HOOFDSTUK IV

Gevangen genomen.

Wij bleven ruim een halfjaar te Rotterdam liggen. De Bare had in

den slag bij Gibraltar ontzettend geleden en moest nu van onder tot

boven worden nagezien. In al dien tijd was ik echter geen dag in Den

Briel geweest; want ik kreeg daartoe geen verlof, omdat ik het niet en

vroeg.--Ik had niet veel goeds van mij-zelven te zeggen.--Marten had

echter van dien tijd gebruik gemaakt om tweemaal per dag bij onzen

ouden meester ter les te gaan, en daar die jonge schipper Piet Hein

hem zoo nadrukkelijk verzekerd had, dat er vast een kapitein uit hem

groeien zou, als hij maar wakker leeren wilde, zoo deed hij dubbel

zijn best.--

Eindelijk was ons schip in Wintermaand van 't jaar '7 weer kant en

klaar voor de reize en op zekeren dag kwamen de kapitein en Marten

onverwacht aan boord.--

Marten kwam terstond bij me en betoonde zijne vreugde door mij alles

te vertellen wat hij van Den Briel wist.--Het "Kregel Mennonietje"

ging nog altijd school en was in dien tijd heel wat gegroeid. Leeren

deed hij als de beste, maar daar hij door zijn boos humeur altijd

met iedereen overhoop lag, zoo had hij onder de jongens niet een,

die veel van hem hield. Zelfs de meester hield niet van hem, hoewel

deze toch nooit last van hem had. Van mijne moeder bracht hij eenen

duevekater [7] mede en ... meester had gevraagd of ik aan boord nog

wat leerde lezen en of ik goed oppaste?

Op die laatste vraag gaf ik geen antwoord. Ik wilde niet zeggen

"ja," want dan hadde ik eene onwaarheid gezegd. Ik had den weg in

Rotterdam leeren vinden, dat was al. Wanneer 'k aan boord niet noodig

had, dan was ik aan den wal gegaan, en 'k had al spoedig een paar

kornuiten gevonden, die mij overal brachten waar ik niet en noodig

had. Geen steegje zoo klein of ik wist het! Maar leeren! bah, wat

zou'k leeren? Ik werd tóch nooit kapitein!

"Nu," zeî Marten, "kunt ge dat boekske, dat ik u met Allerheiligen

zond, al lezen?"--

"Neen, 't was zoo moeielijk, ik en kon niet!"--

"Maar waarom hebt ge het dan den schipper niet gevraagd? Dat is een

abel, bekwaam en treffelijk man!"

"Ik en durfde dat niet te doen; hij was zelf altijd met heel dikke

boeken over de zeevaart-konst in de weer!"--

"'T is jammer, Huib! Maar als we nu maar weer in zee zijn, dan zullen

we samen eens gaan leeren, hé? Ik reken nu al uit de cijferkonste van

onzen treffelijken, geleerden Simon Stevin. Dat is een heel nieuw

rekenboek en onze meester was er zelf nog niet recht achter!--Maar

wat leelijke, gemeene slabbakken daar aan den weg staan. 'T is of ze

staan te wachten!"

Marten wees naar den wal waar de twee jongens stonden, die mij den

weg in Rotterdam geleerd hadden. Ik keek om, en, zoodra ze mij zagen,

riepen ze:

"Kom-je, Huib? Kom-je? Trijn van de Floer Battensheul heeft naar

je gevraagd?"

Ik keerde mij beschaamd om en meende dat Marten op mijn aangezicht

zou kunnen lezen wat die jongens meenden. De Floer Battensheul was

eene brug, die aan de Delftsche poort over eene vaart lag. Daar zat

Trijn Blomzoetken, zooals wij, kwâjongens, haar noemden, iederen dag

met warmoes en ooft. Menige penning was daar door mij besteed en toen

'k verleden week geene penningen meer had, toen schonk zij mij eene

maat vol zure schijvelingen, daar mijne twee kameraads haar vertelden,

dat ik kajuitswachter op de Bare was en de volgende week mijne gage

ontving. Ik wist wel dat zulks niet waar was, maar nam alevel de appels

aan en weldra hadden wij deze met ons drieën allemaal opgepeuzeld.--Na

dien tijd waren we daar niet geweest, en nu had Trijn de jongens er

zeker op afgestuurd om mij te halen.--

"Ken je die vuile, gelapte borsten, Huib?" vroeg Marten.

