Gevangen genomen.
Wij bleven ruim een halfjaar te Rotterdam liggen. De Bare had in
den slag bij Gibraltar ontzettend geleden en moest nu van onder tot
boven worden nagezien. In al dien tijd was ik echter geen dag in Den
Briel geweest; want ik kreeg daartoe geen verlof, omdat ik het niet en
vroeg.--Ik had niet veel goeds van mij-zelven te zeggen.--Marten had
echter van dien tijd gebruik gemaakt om tweemaal per dag bij onzen
ouden meester ter les te gaan, en daar die jonge schipper Piet Hein
hem zoo nadrukkelijk verzekerd had, dat er vast een kapitein uit hem
groeien zou, als hij maar wakker leeren wilde, zoo deed hij dubbel
zijn best.--
Eindelijk was ons schip in Wintermaand van 't jaar '7 weer kant en
klaar voor de reize en op zekeren dag kwamen de kapitein en Marten
onverwacht aan boord.--
Marten kwam terstond bij me en betoonde zijne vreugde door mij alles
te vertellen wat hij van Den Briel wist.--Het "Kregel Mennonietje"
ging nog altijd school en was in dien tijd heel wat gegroeid. Leeren
deed hij als de beste, maar daar hij door zijn boos humeur altijd
met iedereen overhoop lag, zoo had hij onder de jongens niet een,
die veel van hem hield. Zelfs de meester hield niet van hem, hoewel
deze toch nooit last van hem had. Van mijne moeder bracht hij eenen
duevekater [7] mede en ... meester had gevraagd of ik aan boord nog
wat leerde lezen en of ik goed oppaste?
Op die laatste vraag gaf ik geen antwoord. Ik wilde niet zeggen
"ja," want dan hadde ik eene onwaarheid gezegd. Ik had den weg in
Rotterdam leeren vinden, dat was al. Wanneer 'k aan boord niet noodig
had, dan was ik aan den wal gegaan, en 'k had al spoedig een paar
kornuiten gevonden, die mij overal brachten waar ik niet en noodig
had. Geen steegje zoo klein of ik wist het! Maar leeren! bah, wat
zou'k leeren? Ik werd tóch nooit kapitein!
"Nu," zeî Marten, "kunt ge dat boekske, dat ik u met Allerheiligen
zond, al lezen?"--
"Neen, 't was zoo moeielijk, ik en kon niet!"--
"Maar waarom hebt ge het dan den schipper niet gevraagd? Dat is een
abel, bekwaam en treffelijk man!"
"Ik en durfde dat niet te doen; hij was zelf altijd met heel dikke
boeken over de zeevaart-konst in de weer!"--
"'T is jammer, Huib! Maar als we nu maar weer in zee zijn, dan zullen
we samen eens gaan leeren, hé? Ik reken nu al uit de cijferkonste van
onzen treffelijken, geleerden Simon Stevin. Dat is een heel nieuw
rekenboek en onze meester was er zelf nog niet recht achter!--Maar
wat leelijke, gemeene slabbakken daar aan den weg staan. 'T is of ze
staan te wachten!"
Marten wees naar den wal waar de twee jongens stonden, die mij den
weg in Rotterdam geleerd hadden. Ik keek om, en, zoodra ze mij zagen,
riepen ze:
"Kom-je, Huib? Kom-je? Trijn van de Floer Battensheul heeft naar
je gevraagd?"
Ik keerde mij beschaamd om en meende dat Marten op mijn aangezicht
zou kunnen lezen wat die jongens meenden. De Floer Battensheul was
eene brug, die aan de Delftsche poort over eene vaart lag. Daar zat
Trijn Blomzoetken, zooals wij, kwâjongens, haar noemden, iederen dag
met warmoes en ooft. Menige penning was daar door mij besteed en toen
'k verleden week geene penningen meer had, toen schonk zij mij eene
maat vol zure schijvelingen, daar mijne twee kameraads haar vertelden,
dat ik kajuitswachter op de Bare was en de volgende week mijne gage
ontving. Ik wist wel dat zulks niet waar was, maar nam alevel de appels
aan en weldra hadden wij deze met ons drieën allemaal opgepeuzeld.--Na
dien tijd waren we daar niet geweest, en nu had Trijn de jongens er
zeker op afgestuurd om mij te halen.--
"Ken je die vuile, gelapte borsten, Huib?" vroeg Marten.
