De bijenteelt was oudtijds meer dan thans, ook in sommige gewesten
van ons Vaderland, een niet onbeduidende tak van nijverheid. In de
heidestreken van het tegenwoordige Limburg en Noord-Brabant trof men
vele bijenhouders aan, die zich eene noemenswaardige opbrengst wisten
te verschaffen uit de vlijt der kleine diertjes, door het verkoopen
van honig, het bezorgen en persen van was ter vervaardiging van
kaarsen en het distilleeren van een drank genaamd "meede". Insgelijks
werden geneesmiddelen, pleisters, confituren uit honig en was bereid;
en wie kent niet de beroemde wassen beelden, groot en klein?
Het beloofde land der Joden, na de slavernij in Egypte, was een gewest
overvloeijende van melk en honig en de zoetigheid des honigs wordt
door de gansche oudheid geroemd.
Geen wonder dat behalve de Grieken ook reeds de oude Romeinen het
bijengewin belangrijk genoeg vonden om hetzelve in prosa en dicht
te beschrijven. Virgilius in zijne Georgica, Plinius en Columella
verklaren ons op hunne manier den oorsprong en ontsluieren vele
geheimen van het naarstig bijenvolkje.
De volgende eeuwen leverden meerdere overzetters dezer Latijnsche
schrijvers van het akkerwezen "Rei rusticae scriptores" in
verschillende taal en stijl; allen echter bleven min of meer slaafsche
navolgers hunner meesters. Zelfs vader Vondel zond eene Nederduitsche
vertaling van Virgilius' Georgica de wereld in.
Meer vakkennis, grondiger onderzoek, dieper doordringen in de
natuurkundige wetenschappen, zelfbekwaming door praktijk, een meer
stelselmatige indeeling der insektensoorten kenschetsen de latere
schrijvers over de Bijen, hare natuur, werkzaamheden, en behandeling
in betrekking tot landbouw en koopwaarde.
In de 16de eeuw leefde in de Academiestad Leiden Dirk Outgers Cluijt
welke veel bijdroeg tot de bevordering der kruidkunde in Nederland. Ten
jare 1598 verscheen van hem een werkje "Van de Biën haeren wonderlycken
oorspronck enz." dat meerdere uitgaven beleefde. Theodorus Clutius,
zoo hij zich op zijn Latijnsch betitelde, verdeelde zijn geschrift
in 3 boeken: "I van de Biën inhoudende, van de nature, eygentschap
ende hare ordentlycke regeringe, die sy met haren coninck onder
malkanderen onderhouden; II van de regeeringhe der Biën, leerende
hoe men die op 't profytelyckste voeden ende regeren sal; III van den
Honich, tracterende wat nuttigheydt ende profyten dat men daer uyt can
cryghen, ende wat men daer van can maken". Deze boeken zijn wederom
in kapittels onderverdeeld en het geheele werk is gesteld in den vorm
van samenspraken, die besloten worden met de volgende ontboezeming
van zijn ondervrager: "Het is my gewest een genuchte om te hooren,
verstaen hebbende al, dese wonderlyke werken die God hier boven in
dese cleyne creaturkens geschapen heeft: En wel te recht mach David
in syn Psalmen seggen dat Godt wonderlyc is in Syn doen en werken,
en dat se ooc onbegrypelyc syn want men vint in dese creaturkens veel
ongelooflyck en ongehoorde dingen, noch langs so meerder, dan men
oyt te voren geweten heeft: wille daerom deur dese cleyn dierkens
bemerken Godts wonderwerken! Hem lovende en danckende dat hy ons so
veel na gelaten heeft, dat wy (alwaert dat wy willens blint wilde
syn) moeten bekennen dat hy al regeert en bewaert tot ons besten,
welcken sy gelooft, gepresen inder eeuwicheijt. Amen".
Het werkje van Cluijt is op een wetenschappelijken voet geschreven,
nogthans met bijbehoud der oude schrijvers.
In volgende tijden verschenen meerdere Hollandsche, Vlaamsche,
Fransche en Duitsche verhandelingen over de bijenteelt, waarvan men
eene beknopte opgave vindt in: Heckmeijer's Handboek over de Bijen,
Zwolle 1866 pag. IV.
