De tempel van Serapis lag in diepe rust, geheel gehuld in het duister,
dat zijne veelvuldige deelen voor het oog onzichtbaar maakte, en
hem het aanzien gaf van eene op zichzelf staande rotsmassa, door een
blauwzwarten nevel omgeven. Ook buiten den tempel was alles in rust,
doch nu liet zich in de stilte van den nacht, die elk gedruisch scheen
te verdubbelen, de hoefslag der paarden en het geratel van wielen
vernemen. Vóordat de wagen, die dit geraas veroorzaakte, bij den
tempel was aangekomen, hield zij stil, en wel achter het acaciënbosch
van den god, want van daar hoorde men het gehinnik van een paard.
De hengst, die dit geluid deed hooren, was een van de paarden des
konings. De Korinthiër Lysias bond het dier juist aan een boom, dicht
bij den weg, aan den zoom van het boschje; hij wierp zijn mantel over
den rug van het dampende ros, baande zich tastend van acacia tot
acacia een pad, en vond weldra de zonnebron, op welker borstwering
hij ging zitten. Een scherpe koude luchtstroom verhief zich uit het
oosten, als voorbode van het opgaan der zon, en eene flauwe schemering
begon de kronen der hooge boomen, die in de duisternis als het ware
éen groot zwart dak vormden, langzamerhand te doen uitkomen. Uit den
tuin van den Asklepius-tempel liet zich hanengekraai hooren, en toen
de Korinthiër vroolijk opstond, om door snel op en neder te loopen
zijn bloed te verwarmen, hoorde hij in de richting van den ringmuur
des tempels, welks omtrekken steeds scherper begrensd uit het duister
te voorschijn kwamen, een deur kraken.
Met gespannen opmerkzaamheid keek hij nu den weg af, waar het
opkomend licht meer en meer de schaduwen deed verdwijnen, en sneller
begon zijn hart te kloppen, toen hij eene gedaante waarnam, die met
haastige schreden naar de bron ging. Hetgeen hij zag naderen was
inderdaad een menschelijk wezen, dat door geen ander werd begeleid;
het was geen man, maar eene vrouw in een lang gewaad. Maar het kwam
hem voor dat zij die hij zocht, kleiner was dan de vrouwengestalte
die steeds naderbij kwam. Kwam de oudere en niet de jongere zuster,
om wie het hem toch alleen te doen was, heden naar de bron?
Thans kon hij reeds haar lichten tred onderscheiden; nu was zij nog
maar door een jonge acaciënstruik, die haar aan zijn blik onttrok,
van hem gescheiden. Zie, daar plaatst zij twee kruiken op den grond;
zij trekt zonder moeite een emmer in de hoogte en vult de kruik,
die zij in de linkerhand droeg. Thans keert zij haar aangezicht
naar den horizont, die meer en meer door schitterend licht wordt
verhelderd. Lysias meent Irene herkend te hebben, ja nu, dank zij
alle beschermgoden, nu weet hij het zeker. Vóor hem staat de jongste,
niet de oudste zuster, staat het meisje dat hij zoekt.
Door de wilde acaciënstruik nog altijd half verborgen, en met
zachte stem, om Irene niet te doen schrikken, roept hij haar bij den
naam. Toch was het der jonkvrouw, die hier nog nooit op dit uur door
een mensch was verrast, alsof haar van schrik het bloed in de aderen
stolde. Zij stond als aan den grond genageld, en drukte bevreesd de
koude, vochtige gouden kruik van den god tegen hare borst.
Lysias riep haar nu luider bij den naam, en voegde er, altijd nog
met eene gedempte stem, bij: "Schrik niet, Irene, ik ben Lysias de
Korinthiër, uw vriend, wiens granaat gij gisteren hebt gedragen, en
die u na den optocht aansprak. Sta mij toe u goeden morgen te zeggen!"
