Den 5den Juni 1594 lichtte de kleine vloot het anker en verliet
de reede van Texel, om den tocht naar de onbekende poolzeeën te
ondernemen. Met de Statenschepen ging Linschoten, als commies van
Holland, mede: dezelfde Jan Huygen Linschoten, die, als zeventienjarige
knaap, gedreven door zijne begeerte om vreemde landen te zien, de
ouderlijke woning verlaten, en vervolgens twaalf jaren lang door
Indië omgezworven had; hij, die den rijken schat zijner waarnemingen
en opmerkingen, ten nutte zijner landgenooten, zou nederleggen in een
boek, dat misschien meer dan iets anders heeft medegewerkt, om den weg
naar Indië voor de Hollanders te openen. De leiding der amsterdamsche
schepen was toevertrouwd aan Willem Barentsz, stuurman en burger
van Amsterdam: een dier mannen, die als de typen mogen gelden onzer
kloeke burgerij uit de zestiende eeuw: nederig, eenvoudig, werkzaam,
onverschrokken, rustig op het doel afgaande, vol vertrouwen op de
goede uitkomst der zaak, waaraan zij hun leven hadden gewijd; met
innige vroomheid in het hart, met een helder hoofd, en de hand steeds
gereed om met alle macht het werk te doen, dat te verrichten viel.
Linschoten en Barentsz zouden niet denzelfden weg volgen. Naar de
aanwijzing van den enkhuizer pensionaris Maelson, zou Linschoten de
zeeëngte tusschen Nova-Zembla en de noordelijke kusten van Moscovië
doorvaren; Barentsz daarentegen zou, overeenkomstig de meening van den
amsterdamschen predikant Plancius, benoorden Nova-Zembla omzeilen:
daar, nabij de pool, moest zich, volgens Plancius, eene open zee
bevinden. Langs den eenen of den anderen weg moest de doortocht
gevonden worden.
De beide eskaders scheidden weldra van elkander, en gingen ieder
zijns weegs. Linschoten voer de zeeëngte door, waaraan hij den naam
van straat van Nassau gaf, maar die nu algemeen onder den naam
van straat Waigatz bekend is. Een eind weegs voorbij die straat,
moest de tocht worden gestaakt: want de zee, die zich onafzienbaar
ver voor hunne blikken uitstrekte, was door wilde stormen beroerd
en met drijfijs bedekt; het jaargetijde was reeds ver gevorderd;
de terugkeer mocht niet langer uitgesteld. Maar wat nood: was men
niet boven verwachting geslaagd? Die ruime, onafzienbare, open zee,
de zee van Tartarijen, zooals Linschoten haar noemde, reikte zij
niet, zooals hij in geestdrift uitriep, "naar de uiterste en rijkste
palen van Azië en de verre eilanden van den Oceaan?" De weg was
gevonden:--men had dien slechts te volgen.
Minder gelukkig was Barentsz geweest: hij was met zijn schip
doorgedrongen tot den zeven-en-zeventigsten graad noorderbreedte,
tot aan gene zijde van Nova-Zembla, waar zeker, vóór hem, nog nimmer
een schip, uit de havens van het christelijk Europa uitgegaan,
het anker had geworpen. Hij had die onbekende kusten en eilanden
opgenomen en in kaart gebracht, en ze gedoopt met de zoete namen,
die aan het vaderland herinnerden. Maar ook hij had, door storm en
ijsgang gedwongen, den verderen tocht moeten staken, zonder de open
zee te hebben gevonden, waarvan Plancius had gewaagd.
