De klokken van Ledegem luiden:
Lui Leegem
Luizebestier,
En hooveerdig!
Volgens Rond den Heerd IX, bl. 116 kleppen de klokken van Caneghem,
als er iemand gestorven is:
Bim! bam! bom!
't Moet al dood,
Klein en groot,
Arm en rijk,
Al gelijk.
De inwoners van Wieze bij Dendermonde worden door de naburige dorpen
voor gekken uitgescholden. Vandaar, dat deze het klokkengelui van
Wieze vertolken:
Wieze is zot,
Toebak dol.
9. Tot de rubriek van de Volksluim behooren natuurlijk ook de duizenden
uien, moppen of boertige verhalen, die bij het volk in omloop
zijn en dermate onmisbaar lijken in het hedendaagsche volksleven,
dat De Meyere zich afvraagt, of de moppenverteller van heden niet
de sprookjesverteller van vroeger zijn zou?--Een zeer eigenaardige
uiting van den volkshumor is ook de parodie, en hierover nog enkele
korte opmerkingen.
Van het diep-gevoelvolle Sterrelied, dat wij I, bl. 143 hebben
meegedeeld, bestaan parodieerende varianten als:
Herodes, de koning, kwam zelve veur:
zijn broek was gescheurd en zijn hemd stak er deur.
Zij kwamen al veur een bakkerij:
daar kochten ze éen koek en ze stalen er drij.
Zij liepen tot bij een herbergier:
daar dronken ze een pot en ze zaten bij 't vier.
Hoe het komt, dat deze varianten in het oude sterrelied werden
ingelascht, is op afdoende wijze door Boekenoogen in het Jubelnummer
van Volkskunde (1914), bl. 24 vlg. verklaard. Maar men wachte
zich, parodieën als deze te zwaar op te vatten en aldus verkeerd
te beoordeelen. Het is een feit, dat de parodie, met name in het
zuidelijk volksgebied, vooral geestelijke personen en zaken treft,
ja het heiligste niet schijnt te sparen. Maar inderdaad kunnen
de meeste dezer parodieën als vrij onschuldige scherts beschouwd
worden, die zelfs een zekere gemeenzaamheid en vertrouwelijkheid
met het geestelijke veronderstelt. De geparodiëerde gebeden, die
plaatselijk den naam dragen van _wilde gebeden_ en veelal in de
kinderwereld terecht gekomen zijn, vindt men uitvoerig behandeld in
De Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VIII, bl. 168 vlg. Een
andere groep vormen de pastoorspreeken, ook in het noordelijk gebied
niet onbekend; zie Volkskunde XX, bl. 73, 117, 178, 232; XXI, bl. 37,
80, 101, 150, 239. Een geliefd thema is dat van den pastoor, die op
den preekstoel zijn meid wil waarschuwen, dat zij den eendvogel niet
mag laten aanbranden. En zoo begint hij dan:
Marie tentum
Keert en wentum
Want de entum
Die verbrentum.
De dienstbode begrijpt de bedoeling en het onheil is afgewend. Maar
de aandachtige toehoorders waren van oordeel, dat de pastoor nog
nooit zoo veel en zoo mooi Latijn gesproken had.