Bezuiden de Linie.
Het was in den zomer van 1625 dat ik te Enkhuizen met een mooie som
gelds in den zak door de straten liep wandelen. Vijftien jaren lang had
ik op onderscheidene Straatvaarders als matroos dienst gedaan. Zonder
nu nog slecht opgepast te hebben, had ik toch niemendal gedaan
om mij boven anderen te onderscheiden. Ik bleef, die ik was. Als
matroos zeilde ik uit, als matroos kwam ik terug, en als matroos
liet ik mij telkens opnieuw aanmonsteren. Soms verdiende ik weinig,
soms weer veel geld, maar onverschillig of het veel of weinig was wat
ik aan den wal bracht, het was altijd veertien dagen later, soms al
vroeger, schoon op en dan was er weer maar niets anders te doen dan
als matroos dienst te nemen. Wat heb ik wel met dat zuurverdiende,
kostelijke geld geleefd! Het rolde zoo maar mijn zakken uit; nu
eens in een huis waar men toeback dronk, dan weer in de gelagkamer
van eene matrozentaveerne en menigmaal ook in den zak van dat soort
volk, dat den onbezorgden matroos den laatsten duit voor allerlei
snorrepijperijen weet af te troggelen.
Mijne laatste reize was eene uitmuntende geweest. De buidel was nog
nooit ofte nimmer zoo goed voorzien geweest, en daarom besloot ik
eens naar Amsterdam te gaan om daar,--och, wat helpt het al geef ik
er een mooi kleurtje aan?--om daar mijn geld zoek te maken.
Wat zou ik doen? Varen, loopen of rijden? Varen? Dank-je, dat was
wat al te saai, daar en had ik geen lust in! Loopen? Eene lieve
wandeling van Enkhuizen naar Amsterdam! Rijden? Wel ja, dat moest ik
eens doen! Ik had het zeker in geen twintig jaren gedaan!--