De beide eskaders ontmoetten elkander weder op hunne terugreis, en
liepen den 16den September de haven van Amsterdam binnen. Groot was de
vreugde over de goede tijdingen, die zij medebrachten. Mocht ook de
bedachtzame Barentsz de verkregen uitkomst niet zoo hoog aanslaan,
en het groote vraagstuk nog niet volkomen opgelost rekenen: de
geestdriftvolle verwachting, de welhaast tot zekerheid geworden hoop
van Linschoten zegevierde over alle bedenkingen, en vervulde allen
met dezelfde gewisheid die hem bezielde. Aan den uitslag viel niet
meer te twijfelen. Het kwam er nu slechts op aan, in het volgend jaar,
op grooter schaal, den tocht te hervatten, zoo vroeg mogelijk uit te
zeilen, en dan, langs den gevonden weg, de havens van China en Cathay
te bereiken. De Landsregeering, door de schitterende voorspellingen
van Linschoten medegesleept, rustte zeven schepen uit, waaronder een
jacht, dat zoodra de vloot kaap Tabis was omgevaren en de open zee,
die naar het zuiden voerde, had bereikt, deze gelukkige tijding naar
het vaderland moest overbrengen. De schepen kregen dubbele bemanning,
en namen voor achttien maanden leeftocht mede; ook werden een aantal
koopwaren aan boord der vaartuigen geborgen, om daarmede op de markten
van China en Cathay handel te drijven. Linschoten zou, als eerste
commies, den tocht mede maken; Willem Barentsz was opperstuurman over
het geheele eskader; en Jacob Heemskerck bekleedde de gewichtige
betrekking van schipper en supercargo op een der schepen. Met de
grootste zorg, met de uiterste nauwkeurigheid, werden alle maatregelen
beraamd, alles tot in de kleinste bijzonderheden geregeld en geschikt;
zoo zelfs, dat de zomer reeds meer dan half verloopen was, eer de
vloot in zee stak.
Wat wenschen en gebeden, wat blijde verwachtingen vergezelden haar,
toen zij den steven noordwaarts wendde, om, het spoor van Linschoten
volgende, door de straat Waigatz naar de open zee te varen, die tot
"de uiterste en rijkste palen van Azië en de verre eilanden van den
Oceaan" reikte. Met welke slinger ringen van hoop en vrees werd de
terugkomst van het jacht verbeid, dat de blijde heilmare der groote
ontdekking naar het wachtende vaderland moest overbrengen. En hoe ruw
werd aan alle die verwachtingen, aan alle die uitzichten de bodem
ingeslagen, toen, op den 15den November 1595, vier maanden na haar
vertrek, de vloot onverrichter zake terugkeerde en aan Tessels reede
het anker uitwierp.
Deze uitkomst was toch wel te voorzien geweest. Nauwelijks waren de
schepen in de poolzeeën aangekomen, of de geweldige stormen en de
ontzaglijke, saamgepakte ijsmassa's van den daar reeds in volle kracht
heerschenden winter, maakten de voortzetting der reis onmogelijk. Men
had met allerlei tegenspoeden te worstelen gehad: met tegenwind, met
felle koude, met ziekten, met verdeeldheid tusschen de schippers en
bootsgezellen onderling. De met zooveel ophef aangekondigde, met zoo
ruime weelderigheid uitgeruste, met zoo schitterende verwachtingen
aangevangen expeditie was jammerlijk mislukt; zelfs wat men ten
vorigen jare meende gewonnen te hebben, was nu weder verloren; het
vinden van den doortocht onzekerder dan ooit.
Het was eene bittere, grievende teleurstelling. De regeering, thans
overtuigd dat zij zich door al te lichtvaardige voorspiegelingen
had laten vervoeren, trok zich terug, en wilde voortaan geene nieuwe
poging wagen. Echter verklaarde zij zich bereid, eene belooning van
vijf-en-twintigduizend pond te schenken aan hem, die het eerst om
het noorden heen, China zou bereiken.
