DE RUÏNE VAN ALLERHEILIGEN.

Niet ver van het dorp Ottenhöfen, midden in een der schoonste

berglandschappen van het schilderachtige Schwarzwald, verheffen

zich, op eene romantische, eenzame plek, de ruïnen van de weleer

zoo beroemde abdij van Allerheiligen. Een heerlijke weg, door

prachtige, indrukwekkende bosschen, waar eeuwenheugende, koninklijke

beukenstammen, fier en krachtig, als de zuilen van een gothischen

dom, ten hemel rijzen; waar ge, beurtelings rijzende en dalende,

voortwandelt in de koele schaduw dier breede forsche takken, die met

hun dicht gebladerte als eene groene tente boven uw hoofd uitspannen,

en u bijwijlen geheel omhullen met de geheimzinnige schaduwen van

het ongeschonden woud;--zulk een onvergetelijke weg voert u naar de

oude abdij.

Hoe heerlijk ligt het daar, het nu verlaten heiligdom, in de

frissche groene bergvallei, twee duizend voeten boven de zee,

omringd door statige berghellingen, door prachtige rotsen, door een

breeden gordel van eeuwenheugende wouden; terwijl in de nabijheid

de kristallen bergstroom murmelt en ruischt en zijn melodisch lied

zingt. Voorwaar, de mannen, die zich hier eene woonstede kozen, zij

hadden een geopend hart om de poëzie der natuur te verstaan en te

gevoelen. Hoe stil en vredig is het hier, ver, ver van de onrustige

wereld met haar luidruchtig, haar bedwelmend, haar verdoovend, hart

en gemoed zoo vaak verstompend gewoel en gerucht. Hier ademt kalmte,

heilige vredige kalmte, u tegen; hier zijt ge alleen, alleen met u

zelf, alleen met God, wiens stemme bijna hoorbaar om u ruischt. O, hoe

menig gewond, verstooten, onrustig, boetvaardig hart mag hier, in deze

ernstige eenzaamheid der ongerepte natuur, in de plechtige stilte dier

gewijde muren, rust en verademing gevonden hebben: rust en verademing,

overal elders vergeefs gezocht. Hoe menige zwerveling op de hobbelige,

moeilijke levensbaan mag hier eindelijk, zorgens en zwervens en

strijdens moe, zijn neergezonken, met die ééne bede op de lippen, uit

het verbrijzelde, afgetobde hart opgeweld: vrede! vrede!--een vrede,

lang vergeefs nagejaagd, in het eind gevonden. Konden ze spreken,

die kloostermuren, konden ze verhalen van wat ze gezien en gehoord

hebben: hoe menige roerende, hartaangrijpende geschiedenis zou daar

worden onthuld, allen toch slechts episoden in het groote onsterfelijke

drama van het lijdende, worstelende, hopende menschenhart.

Eene niet onaardige legende hecht zich aan de stichting dezer abdij. De

hertogin Uta van Schauenburg, de dochter van den rijken paltsgraaf

Gottfried van Calw en de schoone Luitgarde van Zähringen, wenschte een

klooster te bouwen voor de monniken der orde van den heiligen Norbert;