Het meisje nam, toen zij deze woorden hoorde, haar kruik in de
linkerhand, liet die met zijn inhoud nederdalen, legde de rechterhand
op haar borst en zeide na eene diepe ademhaling: "Wat hebt gij
mij vreeselijk doen ontstellen! Ik dacht dat een dwalende geest,
die nog niet naar de onderwereld is teruggekeerd, mij had geroepen,
want eerst de opgaande zon verjaagt de geesten."
"Maar niet menschen van vleesch en been, die geen kwaad in hun schild
voeren. Ik zou, dit moogt ge gerust gelooven, gaarne bij u blijven
tot Helios weder ondergaat, wanneer gij mij dit vergunt."
"Ik heb u niets te vergunnen en niets te verbieden," antwoordde Irene;
"maar hoe komt gij op dit uur hier?"
"Op mijn wagen," antwoordde Lysias lachend.
"Gekheid! Ik wil weten wat gij hier op dit uur aan de zonnebron zoekt?"
"Wat anders dan u? Gij hebt mij gisteren gezegd, dat gij gaarne slaapt,
en dat doe ik ook. Maar om u weder te zien, heb ik zeer gaarne mijne
nachtrust bekort."
"Maar hoe kondt gij weten....?"
"Gij zeidet mij gisteren zelve op welken tijd gij den tempel moogt
verlaten."
"Heb ik u dat gezegd?--Groote Serapis, wat wordt het reeds licht! Ik
word bestraft, als de kruik niet vóor zonsopgang op het altaar
staat. En daar is ook nog die voor mijne Klea."
"Ik zal die terstond voor u vullen.--Ziezoo, dat is gedaan! Nu draag
ik beide voor u naar het einde van het boschje, wanneer ge mij belooft
weldra weder te komen, want ik heb u allerlei dingen te vragen."
"Vooruit, nu vooruit," zeide het meisje dringend. "Ik weet heel
weinig; vraag maar altijd door, want het komt er toch niet op aan,
welk antwoord ik geef."
"Ja, toch! Wanneer ik u bijvoorbeeld verzocht mij wat van uwe ouders
te vertellen? Mijn vriend Publius, dien gij immers kent, en ik hebben
gehoord, hoe hard en onrechtvaardig zij gestraft zijn geworden,
en zouden gaarne alles in het werk stellen om hen te bevrijden."
"Ik kom, ik kom zeker," riep Irene nu, luid en opgewekt. "Wil ik ook
Klea medebrengen? Zij werd heden midden in den nacht bij den portier
geroepen, wiens kind zwaar ziek is geworden. Mijne zuster houdt
zeer veel van de kleine, en Philo wil alleen van haar artsenijen
innemen. Het knaapje was in haar schoot ingesluimerd, en toen kwam
zijne moeder en verzocht mij voor ons beiden het water te dragen. Geef
nu de kruiken aan mij, want op dit uur mag niemand buiten ons den
tempel betreden."
"Daar hebt gij ze! Stoor nu om mijnentwil uwe zuster niet in de
verpleging van haar kleinen kranke, want ik zou u ook nog een en
ander willen zeggen, wat zij niet behoeft te hooren, en u misschien
verblijden zal. Ik ga nu naar de bron terug. Vaarwel, en laat mij
niet te lang wachten!"
Lysias sprak deze woorden op teederen overredenden toon, en de
jonkvrouw antwoordde hem zacht en snel, terwijl zij zich rasch
verwijderde: "Ik kom, als de zon boven de kim is."
De Korinthiër keek haar na, tot zij in den tempel verdwenen was,
en het hart werd hem week, zoo week als sedert jaren niet gebeurd
was. Onwillekeurig dacht hij aan den tijd, dat hij zijne zuster, toen
zij nog een klein kind was, gaarne op de proef stelde, en haar met een
ernstig gezicht vroeg hem hare koek of haren appel te geven, dien hij
toch niet hebben wilde. Bijna altijd had de kleine wat hij verlangde
met de lieve handjes aan zijn mond gebracht, en daarbij was hij dan
vaak te moede geweest als thans. Irene was toch ook nog een kind, en
niet minder zorgeloos dan zijne lieveling in het ouderlijk huis, en
even als zijn zusje hem het beste wat zij had aanbood, zoo vertrouwde
zij hare maagdelijke onschuld, ja, dacht hij, het heiligste wat zij
bezat toe aan den lichtvaardigen Lysias, voor wien eerbare vrouwen in
Korinthe de oogen nedersloegen en hunne aankomende zonen waarschuwden.