Wat de regeering des lands niet meer meende te mogen doen, wilde
Amsterdam nog eenmaal beproeven. De levensvolle, in macht en bloei
snel wassende koopstad wilde ten derdenmale de kans wagen, om de
ijzeren poorten van het noorden te breken, en dwars door de poolzeeën
heen, den weg naar het Oosten te openen, waar zoo rijke schatten
haar wachtten. De vloot onder Linschoten had vergeefs gepoogd
zich door de straat Waigatz heen te worstelen: nu nog eenmaal de
proef genomen met dien anderen weg, door haar geleerden predikant
Plancius gewezen, dien weg benoorden Nova-Zembla om. 't Is waar,
in 1594 had Barentsz vergeefs beproefd, zich daar een pad door het
ijs te openen: maar deze ééne mislukking bewees de onmogelijkheid
nog niet. Was zij wellicht niet te wijten aan het reeds te ver
gevorderde jaargetijde? Had men zich misschien niet te dicht bij de
kust van Nova-Zembla gehouden? Plancius en Barentsz zelf bleven nog
altijd vast gelooven aan het bestaan der open poolzee, en dus aan
de mogelijkheid om den doortocht te vinden. Betaamde het dan niet
der regeering van het krachtig opluikende en vroolijk voorwaarts
strevende Amsterdam, om, waar zoo groote uitkomst te bereiken viel,
voor geene zwarigheden terug te deinzen, en nog eenmaal de stoute
poging te wagen, die wellicht ditmaal gelukken zou?
Zij rustte dan nogmaals twee schepen uit, waarmede de gevaarvolle tocht
zou worden ondernomen. De bemanning bestond geheel uit vrijwilligers,
die zich zelven hadden aangeboden: de ongehuwden hadden de voorkeur,
omdat, naar men oordeelde, minder sterke banden hen aan het vaderland
en eigen woning hechtten. Jacob Heemskerck was schipper en commies
op het eene schip, waarop Barentsz opperstuurman was; Jan Cornelisz
Rijp was met het gezag op het andere schip bekleed. Den 10den Mei
1596 verlieten de beide schepen de haven van Amsterdam, en begon die
derde "zeylagie", die in vermaardheid de beide vorigen ver achter
zich zou laten, en waarvan het verhaal eene der aangrijpendste en,
in meer dan één opzicht, eene der hartverheffendste bladzijden
in onze vaderlandsche geschiedenis zou beslaan. Eene bladzijde,
die getuigt van martelend lijden, met onbezweken moed gedragen; van
schrikkelijke doodsgevaren, met onverschrokken kalmte getrotseerd;
van trouwe plichtsvervulling, die van weifelen noch flauwen wist;
van zelfvergeten en toewijding, tegen elke proef bestand. En dat
alles niet voor een enkel oogenblik, niet in de bedwelmende opwinding
van het woelige slagveld, niet ten aanschouwe van eene juichende
schare:--neen, maar weken en maanden lang volgehouden, in kwellende
en uitputtende eenvormigheid; maar met nuchtere somberheid en zonder
een zweem van dichterlijke betoovering; maar alleen, ongezien en
onbekend, in een vergeten hoek der wereld, in sneeuw en ijs begraven,
te midden van eene ongenaakbare wildernis. Aan wie de hoogste lauwer:
aan de moedige krijgers, die, bij het schetteren der trompetten en
het donderen van het geschut, in vervoerende geestdrift ontvlamd,
hun geliefden veldheer volgend, zich op 's vijands drommen werpen,
en met onwederstaanbare vaart de overmacht voor zich doen wijken, om
straks als overwinnaars te keeren; of aan die onverschrokken mannen,
die, met zoo uiterst gebrekkige wapenen, maanden achtereen, dag aan
dag, altijd op nieuw denzelfden kamp moesten voeren op leven en dood,
den kamp tegen de ondenkbare verschrikkingen van een winter aan de
pool; en die dat doen met zoo blijmoedige eenvoudigheid, met zoo
volkomen gemis van allen ophef, als gold het de meest gewone zaak
der wereld? Aan wie de hoogste lauwer? Wij beslissen niet: maar dit
weten we wel, dat wij hem beklagen, wiens hart niet sneller klopt,
wiens oog niet tintelt, wiens geest zich niet verkwikt en verheft
bij het lezen van het onopgesmukte, naïef-eenvoudige, bijkans zouden
wij zeggen platte, verhaal van hun lijden en strijden; hem, wien de
zin ontbreekt voor de waarachtige poëzie, in dat nuchtere dagverhaal
verborgen, meer dan in zoo menig hoogdravend gedicht.