maar hoe lang zij ook peinsde en met wien zij ook raadpleegde, zij kon

het met zich zelf niet eens worden over de plaats, waar het godshuis

verrijzen zou. Eindelijk besloot zij, de keuze dier plaats aan hooger

macht over te laten. Zij liet eenige met geld gevulde zakken op een

ezel laden, en beval dat men het dier geheel vrij zijn eigen weg zou

laten gaan; waar hij stilhield, zou het klooster worden gebouwd. De

ezel vertrok van den Schauenburg, het kasteel der hertogin, gevolgd

door eenige bedienden; hij dwaalde nu in de eene vallei, dan in de

andere, en had eindelijk den top van den Sohlberg bereikt. Daar,

van de lange wandeling vermoeid en door dorst gekweld, sloeg het

dier met zijnen poot op den grond: en oogenblikkelijk borrelde eene

frissche, kristalheldere bron uit den rotsigen bodem op. Na zich

verfrischt te hebben, vervolgde de ezel zijn weg, tot in eene hooge,

van alle kanten door bergen ingesloten vallei. Daar wierp hij zijn

vracht op den grond, en wentelde zich in het dichte, frissche,

geurige gras.--In deze hooge, nog schaars door menschen betreden

vallei verrezen nu weldra de gewijde kloostergebouwen, en beurde de

kleine kerk hare slanke spits omhoog. De bouw, in 1192 aangevangen,

was reeds twee jaren later geheel voltooid. Groot was het heilige

huis aanvankelijk niet: het werd slechts bewoond door een prior en zes

monniken van de orde der Premonstratensers. Maar door de milde gaven

der geloovigen, won en wies het weldra in omvang en beteekenis, in

rijkdom en aanzien; mettertijd werd het een der rijkste kloosters van

geheel Zwabenland. Van de wereld afgezonderd, gedurende de helft van

het jaar schier ontoegankelijk voor de bewoners der valleien, wisten

de monniken zich toch bezig te houden en nuttig werkzaam te zijn. Ook

dit klooster was, als zoo talloos vele anderen, een brandpunt van

beschaving en ontwikkeling voor geheel de omliggende streek, vanwaar

licht en leven en frissche opwekking naar alle zijden uitgingen,

en waar de kostbare overblijfselen der aloude beschaving, kunst en

wetenschap met godsdienstige eerbied werden bewaard. De abdij bezat

niet alleen eene kostbare bibliotheek, maar ook eene beroemde school,

waarop doorgaans ruim vijftig jongelieden hunne opleiding ontvingen.

Het ruwe bergklimaat beviel echter maar half aan sommige priors, die

het niet zeer aangenaam vonden, omstreeks twee duizend voet boven de

zee te wonen, en zes maanden lang weinig anders te zien dan besneeuwde

bergtoppen en naakte wouden. Een dezer weeke kluizenaars, die zelf

bijna altijd in het klooster te Lauterbach, in het zachte zwoele

Renchthal, woonde, wilde ook den zetel der broederschap derwaarts

overbrengen. Maar de monniken kwamen daartegen in verzet: op eene

vergadering van het kapittel, ten jare 1484 gehouden, werd bepaald

dat de prior voortaan niet meer te Lauterbach zou mogen wonen, tenzij

dan slechts voor korten tijd, omdat een langer verblijf lichtelijk

oorzaak zou kunnen worden "dat de heilige plaats, waar de beenderen

der stichteres en der weldoeners van het klooster begraven waren, zou

worden verlaten: hetgeen de algemeene verontwaardiging zou opwekken,

en den ondergang van het vrome gesticht na zich slepen."

Nog zouden er ruim drie eeuwen verloopen, eer de ure van den ondergang

voor de eerwaardige abdij sloeg. In het begin dezer eeuw werden

ook in Baden, als elders, ten gevolge der fransche omwenteling,

de kerkelijke goederen door den staat verbeurd verklaard,--om

aan den onverschoonlijken diefstal een glimp te geven, werd dit,

met een uitheemsch woord, secularisatie genoemd;--en de geestelijke

gestichten opgeheven. De laatste abt van Allerheiligen, Willem Fischer,

vestigde zich te Lauterbach, en stierf in 1824 te Oberkirch, zijne

geboortestad. Hij had zijn klooster vele jaren overleefd. Op den

6den Juni van het jaar 1803, het jaar volgende op dat der opheffing

van de abdij, pakten zich donkere onweerswolken samen boven de enge

vallei, waar zich, eenzaam en zwijgend nu, het verlaten gesticht

verhief. Knetterend rolde de donder, door de echo's der bergen

weerkaatst; de rosse bliksem schoot door de zwarte lucht en trof

het heiligdom: weldra gingen van alle kanten de wilde vlammen op,

en door geen menschenhand gestuit, woedden zij voort in hare vratige

drift: binnen weinige uren lag de eerwaardige abdij in puin. Bijna

niets bleef er over, dan enkele muurbrokken, bogen en zuilen, met de

bouwvallen van een paar torens. Het minst geteisterde gedeelte werd

later hersteld en tot boschwachters woning ingericht. Deze woning is

tegenwoordig een uitnemend logement, waar ge, midden in eene wildernis,

alle gemakken en weelden der beschaving vindt.

De aanblik der kloosterruïne is indrukwekkend schoon, hoewel de

gebouwen zelf, uit het oogpunt der kunst, geene bijzondere waarde

hebben. De oude kloosterkerk werd in 1470 door brand vernield; de

latere, waarvan ge hier de ruïnen ziet, dagteekent uit een tijd,

toen de eigenlijke bloei der gothische architectuur reeds voorbij

was. Maar deze muren, deze torens, spitsen, bogen en gewelven, die u,

indien ze nog ongeschonden waren, waarschijnlijk tamelijk onverschillig

zouden laten, ze trekken u nu aan met onweerstaanbare macht: want

hunner is de weemoedige bekoorlijkheid van het wegkwijnend verval,

de onuitsprekelijke poëzie der ruïnen. Door de gaten en scheuren,

door de gapende wanden, ziet ge overal den stralenden hemel en de

donkere bosschen; gouden, rooskleurige wolken trekken langs de ledige

vensternissen, als zwevende engelengestalten in lichtgewaad. Om de

grauwe, geblakerde muren weven zich bloemfestoenen en slingerplanten;

op een nog half overgebleven toren van het portaal verheffen zich

eenige dwergachtige pijn- en berkeboomen, wier schraal gebladerte,

door den avondwind bewogen, als een droevig klaaggezang hooren

laat. Rondom in het gras liggen hier en daar grafsteenen verstrooid,

waarvan de opschriften meerendeels zijn uitgewischt. Van enkelen kunt

ge nog de namen lezen, onbekende namen van abten en priors en monniken:

maar wie zal zeggen, welke geschiedenis achter ieder dezer namen ligt?