"Ik doe u niets, lief kind," prevelde hij in zichzelven, toen hij
zich eindelijk omkeerde, om weder naar de zonnebron te gaan.
Hij begon haastig te loopen, maar na weinige schreden stond hij
stil, want een verrassend en wonderbaar schouwspel vertoonde zich
voor zijne oogen. Werd Memphis een prooi der vlammen? Verteerde het
vuur den nevelsluier, die zijn weg naar den tempel had omhuld?--Daar
stonden de stammen der acaciën als donkere zuilen te midden van
den brand, waarachter de alles verterende gloed hoog opsloeg ten
hemel. Tusschen de takken, de doornige stammen, de witte bloemtrossen
en de paarsgewijze geordende bladeren glansde en flikkerde goud en
purperkleurig licht, en de wolken aan den hemel waren lichter gekleurd
dan de rozen, waarmede Kleopatra zich aan het gastmaal had getooid.
Zoo ging de zon in zijn vaderland niet op! Of had hij misschien
opmerkzamer naar de aarde dan naar den hemel gekeken, wanneer hij te
Korinthe of te Athene bij het krieken van den morgen beschonken van
gastmalen naar huis waggelde?
Op dit oogenblik hinnikten zijne hengsten, als wilden zij het
vierspan van den naderenden zonnegod begroeten. Hij vloog door het
bosch naar hen toe, klopte hen op de glanzige halzen, terwijl hij
hen met woorden tot rust bracht, en overzag toen de reuzenstad aan
zijne voeten, waarover zich een vioolkleurige nevel had uitgebreid,
de ernstige pyramiden, dien de morgenstond een vroolijk rozenkleurig
feestkleed had omgeworpen, den ontzaglijken tempel van Ptah, met de
hooge kolossen vóor zijne pylonen, den Nijl, waarin zich de heerlijke
tinten des hemels afspiegelden, en het kalkgebergte achter de vlekken
Babylon en Troja, waarvan een Jood aan den koninklijken disch gisteren
gezegd had, dat onder zijne landslieden de sage liep, dat dit gebergte
al zijn boomtooi had prijsgegeven, om de heuvelen der heilige stad
Jeruzalem daarmede te tooien.
Gelijk de groote robijn, die aan het gastmaal het doorzichtig gewaad
van koning Euergetes aan zijn breeden hals samenhield, bij het licht
der kaarsen flikkerde zoo weerkaatsten thans de rotsachtige wanden
van dit naakt gebergte het morgenlicht, en Lysias aanschouwde, hoe de
dagvorstin achter hem zich verhief met verblindenden glans en hare
stralen als millioenen gouden pijlen uitzond, om haar vijandin, de
machtige duisternis op de vlucht te drijven en te vernietigen. Voor
hem die, als hij niet zwelgde en zijn genot zocht in de baden, bij
het ringspel in het worstelperk, bij hanen- en kwartelgevechten, in
het theater en bij Dionysos-optochten, zijne geest gaarne oefende
in de scholen der philosophen, ten einde ook aan de gastmalen in
het gesprek te kunnen schitteren,--voor hem waren Eos [19], Helios
[20] en Phoebus Apollo sedert lang niets anders dan namen, waarmede
men zekere verschijnselen en begrippen gevoeglijk kon aanduiden. Doch
heden, terwijl hij getuige was van dezen zonsopgang, geloofde hij weder
als in zijne kindsche dagen aan den god, en zag hij hem weder in den
geest op zijn gouden wagen, omstuwd door zijn schitterend gevolg,
dat door de lucht zweefde, fakkels dragende en bloemen strooiende,
de schuimbekkende rossen van zijn vierspan beteugelen; heden hief
hij geloovig de armen omhoog en bad luide: "Ik gevoel mij heden
zoo opgewekt en luchthartig. Zeker heb ik dit te danken aan uwe
tegenwoordigheid, Phoebus Apollo, die zelf het licht zijt. O laat
het zoo blijven...."