"Of hij ze kent?" sprak schipper Hein, die stillekens achter ons

gekomen was, "of hij ze kent, Marten? Bijlo, het zijn zijne beste

vrienden! Niet, Huibje?"--

"Hé, Huib! Huib! Huib! Kom-je?" klonk het van den wal.

Ik vatte moed en, als wilde ik schipper Hein tot eenen logenaar maken,

riep ik: "Loopt, ik ken je niet!"

"Heeee! Hij en kent ons niet, Jan?" schreeuwde de een en begon met

den ander, die Joost heette, allerlei sprongen te maken, en toen ze

moede waren van al die malle luchtsprongen begonnen ze te zingen:

Fideldine, fideldijn!

Ick en dans nyet,

Ick en schrans nyet!

Fideldine, fideldyn,

Ick ken jou en jij kent mijn!

Fideldine, Heyntjeman,

Ick en roep nyet,

Ick en snoep nyet!

Fideldine, Heyntjeman,

Drinckt den wijn uit volle kan.

Fideldine, Zuyerzee,

Ick en klinck nyet,

Ick en drinck nyet!

Fideldine, Zuyerzee,

Huib blijft hier en Trijn gaet meê!

Fideldine, kakelbonght,

Ick en krijgh nyet,

Ick en swijgh nyet!

Fideldine, kakelbonght,

Volle kannen syn ghesont!

"Kom, Huib, zing dat fijne mopsjen toch mee, man!" zeî Hein.

"Ik en ken dat mopsjen niet'," gaf ik ten antwoord; maar de roode

kleur, die ik kreeg, zeide maar al te wel dat ik loog.

"Heeee, fijnman, heeee! Kom dan toch, of we gaan alleen naar onze

goede Trijn Blomzoetken!" schreeuwde Joost en gooide zijne muts in

de hoogte, duikelde tweemalen over den kop, pakte Jan bij den arm en

voort gingen ze. Al lang waren ze de naaste straat ingeslagen toen

ik hen nog hoorde zingen:

Die backer Joosten al op den hoek, - Hi - ha - hoe!

Die slaet syn wijf met Bagynenkoeck, - Bi - ba - boe!

En so die Backer dat nyet en deed,

Dan segh ick nyet wat ick wel weet!

Hi - ha - hoe! Bi - ba - boe!

Marten had zich met den schipper verwijderd en was drok met hem

in gesprek.

Ik bleef moederziel alleen staan en tranen van spijt sprongen

mij uit de oogen. Intusschen was ik in duizend vreezen, dat Trijn

Blomzoetken komen zou en mij om geld vragen, dat ik niet en had. o,

Als dat gebeurde, wat dan?

Het eene uur na het andere verstreek evenwel en het werd één uur. Nog

een half uur dan gingen we heen en als de kabels maar los waren,

als de loopplank maar weggenomen was, dan....

Waarlijk, het geluk diende mij. Juist met klokke half twee werden de

kabels losgemaakt, de plank werd ingehaald en onder het "Hoezee!" der

toeschouwers verlieten we den wal. Juist bij tijds! Daar verscheen

eene vrouw aan den kant, die de vuisten naar ons opstak en zeker

allerlei scheldwoorden schreeuwde. Wij waren echter al te ver af en

er was te veel beweging aan boord om haar te verstaan. De kapitein

had haar echter wel gezien en deed bij den schipper onderzoek naar

de zaak. Of die Hein er nu achter gekomen was, dat ik bij Trijn

Blomzoetken schuld op den kerfstok had, dan wel of hij haar verstaan

had, ik en weet het niet; maar toen wij des avonds met gunstigen wind

Den Briel passeerden en ik onzen stompen toren naoogde zoo lang ik kon,

kwam de kapitein bij me en zeî:

"Huib, ik en wil niet meer, dat mijn zoon met je omgaat. Een jongen

als jij, die den kostelijken tijd verluilakt, goêvrindschap maakt met

gemeene straatjongens, en er een kerfstok op na houdt bij appelvrouwen,

als Trijn Blomzoetken van de Floer Battensheul, zulk een is geen

geschikt kompeer voor mijn jongen! Ik zal je voortaan behandelen als

ieder ander mijner matrozen, dat zal ik; maar reken er op dat joffer

Driestreng [8] gereed ligt, als ik je op het achterschip zie. Je

plaats is voor en je heet pluimgraaf! Begrepen?"--

Ik knikte maar gaf geen antwoord.

Mijn lot was treurig; maar in plaats van mijzelven de schuld te geven

en te denken aan het spreekwoord. "Wie met pek omgaat raakt er mede

besmet," gaf ik anderen, vooral dien babbelaar van een schipper de

schuld. Ik meende maar dat elk en een ieder het er op toelegde om mij

ongelukkig te maken. Dat was zeer verkeerd; want zoo ik berouw gevoeld

had, dan hadden de anderen mij niet altijd links laten liggen.--

Wij zetten eerst koers naar Vlissingen en wat 'n geluk! Daar ging

schipper Hein aan boord van een ander vaartuig over, en wij kregen in

zijne plaats een kloek Arnemuidenaar, die er uitzag als eene Maartsche

bui en al dadelijk begon met mij te vertellen, dat hij mij, als ik

hem in den weg liep, een schop zou geven dat ik in de Wielingen zou

vliegen om met de bruinvisschen te leeren duikelen.

Met eene stevige bries zett'en wij koers naar Engeland, voeren door

het Kanaal en kwamen weldra in den Oceaan.

Waarheen was de tocht? En waarom was ons schip zoo sterk bemand? Waarom

hadden we zooveel kruit en kogels aan boord? Ging het naar den

Spanjaard en mogelijk alweer naar Gibraltar? Ik zag geen land en

niets dan lucht en water en water en lucht. De wind was omgeloopen

en thans werd de koers, nadat we wel acht dagen lang maar altijd

westelijk aangehouden hadden, naar het zuiden gericht.

Kon ik toch maar eens te weten komen waarheen het ging! Maar ik had

met geen mensch kameraadschap gesloten, en 'k wist nu ook niet wien

ik het zou durven vragen. Het werd al heeter en heeter! Midden op

den dag was het in de zon op het dek niet uit te houden! Intusschen

begonnen de konstabels en matrozen de Bare in eenen geduchten staat

van verdediging te stellen. De kogels lagen op het dek en de vaatjes

met kruit werden voor den dag gehaald.--

Ik wist niet eens welken dag van de maand wij hadden; en of het Zondag

of midden in de week was, daar bekommerde ik mij niet om; ik zat

en leefde maar alleen. Doch eens op een' dag,--'t moest Zondag zijn,

want de schrijver las eene preek voor en deed het gebed,--riep de wacht

ineens: "Een zeil! een zeil!" In een oogenblik was alles op het dek.

Dat was zeker geen schip van de Compagnie; want de wijze waarop wij

het gingen ontvangen, was alles behalve vriendelijk. Het bleek ook

weldra dat het niet één schip was; want ik telde er al heel gauw

zeven en later zelfs twaalf.

In hunne vlag was een halve Maan en terstond begreep ik dat het

Turksche zeeroovers waren. Denkelijk kwamen ze wel van Salee en

loerden ze op onze rijk geladen Compagnie-schepen.

Daar klonk een schot van een der roovers en terstond werd het door

de onzen beantwoord.

