6. Spotrijmpjes op standen en ambachten.

Bakker:

O jonges wat 'n pret!

Morgen wordt 't brood afgezet!

Twee centen in 't geheel,

O wat kijkt die bakker scheel!

De bakker van den hoek,

Die heeft vannacht geblazen,

De zemelen uit zijn broek,

Hij hangt ze voor de glazen,

Gelijk een peperkoek.

Apotheker:

Mijnheer den apotheker,

Ik ben het niet zeker,

Maar geef me voor twee cents en half

Platluizenzalf.

't Is niet voor mij,

't Is voor mijn kameraad,

Die aan de deur staat.

Boer:

Rotte patatten

Mee schelle' va' visch,

Dat eten de boeren

As 't kerremis is.

Kleermaker:

Kleeremaker,

Luizekraker,

Lapkesdief!

Ge heb gestolen van mijn gerief!

Koster:

Bimbambeieren!

De koster lust geen eieren,

Wat lust hij dan?

Spek in de pan,

Met een roggen boterham.

Paternoster,

Slaat den koster,

Slaat hem een bult,

Dat hij rond de kerk krult.

Lantaarnopsteker:

Ik kom aan,

Ik zet neer,

Ik kruip op,

Ik steek aan,

Ik ga neer,

Ik neem op,

Ik ga heen.

Jantje komt, Jantje komt,

Jantje de lanteernman!

Vroeg en laat

Op de straat,

Om te zien, hoe alles gaat.

Molenaar:

Mulder, mulder, korendief,

Groote zakken heeft-ie lief,

Kleine wil-ie niet malen,

De duvel zal hem halen!

Soldaat:

Soldaat

Kameraad,

In de Peperstraat!

En hij pakte zijn geweer,

En hij schoot ze omveer.

Wever:

Daar zat 'ne wever op zijn getouw,

Blauw van honger en grauw van kou,

Hij weefde al dit en hij weefde al dat,

En hij weefde 't hemdeken van zijn gat

Nederlandsche Volkskunde · 第 102 / 117 题