Hier hield hij plotseling op en liet zijne armen zinken, want hij
hoorde voetstappen naderen. Glimlachend over zijne kinderachtige
zwakheid, want zoo beschouwde hij zijn gebed, en toch blijmoedig
gestemd na deze vrome daad, keerde hij de zon, die nu geheel was
opgegaan, den rug toe en stond tegen over Irene.
"Ik meende reeds," riep zij hem toe, "dat gij ongeduldig waart
geworden en heengegaan, toen ik u niet meer aan de bron vond. Dat zou
mij gespeten hebben. Doch gij hebt zeker naar het opgaan van Helios
gekeken. Dat zie ik alle dagen, en toch maak ik mij altijd angstig,
wanneer de lucht zoo rood ziet als heden morgen, want onze Egyptische
voedster heeft mij verteld, wanneer het 's morgens in het oosten erg
rood ziet, dan heeft de zonnegod zijne vijanden verslagen, en kleurt
hun bloed den hemel, den berg en de wolken."
"Maar gij zijt immers eene Griekin," zeide Lysias, en moest dus weten
dat Eos deze tinten verwekt, wanneer zij met hare rooskleurige vingers
den horizon aanraakt, eer Helios verschijnt. Heden zijt gij voor mij
het morgenrood geweest, dat een schoonen dag voorstelt."
"Een morgenrood als dat van heden," hernam Irene, "geeft groote
hitte, storm en misschien onweder, zegt de portier, die veel omgaat
met de horoscopen, die op de torens naast de tempelpoort de sterren
en de hemelteekens waarnemen. Hij is de vader van den armen kleinen
Philo.--Ik had Klea nog mede willen brengen, want zij weet van onze
ouders meer dan ik, maar zij verzocht mij haar met rust te laten,
want het halsje van het kind is als toegegroeid, en als het veel
schreeuwt, heeft de arts gezegd moet het stikken. De kleine is alleen
rustig wanneer Klea hem op den arm houdt. Zij is ook zoo goed en denkt
nooit aan zichzelve. Van middernacht is zij al bezig den zwaren jongen
op haar schoot te wiegen."
"Later zullen wij ook met haar spreken," zeide de Korinthiër, "maar
heden ben ik om uwentwil gekomen. Gij hebt zulke levendige oogen en
uw mondje ziet er uit, alsof het gevormd was om te lachen en niet
om klaagliederen te zingen. Hoe houdt gij het uit in dien gesloten
kerker bij al die deftige in wit en zwart gekleede mannen?"
"Daar zijn ook goede en vriendelijke onder hen. Het meest houd ik van
den ouden Krates. Hij zet tegen ieder een boos gezicht, maar met mij
maakt hij een praatje en gekheid en laat mij dikwijls zulke nette en
kunstig bewerkte dingen zien."
"Ik zeide u immers, dat gij gelijkt op het morgenrood, waartegen geen
duisternis bestand is."
"Als gij maar eens wist hoe onbezonnen ik zijn kan, hoe dikwijls ik
Klea, die toch nooit onaardig is, verdriet aandoe, dan zoudt ge u
wel wachten mij met eene godin te vergelijken. Ook de kleine Krates
vergelijkt mij dikwijls met de lieflijkste dingen, maar dat klinkt
altijd zoo komiek, dat ik er om lachen moet. Liever luister ik naar
u als gij mij vleit."
"Daarvoor ben ik jong en jeugd past bij jeugd. Uwe zuster is ouder
en veel ernstiger dan gij. Hebt gij nooit een meisje van uw leeftijd
gehad, waarmede gij kondt spelen, en voor wie gij geene geheimen hadt?"
