Ontvlucht en nog eens bij t' "Kregel Mennonietje."

"Onze galei zette koers naar Salee. Bijna twee jaren lang hadden we

met de roovers heen en weer gezworven en in al dien tijd geen enkel

schip van de Compagnie gezien. Wel hadden we in dien tijd een stuk

of drie Spaansche schepen overmeesterd, maar voor het overige hadden

we niet veel meer gedaan dan geluierd."--

Zoo begon Huib den volgenden morgen zijne vertelling, doch in plaats

van enkel Jonge Kees tot toehoorder te hebben, had hij er nu wel tien

van de bemanning om zich heen. Nauwelijks toch had Jonge Kees aan één

zijner makkers verteld, dat de oude Huib bezig was de geschiedenis

van Goede Vaêr Tromp te verhalen, of deze briefde het aan anderen

over. Zoolang Huib nog niet aanwezig was, vertelde Jonge Kees alles wat

de oude man hem den vorigen dag verhaald had. De matrozen waren dus

redelijk op de hoogte der geschiedenis en luisterden met ingespannen

aandacht naar hetgeen Huib thans ging mededeelen.

"We hadden gedurende die twee jaren niet veel anders gedaan dan

geluierd," zoo vervolgde de verteller. "Hadden we maar beter voedsel

gekregen, waren we maar niet zoo mishandeld geworden en hadden we

maar geene Moeder in Den Briel gehad, zie, we zouden ons vrij goed

in ons lot hebben kunnen schikken! Maar nu! o, Wat hebben we met ons

vijven al plannen gemaakt om te ontvluchten! Nu verzon de een dit,

dan de ander dat plan! Maar de Turken hielden ons altijd in het oog

en bewaakten ons zorgvuldig.

Ten leste hadden we alle plannen ter ontvluchting maar opgegeven, en

hoopten we alleen, dat de goede God ons onverwacht uitkomst zou geven.

Zoo als ik zeî, wij zett'en koers naar Salee, en dat wel

hoofdzakelijk omdat ons vaartuig eenige noodzakelijke herstellingen

moest ondergaan. 'T was een oude, versleten kast!--Daar vertoonde

zich eensklaps aan den gezichteinder donkere wolken, die al hooger

en hooger kwamen. 'T werd bladstil en de groote zee leek meer op

eenen gladden spiegel dan op een stormachtig bewogen waterplas.--De

rooverkapitein zag het onweder nader komen en scheen er niet veel

vrede meê te hebben, daar hij wel begreep, dat het oude schip niet

veel weerstand zou kunnen bieden.--Achter aan 't vaartuig had men de

boot al gereed liggen om, als de nood drong, hiermede te trachten

althans het leven te redden.--Intusschen brak er een hevig onweder

over ons hoofd los. De storm verdubbelde zijn geweld.

'T was klaar dat het schip het niet houden zou en daarenboven schenen

we in de nabijheid van vele blinde klippen te zijn.

De rooverkapitein gaf het teeken, de bemanning maakte de boot los,

vulde ze met proviand, bond ons alle vijf aan scheepsboord vast en

verliet het vaartuig.

Marten lag dicht bij me en scheen te bidden. Nu, dat was dan ook

wel noodig; want het gevaar waarin wij verkeerden was zeer groot. We

zagen niets dan den dood voor oogen.

Het brooze vaartuig werd naar alle zijden heen en weer

geslingerd.--Maar dat zou juist ons geluk zijn. Men had Marten met de

handen aan een touw gebonden, dat als een muur zoo vast, tusschen twee

watervaten zat.--Er zouden reuzenkrachten noodig geweest zijn om zich

los te rukken, maar de holle zee was sterker dan een reus.-- Eene golf,

zoo groot als ik nog nooit gezien heb, sloeg over de verschansing;

wij dachten dat ons laatste uur geslagen was, en...een der vaten was

omgekanteld en het touw was los. Thans waren Martens handen spoedig

vrij en al lag de knoop ook vast om zijn beenen, die kwam toch ook los.

"Ik zal u helpen, mannen," sprak hij, en kroop op handen en voeten

naar de kajuit. Weldra kwam hij met een mes terug, hij sneed onze

banden los en, juist toen de storm op het felste was, waren we

alle vijf vrij.--De andere drie matrozen waren bevaren gasten en

inplaats van zich kleinmoedig te betoonen, sloegen ze de handen aan

het werk. De hoop, van nog eenmaal het lieve Vaderland terug te zien,

gaf dubbele kracht.

Langzamerhand bedaarde de storm. Wel stond de zee nog hol; maar wij

vertrouwden er op dat de Heer redding zou geven.