In de groote zaal van het logement hangt eene met de pen geteekende

afbeelding van de abdij, zooals zij zich ten tijde van haren bloei

vertoonde. Zij besloeg toen eene aanzienlijke oppervlakte, en bestond

uit een aantal groote en kleine gebouwen. Behalve de kerk, was er een

kloosterhof met weide; een kapittelhuis; eene woning voor den abt;

een collegie voor de scholieren; een ziekenzaal; werkplaatsen, waar

allerlei zaken en voorwerpen van huiselijk gebruik vervaardigd werden:

een slachthuis, een houtzolder, stallen, een zaagmolen en eene herberg

of vreemdelingenhuis voor de bezoekers of de vermoeide reizigers,

die in het gastvrije gesticht wenschten te overnachten. In één woord,

ook deze abdij was, als zoo menige andere, eene stad in het klein,

eene wereld op zich zelf; de monniken konden hare poorten sluiten

en in al hunne behoeften voorzien, zonder iemands hulp van buiten te

behoeven. De woning van den abt lag eenigszins afgezonderd tegenover

de saamgesloten groep der andere gebouwen; zij was omringd door een

kleinen tuin, met een hekje afgesloten, waarvan de overblijfselen nog

zichtbaar zijn. Achter de werkplaatsen bevond zich de groote bloem- en

moestuin, waarnaar men langs een breede trap afdaalde; aan den oever

der beek, de Grindenbach, die hier een kleinen waterval vormt, staat

een eenvoudige koepel. Welk een plekje om te mijmeren en te droomen!

Ik keerde terug van eene wandeling naar de watervallen van

Allerheiligen, wellicht de schoonste van het Schwarzwald, in de

onmiddellijke nabijheid der abdij. Met langzame, onwillige schreden

volgde ik, in gepeins verloren, mij ganschelijk overgevende aan den

indruk der ernstige, verhevene, wonderschoone natuur om mij heen,

het slingerend pad door de statige, zwijgende bosschen, thans in de

diepe schaduwen van den avond gehuld, en als huiverende van heiligen

eerbied. In droomen verzonken wandelde ik voort: uit het geheimzinnige

woud en van de hooge bergtoppen, nog schemerende in het wegstervende

zonnelicht, fluisterden mij stemmen toe, ruischten verhalen en heilige

wondervolle woorden en tonen en klanken, waaraan ik vergeefs zou pogen

naam en uitdrukking te geven. Daar rees de maan boven de omringende

bergen, en wierp hare wemelende stralen tusschen de slanke stammen

der dennen, door het geheimzinnige tooverachtig verlichte woud. Een

fantastische tooverwereld omringde mij; ik wandelde voort, bijna zonder

te weten waar ik was: daar opende zich plotseling de hooge vallei;

daar straalden de lichten in het logement; maar daarnevens verhief

zich, in het bleeke, matte schijnsel der maan, de weemoedige ruïne der

aloude abdij, eenzaam, zwijgend, als met een bovenaardschen nimbus

omvloeid: schoon, schoon, schoon boven alle beschrijving. Getroffen

stond ik stil; allerlei gedachten overstelpten mij; eene bonte reeks

van beelden trok langs mij heen, opdoemende uit het wemelend verleden;

en terwijl mijne oogen dien grijzen bouwval met verrukking aanstaarden,

en de herinneringen aan het roemrijk verleden van dit godgeheiligd

gesticht mij toefluisterden uit de plechtige stilte, herhaalde ik de

woorden van onzen dichter:

En nu, het is voorbij! Zij, die hier vreugd genoten,

En zij, wier tranen hier, als 't murmlend beekjen vloten,

Welk reisgewaad hun de aarde gaf--

Hun voet heeft hier het pad ten einde toe betreden;

Hun lot is lang beslist, hun doodstrijd lang gestreden,

En 't avondrood beschijnt hun graf.

Maar Hij die 't al regeert, en bergen, rotsen, dalen,

De schitterende avondster, die ik omhoog zie pralen,

Schiep in zijn grenzenlooze macht--

Hij, Hij verandert niet; en eeuwig is de woning

Die, in het vast paleis van aller heemlen Koning,

De ziele die gelooft, verwacht.

Relikwieën uit onzen Heldentijd De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 6 / 7 题