Het voormalige land van Kessel onder het Geldersch Overkwartier
behoorende, bezat onmeetbare heidevelden zeer geëigend voor de
bijencultuur, die dan ook van oudsher een voorname tak van winst
vooral voor de Peellanders was. In de oude Gerichtsprotocollen en
andere stukken komen herhaalde gevallen voor, betrekking hebbende
op het standgeld der bijenkorven, opvangen van zwermen, verpachting
van den bijenstand, belasting op de "opsetters" enz. dat alles de
groote honig- en wasproductie aanduidt. Van de Maasstreken bragt men
in bepaalde jaargetijden de bijen naar de ruimere Peelheiden en zoo
behoorde in de vorige eeuw in de heerlijkheid ter Horst, de helft
dezer opbrengst tot de inkomsten der kerk. (Steffens, Geschied. der
aloude heerl. Horst, pag. 165 seq.). Te Venraij had de vicarie van Sint
Theunisaltaar een derde gedeelte van den bijenstand en het Schepenzegel
van dit dorp had, behalven de sleutels van Sint Pieter, een bijenkorf
in zijn wapenschild. (Zie Maasgouw 3de jaargang 1881 pag. 422 seq.).
De Eerwaarde heer Petrus Hendrix, kapelaan te Lottum, die gelijk
meerdere zijner Kessellandsche ambtsvoorgangers een nijvere bijenhouder
was, en jarenlang liefhebber en beoefenaar dier teelt is geweest,
heeft tot gemak van eigen bewerking en tot gerief van anderen, die
zich op deze kennis toeleggen, de vruchten zijner "ondervinding en
pratijk" zooals hij zegt, in schrift gebracht en te boek gesteld,
waaraan hij den 11 December 1786 de laatste hand legde en zoo dien
geestesarbeid voltooide.
De schrijver die eene groote opmerkingsgave bezat, heeft hoofdzakelijk
de bewoners van den Peel, Maas, Niers en hunne omstreken op het
oog, waarom hij dan ook vooral met plaatselijke omstandigheden,
grond, weersgesteldheid en gebruiken rekening houdt. In groote
wetenschappelijke natuuronderzoekingen verdiept de schrijver zich
geenszins, trekt de gevolgtrekking welke de ouderen uit den stand der
planeten op vruchtbare of onvruchtbare bijenjaren maakten in twijfel
en zet slechts nauwkeurig te boek wat hij zelf van de bijen gezien, van
hare vijanden weet, en van de behandeling, gereedschappen en hutten des
bijenmans kent en ondervonden heeft. De taal waarin de schrijver zijn
werk opstelde is de Nederlandsche, zooals ze in boeken op het laatst
der vorige eeuw in het Roermondsch Kwartier gedrukt, voorkomt. Het
geheel is doormengd met plaatselijke of platte uitdrukkingen en woorden
die ontegenzeggelijk den Maaslandsch-Kleefschen tongval verraden [1].
Ongetwijfeld heeft de Kapelaan-bijenman, behalve anderen ook, het
boek van den Leijdschen botanicus Cluijt voor oogen gehad, daar hij
gelijksoortige zegswijzen bezigt en ook de catechetische vorm in vragen
en antwoorden gebruikt, doch veel wijdloopiger en meer geregeld dan
deze de verrichtingen en werkzaamheden aangeeft.
De titel van het werk luidt:
"Byen boeck ofte Pratyk der byen dat is, hoe de byen langhs den kandt
van de Maes, Peel, Niers en naebuerige Platsen moeten gehantert en
bearbeydt woorden, opgestelt by maniere van saemenspraeck door Peeter
Hendrix à Meerloo".
En het slot:
"Finis ofte eynde van dit byenboeck gemaeckt door het pratyk en
ondervinding van den eerwaarden Peter Hendrix, Capelaen tot Lottum,
hac die 11ma Decembris anno 1786".
Een register of bladwijzer bij het werk gevoegd geeft ons de
indeeling des boeks, in 30 deelen, waarvan de meeste in verschillende
hoofdstukken of kapittels gesplitst zijn, te kennen.