"Ja, toen ik nog zeer klein was; maar sedert onze ouders in het ongeluk
zijn geraakt en wij hier in dezen tempel zijn, ben ik altijd alleen
met Klea.--Wat wildet gij van mijn vader weten?"
"Dat zal ik u later vragen. Zeg mij nu eens: Hebt gij nooit met andere
meisjes krijgertje of verstoppertje gespeeld? Mocht gij nooit bij
de Dionysos-feesten uitgaan om te zien hoe vroolijk het op de straat
toeging? Hebt gij wel ooit op een wagen gereden?"
"Vroeger misschien, maar dat ben ik vergeten. Hoe zou ik er toe komen,
hier in den tempel? Klea zegt, dat het ook niet goed is aan zulke
dingen te denken. Zij vertelt mij veel van onze ouders, hoe moeder
voor ons zorgde en wat vader gezegd heeft. Is er iets voorgevallen
dat hem gunstig kan zijn? Zou den koning de waarheid ter oore zijn
gekomen? Vraag toch spoedig wat gij te vragen hebt, want ik ben reeds
te lang hier buiten gebleven."
Terwijl zij dit zeide, hinnikten de ongeduldige hengsten op
nieuw. Lysias, die in dit praatje met Irene een buitengewoon behagen
schepte, maar daarbij het doel van zijn tocht geen oogenblik vergat,
wees nu snel naar de plek waar de paarden stonden en zeide: "Hoordet
gij dat gehinnik? Die moedige beesten hebben mij hierheen gebracht,
en ik versta de kunst ze te mennen. Ja, ik heb met mijn eigen vierspan
bij de laatste Isthmische spelen den krans gewonnen. Gij zegt dat
gij nog nooit op een wagen hebt gestaan. Wat zoudt gij er van denken,
om er eens de proef van te nemen? Gaarne wil ik u achter het boschje
een weinig op en neder rijden."
Irene luisterde naar deze woorden, terwijl hare oogen van vreugde
blonken. In de handen klappende riep zij uit: "Zal ik als de
koningin op een wagen rijden met prachtige paarden? Neen, dat is niet
mogelijk!--Waar staan uwe paarden?"
Zij had in dit oogenblik Klea vergeten, en het zieke kind, haar plicht
van naar den tempel terug te keeren, ja zelfs hare ouders, en met
vlugge schreden volgde zij den Korinthiër, sprong op den tweewieligen
wagen, en hield zich aan de borstwering vast, toen Lysias zich naast
haar plaatste, de leidsels greep en de vurigheid der weelderige beesten
met een sterke en geoefende hand beteugelde. Zich geheel overgevende
aan hem die haar ontvoerde, stond zij in kinderlijke onschuld en zonder
eenige vrees naast hem, toen de wagen wegreed. Zonder dat zij het
vermoedde, dekten haar vriendelijke machten met schild en pantser,
namelijk hare onschuld en de gedachte aan hare ouders, die Lysias
zelf in haar had doen ontwaken, en die weldra weder levendig werd.
Vrijer ademhalende en vervuld van een zalig gevoel, zoo als een
vogel moet hebben, wanneer hij voor het eerst uit zijn duister
nest in de lucht opstijgt, riep zij telkens: "Dat is schoon, dat is
heerlijk!" en dan weder: "Hoe klieven we de lucht, als waren we vlugge
zwaluwen! Sneller, Lysias, sneller!--Neen, dat gaat al te hard! Houd
wat in, anders val ik!--O neen, ik ben niet bang! Het is zoo heerlijk,
evenals een Nijlschip bij storm den stroom, met borst en aangezicht
den wind te klieven."
Lysias stond dicht bij haar. Toen hij op haar wensch de rossen in
galop had gebracht en hij haar zag wankelen, strekte hij onwillekeurig
de hand uit, om haar midden te omvatten, maar Irene ontweek hem en
drukte zich vast tegen de borstwering van den wagen aan hare zijde;
en telkens als hij haar aanraakte, hield zij de armen stijf tegen het
lijf en trok zich samen als het fijn gevoelig blad van een kruidje
roer-me-niet, dat met een ander voorwerp in aanraking komt.