"Of hij ze kent?" sprak schipper Hein, die stillekens achter ons
gekomen was, "of hij ze kent, Marten? Bijlo, het zijn zijne beste
vrienden! Niet, Huibje?"--
"Hé, Huib! Huib! Huib! Kom-je?" klonk het van den wal.
Ik vatte moed en, als wilde ik schipper Hein tot eenen logenaar maken,
riep ik: "Loopt, ik ken je niet!"
"Heeee! Hij en kent ons niet, Jan?" schreeuwde de een en begon met
den ander, die Joost heette, allerlei sprongen te maken, en toen ze
moede waren van al die malle luchtsprongen begonnen ze te zingen:
Fideldine, fideldijn!
Ick en dans nyet,
Ick en schrans nyet!
Fideldine, fideldyn,
Ick ken jou en jij kent mijn!
Fideldine, Heyntjeman,
Ick en roep nyet,
Ick en snoep nyet!
Fideldine, Heyntjeman,
Drinckt den wijn uit volle kan.
Fideldine, Zuyerzee,
Ick en klinck nyet,
Ick en drinck nyet!
Fideldine, Zuyerzee,
Huib blijft hier en Trijn gaet meê!
Fideldine, kakelbonght,
Ick en krijgh nyet,
Ick en swijgh nyet!
Fideldine, kakelbonght,
Volle kannen syn ghesont!
"Kom, Huib, zing dat fijne mopsjen toch mee, man!" zeî Hein.
"Ik en ken dat mopsjen niet'," gaf ik ten antwoord; maar de roode
kleur, die ik kreeg, zeide maar al te wel dat ik loog.
"Heeee, fijnman, heeee! Kom dan toch, of we gaan alleen naar onze
goede Trijn Blomzoetken!" schreeuwde Joost en gooide zijne muts in
de hoogte, duikelde tweemalen over den kop, pakte Jan bij den arm en
voort gingen ze. Al lang waren ze de naaste straat ingeslagen toen
ik hen nog hoorde zingen:
Die backer Joosten al op den hoek, - Hi - ha - hoe!
Die slaet syn wijf met Bagynenkoeck, - Bi - ba - boe!
En so die Backer dat nyet en deed,
Dan segh ick nyet wat ick wel weet!
Hi - ha - hoe! Bi - ba - boe!
Marten had zich met den schipper verwijderd en was drok met hem
in gesprek.
Ik bleef moederziel alleen staan en tranen van spijt sprongen
mij uit de oogen. Intusschen was ik in duizend vreezen, dat Trijn
Blomzoetken komen zou en mij om geld vragen, dat ik niet en had. o,
Als dat gebeurde, wat dan?
Het eene uur na het andere verstreek evenwel en het werd één uur. Nog
een half uur dan gingen we heen en als de kabels maar los waren,
als de loopplank maar weggenomen was, dan....