Wij zullen de twee schepen niet op hunne vaart vergezellen. Een
nauwkeurige beschrijving dier vaart, op zich zelf reeds niet altijd
gemakkelijk, is, zonder uitvoerige kaart der kusten en zeeën, die
zij bezochten, onverstaanbaar. En zelfs met zoodanige kaart voor
zich, levert het volgen van den weg, zoo als die in het verhaal van
Gerrit de Veer wordt omschreven, eigenaardige moeilijkheden op,
omdat de oude hollandsche namen, waarmede hij kapen en inhammen,
zeeëngten en eilanden, aanwijst, allen verdwenen en door anderen
vervangen zijn. Maar zulk eene uitvoerige beschrijving der reis
is voor ons doel ook niet noodig: het is ons voldoende te weten,
dat onze onverschrokken zeevaarders, na den 9den Juni, op 74° 30'
noorderbreedte, het Beren-eiland, thans Cherry-eiland, en eenige dagen
later Spitsbergen, dat zij aanvankelijk meenden Groenland te zijn,
ontdekt te hebben, omstreeks de helft van Juli, op de hoogte van
Nova-Zembla kwamen. Doch toen waren de beide schepen reeds niet meer
bij elkander. Tusschen Rijp en Heemskerck was verschil van gevoelen
ontstaan over de richting, die men te volgen had: zij konden het
niet eens worden, en gingen toen ieder zijns weegs. Rijp nam reeds
spoedig daarop de terugreis naar het vaderland aan; maar Heemskerck en
Barentsz. worstelden verder en verder, steeds pogende, als met geweld,
den geheimzinnigen doortocht te openen, die eene bovenmenschelijke
macht scheen gesloten te houden. Bange dagen volgden; dagen van
wanhopigen strijd tegen den van alle kanten op hen aandringenden
vijand, het ijs. In waarheid, het was een geweldige kamp, als van man
tegen man, een kamp op leven en dood. Nu eens tusschen de reusachtige
ijsschotsen vastgekneld, en krakend en knarsend opgetild, tot zij
bijkans met haar spiegel hoog in de lucht, recht overeind stond; straks
weder door de aandrijvende massa's terug, altijd terug geduwd, tot er
nauwelijks, te midden der met dof gedonder voortschuivende gevaarten,
eene enge wijkplaats overbleef; dan een oogenblik adem scheppende,
als het water om haar heen wat ruimer werd, om bijkans onmiddellijk
daarop alle uitzicht, het naaste verschiet, te zien verzwolgen door
den snerpenden sneeuwstorm, die de dwarrelende vlokken in dichte wolken
voor zich uitjoeg;--zoo zwoegde en kampte en worstelde de broze kiel,
in nevel en ijs verloren, dagen en nachten achtereen, als ware zij zelf
met leven en bewustheid begaafd. Doch, helaas, de ongelijke strijd,
hoewel met onbezweken heldenmoed volgehouden, moest eindelijk worden
opgegeven. Aan het vinden van den doortocht was niet meer te denken;
het eenige, wat nu nog overbleef, was zoo spoedig mogelijk naar het
vaderland terug te keeren. Maar de geweldige, verraderlijke vijand
liet de prooi niet los, die hij eenmaal gegrepen had. Al nauwer en
nauwer trok hij zijne noodlottige kringen om het onwillig wijkende,
nog altijd kampende schip; al dichter en dichter schoven de ijsmassa's
opeen; met onverpoosd geweld gierde de bulderende storm, de schotsen
voor zich uit drijvende en de grauwe lucht met verblindende wolken van
sneeuw vervullende; de hoog opgekruide schotsen en ijsbergen kraakten
en spleten met donderend geloei van elkander; het schip dreigde ieder
oogenblik te splijten en in den afgrond te zinken...