Zij vroeg aan den Korinthiër haar te vergunnen ook eens de teugels te
houden. Terstond voldeed hij aan haar verzoek, gaf haar de leidsels
in handen, doch hield, achter haar staande, voorzichtig de einden
in zijne eigene hand. Hij zag op hare glanzige haren, die sierlijk
langs haar hoofd afvielen op hare blanke, een weinig naar voren
gebogen hals. Een onweerstaanbaar verlangen bekroop hem zijne lippen
op haar hoofd te drukken. Doch hij deed het niet, want hij dacht aan
het woord van zijn vriend, dat hij voor deze meisjes handelen moest,
alsof hij haar voogd ware. Dat zou hij ook doen, en meer dan dat, als
een vader wilde hij voor haar zorgen. Zoo dikwijls de wagen echter
tegen een steen stiet, en hij haar aanraakte om haar te steunen,
ontwaakte de onderdrukte begeerte op nieuw, en eens, toen haar haren
zeer dicht bij zijne lippen kwamen, kuste hij haar werkelijk, maar
slechts als een vriend en een broeder.
Zij moest den adem zijner lippen gevoeld hebben, want haastig keerde
zij zich om, gaf hem de teugels terug, drukte haar hand tegen het
voorhoofd en zeide op gansch anderen, zacht klagenden toon: "Het is
niet goed zoo; ik bid u, laat de paarden omkeeren."
Eer Lysias, die, in plaats van haar gehoor te geven, aan de teugels
rukte, om de paarden nog meer aan te drijven, het rechte antwoord vond,
had Irene opgezien naar de zon, en terwijl zij met hare hand naar
het oosten wees, zeide zij: "Wat is het al laat! Wat zal ik zeggen
als men mij zoekt en zij vragen waar ik zoo lang geweest ben? Waarom
keert gij niet om? Waarom zegt ge mij niets van mijne ouders?"
De laatste woorden waren met eenige heftigheid uitgesproken, en toen
Lysias niet zoo dadelijk wist, wat hij er op zeggen zou, en ook geen
beweging maakte om de paarden in te houden, greep zij zelve naar de
teugels en zeide: "Wilt gij nu omkeeren, ja of neen?"
"Neen," antwoordde de Korinthiër bepaald, "maar...."
"Is dat de bedoeling!" riep het meisje buiten zichzelve. "Gij denkt
mij listig te ontvoeren, maar wacht, wacht...."
Eer Lysias het verhinderen kon, had Irene zich omgedraaid, en een
poging gedaan om van den snel voortrollenden wagen te springen. Doch
haar geleider was vlugger dan zij, greep eerst haar kleed, toen haar
gordel, sloeg zijn arm om hare heupen en trok de weerspannige naar
het midden van den wagen.
Bevend, met de kleine voeten stampende en de oogen vol tranen zocht
zij zijn hand van haren gordel te verwijderen. Doch nu bracht hij
zijne rossen tot staan en zeide vriendelijk maar ernstig: "Wat
ik gedaan heb is om uw bestwil geschied, en als gij het beveelt,
wil ik ook de paarden doen omkeeren. Maar eerst moet ge mij hooren;
want toen ik u door een list op dezen wagen lokte, deed ik dit omdat
ik vreesde, dat gij zoudt weigeren mij te volgen, terwijl ik wist,
dat ieder uitstel u aan schrikkelijke gevaren blootstelde. Ik heb
den naam uws vaders volstrekt niet met een misdadig doel gebruikt,
want mijn vriend Publius Scipio, die zeer machtig is, denkt alles
te doen om hem de vrijheid te verschaffen, en ulieden weder in zijne
armen te voeren. Maar, Irene, dat zou nooit kunnen gebeuren, wanneer
wij u daar gelaten hadden, waar gij tot hiertoe hebt vertoefd."
