Van het mey maecken 119

Wat nu den schrijver aanspoorde zijne ervaringen te boek te zetten

verklaart hij ons in de voorrede tot den leezer.

Als een verder staaltje van 'smans wijze van opvatting, taal en

stijl geven we hier ietwat uit het 2de Capittel van het tweede Deel

waarbij de schrijver verklaart hoe dat in de jaren 1782 en 1783 zich

hier te land een vijand van de bijen vertoonde, tevoren onbekend en

genoemd Bijenwolf.

"Disciepel vraeght: Hebben de byen eenen wolf?

"Meester antwoordt: Anno 1782 en 1783 heeft sych vertoondt een

gedirte hetwelck geene mensch gedenckt van ooyt gesien te hebben,

maer uyt Duytslandt en Vranckryck hebben nieuwspapieren gemeldt dat

aldaer in de annales ofte jaerlyxe aentekeninghen gevonden wierdt,

dat omtrent voor hondert jaeren dit gedirt ook geregeerdt heeft en

veel schaede aen de byen veroorsaeckt hadde en het volgende jaer de

pest onder menschen gevolght was, voor welk quaet den goeden Godt

ons genaediglyk bewaert heeft.

"D. Vr. Waerom noemt gy dit gedirte eenen wolf?

"M. A. Dit gedirt wordt genoemd den wolf, omdat het mit geenen

anderen naem bekent is. Eventwel magh het mit recht den wolf der byen

genoemdt worden, want den natuerlijcke wolf en kan onder de schaepen

zoo grooten schaei niet verorsaecken als dit gedirt onder de byen".

Voor zoover bekend, is het "Bijenboeck" van den Kessellandschen

schrijver nooit ter perse gelegd of in druk verscheenen, doch of

zulks ter wille van geldelijke onkosten, of uit bescheidenheid of

bedeesdheid gebeurt is, blijft ook na lezing des boeks een raadsel. Een

groote verspreiding mogt evenwel dit werk onder de vakmannen genieten

en op vele dorpen zoo als Lottum, Horst, Venraij, Well, en zelfs

in het land van Kuijk worden nog verschillende exemplaren in copie

aangetroffen. De eene bijenman schreef het van den anderen af, waardoor

het werk van Hendrix niet verbeterde. Er verschenen exemplaren,

die van elkander zeer veel in spelling verschilden. Een der minst

verbroddelde afschriften en denkelijk met het oorspronkelijke het

meest overeenkomende hebben we hierbij benuttigd; het is Anno 1809

vervaardigd door "Gerardus Vaeghs woonaegtig op Stalberger Hoof [2]

in de Welder Loy". Het geeft ons des schrijvers geduld te kennen dat

hij wellicht gedurende vele winteravonden beoefend heeft.--Een ander

afschrift in meer moderne spelling loopt tot en met het 23ste deel

en werd voor de kleinste helft afgewerkt den 12 November 1812 door

Abraham Janssen uit Over-Loon.

Het afschrift van Vaeghs, hetwelk hier het licht ziet is een in folio,

op zwaar papier met duidelijke hand geschreven. Het exemplaar telt

negen en zestig bladzijden en heeft een grijs papier tot omslag;

de bladen hebben, door het veel gebruik dat daarvan gemaakt werd,

veel geleden; zij hebben wat de schooljongens noemen "ooren" aan de

punten en zijn vol vlekken.

Het oorspronkelijk handschrift van Petrus Hendrix hebben wij niet

kunnen ontdekken, zoo dat wij niet weten welke spelling hij gebruikt

heeft en volgens welke grammatica hij zijn boek heeft opgesteld. Wij

zijn dus genoodzaakt de schrijfwijs van Peter Vaeghs te volgen, die

zoo als wij zoo even zeiden, ons dunkt het meest met de schrijfwijs

van den auteur overeentestemmen.

Wat den titel aangaat van het boek hebben wij ons eenige vrijheid

veroorloofd die ons de lezer, naar wij hoopen, niet euvel zal

duiden. De titel door Hendrix gekozen en door ons hierboven vermeld,

scheen ons te lang en te omslachtig; de nieuwe titel "Geldersch

Bijenboek" drukt duidelijk uit wat de schrijver voor had, namelijk

het schrijven van een boek over de bijen voor de landlieden van den

kant der Maas-, Peel- en Niersstreek, en voor de naburige plaatsen

van het Overkwartier.

En nu een kort woordje over den schrijver zelven.

De eerwaarde heer Petrus Hendrix was geboren te Meerloo uit het

huwelijk van Michiel en Allegonda Wismans, en werd aldaar gedoopt

den 13 Augustus 1723. Bij den afloop zijner theologische studiën was

hij van 1747-1751 kapelaan te Blitterswijck en in die jaren eenigen

tijd deservitor der vacante pastorie aldaar. Ten jare 1751 werd hij

bevorderd tot de meer beduidende kapellanie van Lottum, waar hij

in het 47ste jaar zijner Priesterwijding en het 72ste zijns levens

overleed. Het sterfregister meldt het volgende:

In het jaar 1795 den 5 Maart stierf de eerwaarde heer Petrus Hendrix,

gedurende 44 jaren kapelaan en zielzorger dezer parochie, en werd in

de kerk begraven.

Eene bizonderheid van 's mans uiteinde is bekend gebleven. Als zijn

lijk op het praalbed volgens gewoonte met brandende waskaarsen omringd

was, viel door eenig toeval een der waslichten om, en hadden reeds

de ornamenten en lijkgewaden vuur gevat toen juist op tijd komende

bidders blussching aanbrachten.

Zoo hadde dus het product van 's meesters geliefde bijen, namelijk

de was, eene voorzeker niet gewenschte lijkverbranding kunnen doen

ontstaan!

Moge deze kleine bijdrage strekken tot nadere kennis van den

Limburgschen schrijver en tot verder naricht over het eertijds zoo

bloeiend bijengewin in ons Geldersch Overkwartier.

Well, den 4 April 1890.

Het Geldersch Byenboek of pratyk der byen, langs den kant der Maes, Peel en Niers, in het overkwartier van Gelderland · 第 33 / 191 题