dat gedeelte van de vlakte verspreid
staan, voor een bosch aan.
—Vergist mijnheer Sumichrast zich niet, vader?
—Neen, mijn jongen, maar meer geoefenden dan gij zouden er zich door
laten bedriegen; op een afstand gezien, schijnt het alsof de voorwerpen
dicht opeen staan. Toen wij, bijvoorbeeld, dezen morgen den grooten weg
volgden, herhaaldet gij zonder ophouden, dat hij in een punt uitliep;
maar gij hebt u kunnen overtuigen dat uwe oogen u bedrogen hebben.
Hetzelfde is nu het geval; die boomen zullen hoe langer zoo meer van
elkander komen, hoe meer wij zullen naderen en gij zult zeer verwonderd
staan, als gij strak zult zien, hoe ver zij van elkander verwijderd
zijn. Hetzelfde gezichtsbedrog bieden ons de sterren aan, die millioenen
mijlen van elkander verwijderd zijn en die toch zoozeer den hemel
opvullen, dat uw broer Emile, een avond of wat geleden het betreurde,
niet groot genoeg te zijn om er een handvol van te kunnen nemen.
—En vergeet nooit, voegde Sumichrast er bij, dat het gezicht en de
verbeelding dikwijls samenspannen om ons te bedriegen.
—Zooals in de fabel van de kameelen en de drijvende stokken.
—Bravo! jonge geleerde. Kent gij die fabel dan?
—Laatst op een avond in een slecht verlichte kamer komende, meende
ik een grooten grijzen man op een stoel te zien zitten en nam ik
schreeuwende de vlucht. Papa heeft mij toen bij de hand genomen en mij
naar het donkere vertrek teruggebracht en toen zag ik dat de reus, die
mij zooveel schrik had aangejaagd, niets anders was dan een broek, dien
men op een stoel had gehangen. Den volgenden dag heeft mama mij de fabel
van de kameelen geleerd.
In 't voorbijgaan toonde ik Lucien een kleinen doornachtigen boom, een
soort mimosa, door de Indianen _huizachi_ genoemd, waarvan zij de peulen
gebruiken om stoffen zwart te verven en er eene inkt van vrij goede
hoedanigheid van te maken. Allengs kreeg de vlakte een minder eentonig
uiterlijk. Vlinders vlogen om ons heen en de jeugdige natuuronderzoeker
wilde beginnen er jacht op te maken. Ik moest zijn ijver intoomen, want
ik wilde onze spelden en doozen bewaren voor de zeldzamer soorten, die
wij hoopten te vinden, zoodra wij de bewoonde plaatsen achter den rug
zouden hebben. Eindelijk bereikte de karavaan, met hangende beenen, den
voet der bergen.
Het was vijf uur; de avond naderde en men moest zonder toeven naar eene
schuilplaats omzien. Eene hut van bamboe vertoonde zich gelukkig aan
onze blikken. Een oude Indiaan, slechts in een ouden broek gekleed en
een hoed met gerafelde randen op, verwarmde zijne vermagerde ledematen
in de stralen der ondergaande zon. Bij onze nadering stond hij op en
bood ons gastvrijheid aan. Zijne gezellin, wier kleeding uit een linnen
hemd bestond met roode draden omboord, kwam op zijn geroep naar buiten,
en was vol verrukking over de lieftalligheid van den jongen blanken
reiziger, die geheel en al in hare gunst kwam, toen hij haar in hare
taal groette. Wij hadden een marsch van zeven mijlen afgelegd; mijn
zoon, 't is waar, had, dank zij het paard van don Antonio, minder
geloopen dan wij.
Men diende ons rijst en boonen voor. Na afloop van dit eenvoudig maal,
dat met versch water werd gekruid, wilde ik Lucien overhalen om naast
ons op eene groote mat plaats te nemen, maar terwijl Sumichrast en ik
lui bleven liggen, ging de kleine drommel zien hoe de kippen van onze
gastvrouw op de takken van een dooden boom gingen zitten, om er den
nacht door te brengen, of doolde hij in gezelschap van den Encuerado
links en rechts rond. Deze vond in de hut eene guitaar met drie snaren,
en bleef er gedurende een uur hetzelfde deuntje op krassen, tot groote
vreugde van den knaap, maar niet tot ons genot.
Eindelijk werden de dekens uitgerold en beval ik te gaan rusten.
Gringalet ging in de hut aan de voeten van zijn jongen meester liggen.
De Encuerado bleef liever in de open lucht slapen, gelukkig, naar hij
zeide, den hemel boven zijn hoofd te zien en te gevoelen dat de lucht in
zijn mond kwam zonder eerst door een muur te moeten gaan.