M. A. Dat heb ick door de ondervinding nogh niet geleerdt; maer men
siet dikwyls, dat hy uyt aermoede voortkomt, dit evenwel niet altydt,
want ick heb ondervonden, dat in byen die geenen aermoed, maer honigh
genoeg hadden, evenwel aen mot onderworpen waeren, soodat de aermoede
niet alleen de oorsaek van de mot is. Volgens myn gevoellen groeydt de
mot in de byen, uyt de natuer gelyck hy in veel ander saeken groeydt
waervan men geen reden kan geven, ofte waerschinlyk komt de mot van
kleene wiette vladders, die men motsytters noemt; dese vladders groeyen
van de motten, want als de byen de motten uyt haer nest verdryeven,
dan setten sy haer tusschen de randen van den korf en bedecken
haer. Uyt dese mot (als sy niet gedoot wordt) groeyt een vladder:
dese komen in de maend Junius en vertoonen sigh ontrent den avondt,
somtydts syn sy met de byen in den korf, somtydts syn sy buyten den
korf. Diese vladders soo veel het mogelyk is moet men dooden, ook
al eer sy een vladder syn. De korf moet gereynight en uytgeworpen
worden, omdat niet ongefondeert is dat dese vladders saet uytwerpen,
van hetwelck de mot groeyt. Want gelyk den syedeworm op rein papier
syn saet uytwerpt hetwelck, in den lenten in de son gesteld synde
jonge syedewormen voortbrengt, soo is het ock mit dese vladders,
die in den lenten motten voortbrengen.
Het derde deel.
Capittel I.
Van het huys der byen.
Bemerckt dat de byen twee huysen hebben, een in hetwelck sy woonen,
en dit noemt men het kaer ofte den korf; het ander dient tot decksel
van het eerste, en men noemt het den schop ofte de hut.