[1] Dus geheeten naar de pastophoren, tempelbeambten, die beelden en
kleine altaren droegen.
[2] Onderkleed.
[3] Een muziekinstrument, dat bij godsdienstige plechtigheden werd
gebruikt. Zie Ebers' Warda, Dl. I, Hoofdst. 7.
[4] Eiland in het noorden van de Aegeïsche zee.
[5] September.
[6] Eene muts in den vorm van eene mand.
[7] Het voorvertrek van het sanctuarium, waarin Klea zich bevond.
[8] De door een poortdoorgang verbonden torens aan den ingang van
een Egyptischen tempel.
[9] Een Grieksch wijsgeer, afkomstig van Cyprus, die omstreeks 300
v. C. leefde. Hij was de stichter der Stoïsche wijsbegeerte.
[10] Jonge mannen die op 18 jarigen leeftijd meerderjarig waren
verklaard.
[11] Het hoofd van den nomos Arabia, toen een deel van Egypte.
[12] Te Alexandrië.
[13] Een schip met drie rijen roeibanken boven elkaar.
[14] De koninklijke garde te paard bij het Macedonische leger.
[15] De koningsgezinden. Eene koninklijke lijfwacht.
[16] Steden in Opper- en Neder-Egypte.
[17] Holbewoners.
[18] Bestuurder of stadhouder.
[19] Aurora.
[20] De zonnegod.
[21] Een zuilengalerij te Athene.
[22] Vgl. Ebers' Warda, Dl. I, Hoofdst. 7.
[23] Opperbevelhebber.
[24] De geit uit wier hoorn ambrozijn vloeide. Deze hoorn, door de
geit afgestooten, werd door Zeus onder de sterren geplaatst.
[25] Antisthenes was de stichter der Cynische, Zeno van de Stoïsche
school. Strato behoorde tot de Peripaettische school en Aristippus, die
leerde dat het genot het hoogste is, was de stichter der Cyrenaïsche.
[26] De beschilderde gaanderij te Athene, waar Zeno aan zijne
leerlingen onderwijs gaf.
[27] Vgl. Ebers' Warda, Dl I, Hoofdst. 11.
[28] Werkkleed.
[29] Gesp.
[30] Overste der ruiterij.
[31] Murrha of myrrha heette eene kostbare steen of aardsoort.
[32] Castor en Pollux.