"Het was soo schrikkelyck om te hooren ende te sien," zegt Gerrit
de Veer, "dat iemant de hairen te bergen stonden van dit afgryselyck
schouwspel."--
Deze doodstrijd duurde kort. Op den 1sten September zat het schip
voorgoed vastgevroren; het ijs was even onbewegelijk als het
vaste land; het vaartuig zou dat jaar niet meer vlot worden. De
vreeselijke waarheid, die men zich zoolang had gepoogd te ontveinzen,
stond dan nu onloochenbaar voor ieders oogen: de kleine schare der
schipbreukelingen moest hier, in eene onbekende haven der poolzee,
den winter doorbrengen. Wat dit inhad, konden zij zich bezwaarlijk
voorstellen, ook al waren de verschrikkingen dezer onherbergzame
streek hun sinds lang niet onbekend. Maar "zij gaven 't Godt op, en
verwachtten hulpe van Hem." Met zwijgende, doch verre van lijdelijke
onderwerping, togen zij dadelijk aan den arbeid, om zich een huis te
bouwen, "om te beter voor de coude ende wilde beesten beschermd te
blyven." Gelukkig vonden zij op de kust eene groote menigte drijfhout,
door den storm herwaarts aangevoerd; wat ontbrak moest het schip
leveren. Zes weken lang duurde de arbeid, eer de nederige woning
voltooid was: op den 25sten October sliep de geheele bemanning voor
het eerst in het huis. Doch een hunner, de timmerman, sliep toen reeds
sedert meer dan een maand in eene sleuf van het ijs, waar zij het lijk
hadden nedergelegd, omdat het onmogelijk was, in den metaalharden
grond een graf voor den gestorven makker te delven. Nu de woning
voltooid was, werd het schip grootendeels ontladen, de proviand in
het huis gehaald, en het uurwerk gesteld, dat nog voor een poos de
trage vlucht des tijds zou aanwijzen, tot het eindelijk ook stil zou
staan onder de verstijvende aanraking van de kille hand des winters,
die nu met al zijne verschrikkingen en ijselijkheden naderde.
Want de vreeselijke poolnacht stond voor de deur. Al meer en meer slonk
de zonneschijf, al kleiner en kleiner werd de boog, dien zij aan den
hemel beschreef; eindelijk, op den 3den November, zagen zij niet meer
dan, voor een korte poos, den bovenrand der zon: toen ging zij onder,
om gedurende vele weken niet meer boven de kimmen te rijzen. Hand
over hand nam nu de koude toe; de kleederen der ballingen waren stijf
bevroren, hunne schoenen als metaal; zoodat zij verplicht waren, zich
van het hoofd tot de voeten in vossevellen te wikkelen. Niets was meer
veilig voor de felle beet van den nijdigen winter: de klok stond stil,
het bier verstijfde, de spaansche wijn bevroor en moest gesmolten
worden. Het vuur verwarmde hen niet, al zengde het hunne kleederen,
en al maakte de rook in de woning hen bijkans blind. Dagen en dagen
achtereen daalde er als een zondvloed van sneeuw uit de zwarte wolken;
het huis was tot aan den nok begraven; wilde men naar buiten gaan,
dan moest men door de schouwe uitklimmen, of zich, met ongeloofelijke
inspanning, een pad banen door de opgehoopte, vastgevroren sneeuw. En
den vermetele, die het waagde, de woning te verlaten, hem grijnsde
daar buiten de dood aan. Zoo schrikkelijk werd bijwijlen de koude,
"dat," schrijft de Veer, "wij malcanderen deerlyck aansaghen, vreesende
soo 't alsoo voortaen noch couder soude worden, dat wij van de coude
souden hebben moeten vergaen; want wat vier wij maecten, soo conden
wij ons effenwel niet verwarmen."--Om zich tegen dien vreeselijken
vijand eenigermate te beschermen, hadden zij, in den avond van den 7den
December, alle spleten en openingen in de woning en ook den schoorsteen
dicht gestopt, en een steenkolenvuur aangelegd. Na zich aldus te goed
te hebben gedaan, ging ieder in zijne kooi liggen, "welgemoet synde van
de vercreghen warmte, ende langen tyt met malcanderen pratende." Maar
allengs werden allen door eene zonderlinge duizeligheid en bedwelming
overvallen, en snakten zij naar lucht, zonder twijfel hadden allen
deze verkwikking met den dood moeten bekoopen, indien niet een
hunner de kracht en de tegenwoordigheid van geest had gehad, om de
deur open te stooten. De man stortte bedwelmd op de sneeuw neder;
maar de scherpe lucht, die binnendrong, redde zijn en aller leven.