"Mannen," zeide de kapitein, "de vijand is talrijk, maar moed

verloren, al verloren! Houdt dan couragie, jongens! Wakker er op

in! Die Turksche rabauwen zullen weten dat wij geen katten zijn,

die men zonder handschoenen kan aanvatten! Voor Zijne Excellentie

Prins Maurits en de Compagnie! Hoezee! Hoezee!"--

Ik had volstrekt geen plan om meê te roepen, doch 't is aanstekelijk

geloof ik; want ik schreeuwde meê, zoo hard ik kon: "Voor Zijne

Excellentie Prins Maurits en de Compagnie! Hoezee! Hoezee!"--

De vreemde schelmen schenen zich om ons geschreeuw al heel weinig

te bekommeren en hielden, voortgaande met schieten, steeds op ons

aan. Zij schenen nog weinig verstand van het geschut te hebben,

want al de kogels vlogen hoog door het want heen.--Onze konstabels

daarentegen waren betere schutters; bijna elk schot was raak. Maar

wat hielp het? In minder dan een uur waren wij rondom ingesloten. We

hadden het thans van alle kanten te kwaad. Die rabauwen, 't moet gezegd

worden, waren niet bang, en zonder dat wij het verhinderen konden,

werd de Bare geënterd en klommen de vijanden als katten bij ons aan

boord. Toen werd het een bloedig gevecht! De kapitein stond vooraan

en sloeg er wakker op in; maar eensklaps ontving hij eene doodelijke

wonde en viel voorover op het dek. Een oogenblik staakten de onzen

het gevecht, doch toen Marten dit zag, bukte hij, greep den degen van

zijnen vader en met vuurstralende oogen en met tranen op de wangen

schreeuwde hij: "Jongens, helpt dan mijn arm vadertje wreken! Toe dan,

toe dan, helpt mij!"--

"Ja, ik wil je helpen," riep de lange schipper en zijn bijl wegwerpende

pakte hij eensklaps een der opperhoofden om zijn middel, tilde hem

van het dek op en smeet hem over boord.

"Doet als ik!" riep hij en wilde eenen tweeden vijand op dezelfde

manier over boord smijten, doch deze zag het spelletje aankomen en

deed een geduchten houw naar hem.

"Wel ja, wou je me daar zoo maar een lik uit de pan geven?" riep de

Arnemuidenaar lachende. "Ik en lust geen likjes, maar misschien lust

jij wel een zoopje haaienwijn!"

Ook deze vijand werd als een veer opgetild; doch hij was sterker dan

de ander en hield zich aan den schipper vast.

"Nou, niet of graag! Wil je me niet loslaten dan gaan we samen! Adie,

jongens, houdt je goed!"--

Zoo riep hij en eensklaps sprong hij van de verschansing en verdween

in de diepte.--

Nog een oogenblik hielden we den ongelijken strijd vol; maar ten

leste moesten wij den kamp opgeven en we zagen ons genoodzaakt, wilden

we het voorbeeld van den wakkeren en moedigen schipper niet volgen,

de wapenen neer te leggen en ons over te geven.--

Marten en ik werden met nog drie anderen aan boord van het grootste

roofschip gebracht, om daar als honden behandeld te worden en den

bevelhebber op zijne wenken te bedienen.--Op zijne wenken, precies,

want geen van de vijf kon die kerels verstaan. Gelukkig dat we

nog aanspraak aan elkander hadden en, dat Marten vergat, dat ik te

Rotterdam met zulke gemeene jongens kennis had gemaakt. Het liefst

sprak hij met mij over zijn' Vader en zijne Moeder, en ook ik hoorde

er graag over spreken; want als Marten van zijne Ouders vertelde,

dan vertelde ik van de mijne, en als hij 't over Den Briel had, dan

had ik het ook daarover. Wij aten uit één bak; wij dronken uit één

kroes; wij sliepen in één vuil hok; wij kregen slagen met dezelfde

zweep! Wij waren de beste vrienden; wij waren beide gevangenman en

nu ... nu kent hij mij amper en hij is Luitenant-Ammiraal en ik ben

matroos! Jonge Kees, jongen, spiegel je aan mij! Maar de zon is onder;

ik ga ter kooi! Morgen de rest! Wel te rusten!"--

Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden · 第 15 / 43 题