Waarlijk, het geluk diende mij. Juist met klokke half twee werden de
kabels losgemaakt, de plank werd ingehaald en onder het "Hoezee!" der
toeschouwers verlieten we den wal. Juist bij tijds! Daar verscheen
eene vrouw aan den kant, die de vuisten naar ons opstak en zeker
allerlei scheldwoorden schreeuwde. Wij waren echter al te ver af en
er was te veel beweging aan boord om haar te verstaan. De kapitein
had haar echter wel gezien en deed bij den schipper onderzoek naar
de zaak. Of die Hein er nu achter gekomen was, dat ik bij Trijn
Blomzoetken schuld op den kerfstok had, dan wel of hij haar verstaan
had, ik en weet het niet; maar toen wij des avonds met gunstigen wind
Den Briel passeerden en ik onzen stompen toren naoogde zoo lang ik kon,
kwam de kapitein bij me en zeî:
"Huib, ik en wil niet meer, dat mijn zoon met je omgaat. Een jongen
als jij, die den kostelijken tijd verluilakt, goêvrindschap maakt met
gemeene straatjongens, en er een kerfstok op na houdt bij appelvrouwen,
als Trijn Blomzoetken van de Floer Battensheul, zulk een is geen
geschikt kompeer voor mijn jongen! Ik zal je voortaan behandelen als
ieder ander mijner matrozen, dat zal ik; maar reken er op dat joffer
Driestreng [8] gereed ligt, als ik je op het achterschip zie. Je
plaats is voor en je heet pluimgraaf! Begrepen?"--
Ik knikte maar gaf geen antwoord.
Mijn lot was treurig; maar in plaats van mijzelven de schuld te geven
en te denken aan het spreekwoord. "Wie met pek omgaat raakt er mede
besmet," gaf ik anderen, vooral dien babbelaar van een schipper de
schuld. Ik meende maar dat elk en een ieder het er op toelegde om mij
ongelukkig te maken. Dat was zeer verkeerd; want zoo ik berouw gevoeld
had, dan hadden de anderen mij niet altijd links laten liggen.--
Wij zetten eerst koers naar Vlissingen en wat 'n geluk! Daar ging
schipper Hein aan boord van een ander vaartuig over, en wij kregen in
zijne plaats een kloek Arnemuidenaar, die er uitzag als eene Maartsche
bui en al dadelijk begon met mij te vertellen, dat hij mij, als ik
hem in den weg liep, een schop zou geven dat ik in de Wielingen zou
vliegen om met de bruinvisschen te leeren duikelen.
Met eene stevige bries zett'en wij koers naar Engeland, voeren door
het Kanaal en kwamen weldra in den Oceaan.
Waarheen was de tocht? En waarom was ons schip zoo sterk bemand? Waarom
hadden we zooveel kruit en kogels aan boord? Ging het naar den
Spanjaard en mogelijk alweer naar Gibraltar? Ik zag geen land en
niets dan lucht en water en water en lucht. De wind was omgeloopen
en thans werd de koers, nadat we wel acht dagen lang maar altijd
westelijk aangehouden hadden, naar het zuiden gericht.
Kon ik toch maar eens te weten komen waarheen het ging! Maar ik had
met geen mensch kameraadschap gesloten, en 'k wist nu ook niet wien
ik het zou durven vragen. Het werd al heeter en heeter! Midden op
den dag was het in de zon op het dek niet uit te houden! Intusschen
begonnen de konstabels en matrozen de Bare in eenen geduchten staat
van verdediging te stellen. De kogels lagen op het dek en de vaatjes
met kruit werden voor den dag gehaald.--
Ik wist niet eens welken dag van de maand wij hadden; en of het Zondag
of midden in de week was, daar bekommerde ik mij niet om; ik zat
en leefde maar alleen. Doch eens op een' dag,--'t moest Zondag zijn,
want de schrijver las eene preek voor en deed het gebed,--riep de wacht
ineens: "Een zeil! een zeil!" In een oogenblik was alles op het dek.
Dat was zeker geen schip van de Compagnie; want de wijze waarop wij
het gingen ontvangen, was alles behalve vriendelijk. Het bleek ook
weldra dat het niet één schip was; want ik telde er al heel gauw
zeven en later zelfs twaalf.
In hunne vlag was een halve Maan en terstond begreep ik dat het
Turksche zeeroovers waren. Denkelijk kwamen ze wel van Salee en
loerden ze op onze rijk geladen Compagnie-schepen.
Daar klonk een schot van een der roovers en terstond werd het door
de onzen beantwoord.