Zoo kroop, onder bijkans duldeloos lijden, de maand December voorbij,
en begon het nieuwe jaar 1597, "met noch grooter peryckel, coude ende
ongemack." Sneeuwstormen en felle vorst maakten het uitgaan onmogelijk;
toch werd, naar oud-hollandsch gebruik, de Driekoningen-avond
feestelijk in de eenzame woning gevierd. Van den nog overgebleven
wijn werd eene karige hoeveelheid voor den dag gehaald; van meel,
eigenlijk bestemd om er kardoezen mede te pappen, werden koeken
gebakken, en ieder man kreeg een harde scheepsbeschuit, om die in
zijn pover rantsoen wijn te doopen. "Wy waren soo vrolyck," zegt de
Veer, "alsof wy t'huis een kostelycken maeltyt gehadt hadden." De
konstabel werd door het lot als koning aangewezen; en in blijmoedige
eenvoudigheid des harten vierden allen feest, zooveel mogelijk hunne
bittere ellende vergetende.
Drie dagen later kon men, door het schemerlicht, bemerken, dat "de zon
reeds in syn weeromkeeren was, nae ons toe, welcke gedachtenisse ons
niet weynich verheuchde." En inderdaad, den 24sten Januari zagen de
Veer en Heemskerck, aan het strand wandelende, de zon boven de kimmen
verschijnen. In blijde verrassing spoedden zij zich naar de woning,
om dit heugelijk nieuws mede te deelen: maar Barentsz, "als een
cloeck ervaren stuerman, wilde dat gheensints gelooven, als omtrent
veertien dagen noch voor den tyt synde." Twee mistige en stormachtige
dagen volgden en maakten nieuwe waarnemingen onmogelijk; maar op den
27sten Januari, bij heldere lucht, werd de zon duidelijk door allen
gezien. Wel kon niemand dit zonderling verschijnsel verklaren, en is
daar ook na dien tijd veel over getwist: maar toch schijnt het feit,
dat de Hollanders, op ruim 76° nooderbreedte, den 24sten Januari de zon
weder boven den horizon hebben gezien, bezwaarlijk te loochenen. Wij
zullen ons in deze kwestie niet verdiepen, maar, zooals de Veer zegt,
daarover "denghenen laten disputeren, die haer professie daervan doen."
De terugkeer der zon bracht evenwel geene verlichting in hun
lijden. Integendeel: de nijpende koude bleef met onverzwakte kracht
heerschen; de vossen, waarvan zij er zoovelen in de uitgezette vallen
gevangen hadden, verdwenen met den wijkenden poolnacht, om weder
plaats te maken voor hunne onverzoenlijke, geduchte vijanden, de
witte beren, met wie bijna dagelijks de kamp om het leven moest worden
gestreden. Traag, somber en akelig kropen de dagen voort; de voorraad
der levensmiddelen slonk; en nog was er geen uitzicht op vertrekken:
de haven was geheel gevuld met hoogopgestapelde ijsbergen. Eindelijk,
in de eerste dagen van Mei, toen er eenige opening in het ijs gekomen
was, begonnen de manschappen onder elkander te overleggen, om aan
Barentsz te vragen of "het niet meer dan tyt werd om van daer te komen;
maer elck ontsach sich, den schipper dat te kennen te geven."--Toen
zij zich, een paar dagen later, vermanden hem daarover te spreken,
antwoordde Barentsz, dat hij nog tot het einde der maand Mei wilde
wachten; maar dat zij intusschen de twee booten gereed mochten maken,
om daarmede, zoo er geen ander middel was, van het eiland te geraken.
Met zwijgende onderwerping togen de manschappen aan den arbeid, om, met
de uiterste inspanning van hunne uitgeputte krachten, de broze schuiten
te timmeren, waarop nu hunne gansche verwachting was gebouwd. Weken
gingen voorbij eer de booten zoover gereed waren, dat "de victualie
ende het ander goet uyttet huys kon worden gesleept." De schuiten
werden langs een in het ijs gegraven of in de sneeuw gedolven pad naar
het strand gesleept, en den 13den Juni in zee gelaten. Nu, "sich aen
Godts genade overgevende", verlieten de pelgrims het onherbergzame
strand, waar zij langer dan zes maanden hadden vertoefd. Er waren twee
zieken onder de bemanning: Barentsz zelf en zekere Claes Andriesz;
in iedere boot werd er een opgenomen.
