M. A. Eenige syn van gevoelen, dat in quaet weer de byen niet
veel moeten gevoert worden; sy geven als reden, dat de bye die te
sterk gevoert wordt, te veel vlyegt, en dan haer volck verspeeldt,
maer ick ben van contrarie gevoelen, dat de bye in quaet weer moet
gevoert worden. De reeden is, omdat de byen in quaet weer niet konnen
bydraegen om te wercken, en daerom wel moeten onderhouden worden. Laet
ons onderstellen (dat de byen sterk gevoert synde) meer vliegen, dan
syn sy ock sterker en vallen niet soo lygtelyk en ock niet soo veel,
als wanneer sy niet gevoert en magteloos syn. Verliest sy de een ofte
de ander, sy maekt soo veel te meer jonge byen; daerenboven leert de
ondervynding, dat, als de byen in quaet weer niet gevoert worden, dan
worden de motten meester en de broet bederft en in menigvuldigheydt,
door de aermoede, moet sy de broet uytwerpen. Maer heeft de bye nogh
honingh in het kaer, soo houde ick ock, dat gy de bye niet soo sterk
behoeft te voeren, ofte moet voeren.
Het tiende deel.
Van het korten in den lenten.