"Ja, ik, ik wou het weten!" gaf 'k ten antwoord.
"Welnu dan, hij heet Marten Harpertsz. Tromp."
"Marten Harpertsz. Tromp uit Den Briel?" riep ik.
"Je raadt het. Hij is de lieveling van onzen Onder-Ammiraal Pieter
Pietersz. Hein. Hij heeft met hem twee malen bij de Spanjolen gevangen
gezeten en ik geloof haast, dat de een niet buiten den ander kan!"--
Het was of het dek van de Drie Gezusters een kogel geworden was
met zeep besmeerd. Ik kon haast niet blijven staan en alles draaide
voor mijne oogen in het rond. Dàt Marten Harpertsz. Tromp! Dàt mijn
vroegere speelkameraad! Dàt op de Turksche zeeroover mijn slaapmakker,
mijn gelijke! En nu--hij kapitein en ik--matroos!--O, die Zwijn, die
Zwijn!--Hij was de schuld van alles! Ware die niet aan boord van De
Bare geweest, dan, dan ...
Maar daar kwam die oude Brielsche schoolmeester weer in mijne gedachten
en het was of 'k hem nog hoorde zeggen: "Kwikkwik, janslik demp mijn
oor is peperpit" of hoe dat Latijnsche spreekwoord heeten mag, maar dat
zooveel moest beteekenen als: "De tijd die voorbijging is verloren!"
We waren al veertien dagen in volle zee en hoe slim ik het ook
menigmaal aangelegd had om Marten eens aan te spreken, het was mij
niet gelukt.
Zoo peinzende op een nieuw middel liep ik 's morgens op den vijftienden
dag doelloos van stuurboord naar bakboord en keek maar gestadig op
het dek.
"Zoek-je wat, matroos?" klonk op eens eene stem naast mij.
Het was die van Marten.
"Neen, kapitein, maar, maar ..."
"Nu, wat is het? Heb je wat te vragen?"--
"Ja, kapitein, maar, maar ik durf haast niet!"
"Ben-je behekst, kerel? Ik ben toch geen haai! Vraag op, wat is het?"--
Ik beefde van, ja, ik weet niet waarvan, maar ik kon mijzelven haast
niet verstaan toen ik vroeg: "Kent u mij niet, kapitein?"--
Marten bekeek me nauwkeurig en zei: "Ja, jawel, je bent,--je bent
... neen, ik ken je toch niet!"
Ik lachte als een kind dat slaag krijgt en dat lacht, omdat het anders
nog meer krijgt.--
"Nu, wie ben-je dan?" vroeg Marten.
"Huib Maerlant!" stotterde ik.--
Tromp sprong wel drie schreden achteruit, doch kwam spoedig naar mij
toe en zeî: "Huib, Huib, wie had dat gedacht toen we op den Burgheuvel
te Oostvoorne zeegevechtje speelden, toen we te zamen voeren en--te
zamen zweepslagen ontvingen! Je bent niet gelukkig geweest, Huib!"--
Ik meende te zeggen: "Zoo gelukkig niet als jij, Marten!" maar ik
bedacht mij gelukkig intijds en sprak zuchtende: "Neen, kapitein,
daar ontbreekt veel aan!"
"Ook niet zoo gelukkig, als ik!" sprak Tromp. "Maar jongen, om het
zoo ver te brengen heb ik heel wat moeten doen en heel wat moeten
doorstaan! Maar, herinner je dien jongen schipper nog, die eerst aan
boord van De Bare was?"
"Jawel, kapitein! U bedoelt dien Pieter Pietersz. Hein?"
"Juist! Nu, ik ben gelukkig in zijne handen gevallen. Hij heeft mij
gemaakt, die ik ben; aan hem heb ik alles te danken. Hij is nu onze
Onder-Ammiraal!"
"Ik weet het kapitein! Maar weet u ook wat er van het "Kregel
Mennonietje" geworden is?"--
"Die volgt mij op den voet, Huib! Hij is nu al luitenant aan boord van
Boudewijn Hendriksz. den Ammiraal.-- Als Witte zoo voortgaat dan ..."
"o, Kapitein, toen ik als knaap afscheid van hem nam, zeî hij: "Als ik
zeeman word dan moet ik ook Ammiraal worden!" Dat zeî hij en ... God,
God, gij allen gaat mij vooruit en ik, ik blijf, die ik ben, een arm,
arm matroos!"