Zoo begon, op den 14den Juni 1597, de "avontuerlycke ende gevaerlycke"
reis, waarbij men zich wederom door het ijs moest heenworstelen,
en in twee open booten de verschrikkingen trotseeren eener vaart
dwars door de poolzee. Nog eene laatste, smartelijke beproeving was
hun weggelegd. Op den 20sten Juni lag Willem Barentsz in de boot,
de kaart naziende, die de Veer van de ontdekte landen en zeeën had
gemaakt. Doodkrank en uitgeput, had de kloeke held nog niets van
zijne vrome blijmoedigheid verloren; nog altijd hoopte hij, met Gods
hulp, zijne taak te zullen volbrengen. Op zijne volgende reize, zoo
sprak hij, zou hij ten noordoosten van de Noordkaap omvaren, en aldus
beproeven den doortocht te vinden. Terwijl hij dus met hen sprak, kwam
de bootsman van het andere vaartuig bij hen aan boord, en bracht de
tijding dat Claes Andriesz het niet lang meer maken zou.--"Mij dunkt,
hernam Barentsz, dat het met mij ook niet lang meer duren zal." Na
eene korte pooze sprak hij tot de Veer: "Gerrit, geef mij wat te
drinken." Toen hij gedronken had, sloeg hij zijne oogen op de Veer:
eene stuiptrekking overviel hem, en plotseling blies hij den adem uit.
Geen wonder, dat zijn dood eene algemeene verslagenheid onder de
schepelingen teweegbracht. Barentsz was inderdaad de ziel, het denkende
hoofd de ware leider der gansche expeditie geweest; en deze nederige,
kloeke, vrome, trouwe man, met onwankelbare volharding op zijn post
blijvende tot het uiterste oogenblik, heeft het niet verdiend dat
zijn beeld in de schaduw is getreden voor dat van Heemskerck, wiens
heldhaftige dood misschien niet opweegt tegen de minder schitterende
toewijding en zelfverloochening van Barentsz.
Toch, hoe zwaar hen dit verlies van hun leidsman en gids, "op wien sy,
naest Godt, het meest betrouwden", ook treffen mocht, zetten zij den
tocht voort, tot zij eindelijk, ondanks alle bezwaren en moeilijkheden,
omstreeks half Augustus, de kust der Witte-zee bereikten. Hoe zij
aldaar, van russische schippers, bericht ontvingen omtrent Rijp;
hoe deze zelf straks tot hen kwam, hen van het noodige voorzag en
aan boord van zijn schip nam; hoe zij den 6den October te Amsterdam
aankwamen, en daar, in hunne opzienbarende kleederdracht van vossevel,
voor burgemeesteren werden geleid, om verslag van hunne reize te
doen:--dit alles is algemeen bekend.
De stoute onderneming had ten derden male gefaald, en werd nu niet
weder hervat. Reeds had eene hollandsche vloot, door amsterdamsche
kooplieden uitgerust, onder leiding van de gebroeders Houtman, den
bekenden weg om de kaap de Goede Hoop naar Indië ingeslagen, en was
in de Indische-zee verschenen. Weldra zou daar de eerste schakel
worden gelegd dier breede reeks van koloniën en nederzettingen,
waarmede de oud-nederlandsche republiek, in de dagen harer macht, de
wereld omspande, en waarvan de overblijfselen nog voor ons de levende
gedenkteekenen zijn van de groote daden onzer vaderen. Het belang van
den handel vorderde de gevaarlijke en onpraktische poolreizen niet
langer; en de tijd was nog niet gekomen, dat men zulke expedities
louter uit liefde tot de wetenschap zou ondernemen. Bovendien: men mag
het betwijfelen of dat motief voor onze vaderen wel krachtig genoeg
zou zijn geweest, om hen aan te sporen tot zoo volhardende pogingen,
als zij zich ten behoeve van hun handel hebben getroost.