"Mannen," zeide de kapitein, "de vijand is talrijk, maar moed
verloren, al verloren! Houdt dan couragie, jongens! Wakker er op
in! Die Turksche rabauwen zullen weten dat wij geen katten zijn,
die men zonder handschoenen kan aanvatten! Voor Zijne Excellentie
Prins Maurits en de Compagnie! Hoezee! Hoezee!"--
Ik had volstrekt geen plan om meê te roepen, doch 't is aanstekelijk
geloof ik; want ik schreeuwde meê, zoo hard ik kon: "Voor Zijne
Excellentie Prins Maurits en de Compagnie! Hoezee! Hoezee!"--
De vreemde schelmen schenen zich om ons geschreeuw al heel weinig
te bekommeren en hielden, voortgaande met schieten, steeds op ons
aan. Zij schenen nog weinig verstand van het geschut te hebben,
want al de kogels vlogen hoog door het want heen.--Onze konstabels
daarentegen waren betere schutters; bijna elk schot was raak. Maar
wat hielp het? In minder dan een uur waren wij rondom ingesloten. We
hadden het thans van alle kanten te kwaad. Die rabauwen, 't moet gezegd
worden, waren niet bang, en zonder dat wij het verhinderen konden,
werd de Bare geënterd en klommen de vijanden als katten bij ons aan
boord. Toen werd het een bloedig gevecht! De kapitein stond vooraan
en sloeg er wakker op in; maar eensklaps ontving hij eene doodelijke
wonde en viel voorover op het dek. Een oogenblik staakten de onzen
het gevecht, doch toen Marten dit zag, bukte hij, greep den degen van
zijnen vader en met vuurstralende oogen en met tranen op de wangen
schreeuwde hij: "Jongens, helpt dan mijn arm vadertje wreken! Toe dan,
toe dan, helpt mij!"--
"Ja, ik wil je helpen," riep de lange schipper en zijn bijl wegwerpende
pakte hij eensklaps een der opperhoofden om zijn middel, tilde hem
van het dek op en smeet hem over boord.
"Doet als ik!" riep hij en wilde eenen tweeden vijand op dezelfde
manier over boord smijten, doch deze zag het spelletje aankomen en
deed een geduchten houw naar hem.
"Wel ja, wou je me daar zoo maar een lik uit de pan geven?" riep de
Arnemuidenaar lachende. "Ik en lust geen likjes, maar misschien lust
jij wel een zoopje haaienwijn!"
Ook deze vijand werd als een veer opgetild; doch hij was sterker dan
de ander en hield zich aan den schipper vast.
"Nou, niet of graag! Wil je me niet loslaten dan gaan we samen! Adie,
jongens, houdt je goed!"--
Zoo riep hij en eensklaps sprong hij van de verschansing en verdween
in de diepte.--
Nog een oogenblik hielden we den ongelijken strijd vol; maar ten
leste moesten wij den kamp opgeven en we zagen ons genoodzaakt, wilden
we het voorbeeld van den wakkeren en moedigen schipper niet volgen,
de wapenen neer te leggen en ons over te geven.--
Marten en ik werden met nog drie anderen aan boord van het grootste
roofschip gebracht, om daar als honden behandeld te worden en den
bevelhebber op zijne wenken te bedienen.--Op zijne wenken, precies,
want geen van de vijf kon die kerels verstaan. Gelukkig dat we
nog aanspraak aan elkander hadden en, dat Marten vergat, dat ik te
Rotterdam met zulke gemeene jongens kennis had gemaakt. Het liefst
sprak hij met mij over zijn' Vader en zijne Moeder, en ook ik hoorde
er graag over spreken; want als Marten van zijne Ouders vertelde,
dan vertelde ik van de mijne, en als hij 't over Den Briel had, dan
had ik het ook daarover. Wij aten uit één bak; wij dronken uit één
kroes; wij sliepen in één vuil hok; wij kregen slagen met dezelfde
zweep! Wij waren de beste vrienden; wij waren beide gevangenman en
nu ... nu kent hij mij amper en hij is Luitenant-Ammiraal en ik ben
matroos! Jonge Kees, jongen, spiegel je aan mij! Maar de zon is onder;
ik ga ter kooi! Morgen de rest! Wel te rusten!"--