"Wien God bewaart is wel bewaard, mannen," sprak de oudste matroos

en wij allen zeiden hierop: "Amen!"

Na meer dan twee uren lang tegen den storm en de zee geworsteld te

hebben, waren we het gevaar te boven, als we maar zorgden dat de

twee pompen nooit stil stonden. Zoodoende was er altijd één eenige

oogenblikken vrij om wat te rusten of te eten.--Twee dagen lang hadden

we zoo doorgebracht; we waren door en door moede en langzamerhand

begonnen we te vreezen, dat we ten leste het toch nog zouden moeten

opgeven.--We hadden geen tijd om behoorlijk uit te zien of er ook een

schip naderde, zoodat we opschrikten toen we een schot hoorden klinken.

We keken op, en... o, vreugde, niet zoo heel ver van ons kwam een

Oostindie-vaarder op ons af.--

Nog altijd woei de vlag met de Halve maan van den

achtersteven! Schielijk werd ze neergehaald en door allerlei teekenen

gaven wij te kennen, dat wij geene zeeroovers waren. Men scheen ons

maar half te gelooven, want vier welgewapende booten kwamen op ons

af.--Met gejuich werden ze door ons begroet en met groot gejuich

werden we door die mannen opgenomen.

Wij waren gered; maar, o jongens, toen 'k eindelijk het dek van de

Maria onder mijne voeten had, toen scheen er aan mijne vreugde geen

einde te zullen komen.

De Maria was een goed bezeild schip; de wind was voorbeeldeloos gunstig

en toch gingen we naar onzen zin veel te langzaam. Eindelijk kwamen

we echter toch waar we wezen moesten en den 14den van Wintermaand in

't jaar 1610 lagen we weer voor Rotterdam.

Spoedig begaven we ons naar Den Briel. Wat zou mijne goede moeder

blijde zijn als ze me weer zag!---Maar, eilacie, nog was ik niet in

de stad toen 'k een droeve tijding vernam.--

"Hei, hei!" hoorden we achter ons roepen.

We keken om en zagen een breedgeschouderden knaap op ons

afkomen. Marten meende hem te kennen, maar toch....

"Waar kom jeluî van daan?" vroeg de knaap toen hij ons genaderd was.

"Heb ik het niet gedacht," riep Marten, "'t is ons "Kregel

Mennonietje!"--

"Ei, ei, wat ge goed raden kunt, en jij bent, he-- heee--die bruine

is Marten en die halve zwarte is Huib! Heee!"--

"En hoe gaat het in Den Briel?" vroeg ik.

"Goed, goed, best, opperbest zelfs! Sinds een paar weken geef ik

geregeld iederen dag een stuk of drie jongens op hun falie want,

weet-je, 'k heb me laten doopen! Lekker, hé? Kom nog eens aan mijn

lijf als je durft!" [9]

Wij stonden met groote oogen te kijken en Witte had er zooveel pret

in, dat hij dadelijk zijn buis op den grond smeet en zeî: "Wil-je,

zeg, wil-je? Allebei te gelijk, kom maar op!"--

"Neen, Witte, we willen niet vechten! Zeg ons maar hoe 't in Den

Briel is!" zeide Marten.

"o Goed, goed! 'K heb gisteren je moeder nog gezien, springlevend maar

een weinig treurig.--Jou vader en moeder zijn dood, Huib! Je vader is

hier in 't zeegat over boord geslagen en verdronken, en je moeder is

vandaag voor eene week gestorven. Ze zeggen van verdriet! Maar zeg,

wil-je nou niet ereis?"--

"Wil-je nou niet ereis?" Wie zou nu lust in 't vechten hebben? Maar

hij kon het wel zeggen om mij te plagen en daarom vraagde ik: "Maar

zeg, Witte, is het waar?"--

"Als je me niet gelooft dan begin ik dadelijk! Ik en ben geen

leugenaar!" was het antwoord.

Ik snelde naar de stad, kwam bij ons huisje en vernam daar van de

buren wat er gebeurd was!--

Ik keerde mij om en ging buiten de poort eens uitweenen!

Die arme goede, goede, brave, lieve Moeder!

Ik kwam niet in de stad terug; maar twee dagen later was ik weer te

Rotterdam, waar ik mij op een Straatvaarder liet aanmonsteren.

Een half jaar later dan ik kwam Marten aan boord van De Haai, een

schoon schip waarover Pieter Pietersz. Hein Kapitein was.

Marten was in goede handen!

Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden · 第 17 / 43 题