Onder deze woorden zag het meisje Lysias verwonderd aan, en brak
zijne mededeeling af, om te zeggen: "ik heb toch niemand eenig
leed gedaan. Wie kan er wat bij winnen, met mij, arm schepsel,
te vervolgen?"
"Uw vader was de braafste aller menschen," antwoordde Lysias, "en toch
werd hij als een misdadiger naar de bergwerken gesleept. Men bepaalt
er zich niet toe het onrecht en de boozen te vervolgen. Hebt gij wel
van koning Euergetes gehoord, die men bij zijne geboorte "weldoener"
noemde, en die zich door zijne euveldaden den naam van "kwaaddoener"
verworven heeft? Deze heeft gehoord dat gij schoon zijt, en wil den
opperpriester dwingen u aan hem uit te leveren. Geeft Asklepiodorus
toe, en wat vermag hij tegen de macht van een koning, zoo wordt
gij onder de fluitspeelsters en geblankette meisjes opgenomen,
die bij zijne wilde drinkgelagen met beschonken mannen aan tafel
stoeien. Als uwe ouders u zoo moesten wedervinden, dan ware het voor
hen toch beter...."
"Is het waarheid, wat gij zegt?" vroeg Irene met gloeiende wangen.
"Ja," antwoordde Lysias op vasten toon. "Zie, Irene, ik heb ook nog
een vader en eene lieve moeder en eene zuster, die er uitziet als
gij; bij hunne hoofden, bij hen wier namen nooit over mijne lippen
zijn gekomen in tegenwoordigheid van andere vrouwen wier gunst ik
zocht, zweer ik u, dat ik louter waarheid heb gesproken, dat ik niets
anders in den zin heb dan u te redden, dat ik, als gij het gebiedt,
u, zoodra ik zal weten dat gij geborgen zijt, nimmer wil wederzien,
hoe zwaar mij dit ook zal vallen. Want ik heb u lief, arme, lieve
kleine Irene, meer dan gij gelooven kunt."
Lysias vatte het meisje bij de hand, doch zij trok de hare snel
terug en zeide, terwijl zij de in tranen zwemmende oogen naar hem
opsloeg, luide en met overtuiging: "Ik geloof u, want zoo kan iemand
niet spreken die een ander wil misleiden. Maar hoe weet gij dit
alles? Waarheen wilt gij mij brengen? Zal Klea mij volgen?"
"Bij de brave familie van een beeldhouwer zult gij vooreerst verborgen
worden. Klea zullen wij heden nog kennis geven van alles wat met
u gebeurd is, en wanneer wij de vrijstelling uwer ouders hebben
verkregen, dan.... Maar help, o Zeus! Ziet gij dien wagen daar? Vergis
ik mij niet, dan zijn het de schimmels van den eunuuch Eulaeus. Als
hij ons hier zag, dan ware alles verloren!
"Houd u thans vast, want wij moeten jagen als in de renbaan!--Zoo, nu
zijn wij achter den heuvel, en daar, bij den kleinen Isistempel, wacht
u reeds de waardige echtgenoote van uwen toekomstigen gastvriend. Zij
zal wel zitten in dien gesloten wagen naast de palmen.
"Ja zeker, zeker, Klea zal alles vernemen, opdat zij zich over u niet
ongerust make! Weldra zeg ik u vaarwel, maar zult gij, lieve Irene, dan
later ook nog menigmaal aan den armen Lysias denken, of heeft Aurora,
die hem, zooals hij zich vleide, heden morgen door hare verschijning
zooveel geluk voorspelde, hem werkelijk geen schoonen dag, maar kommer
en leed voorzegd?"
Onder deze woorden trok de Korinthiër de teugels in, dwong de paarden
tot een langzamen stap en zag Irene vol teederheid in de oogen. Zij
beantwoordde dezen blik met innige hartelijkheid, maar tranen rolden
uit hare anders zoo heldere oogen.
"Zeg mij nu," sprak de Korinthiër op smeekenden toon: "Zult gij mij
niet vergeten? Mag ik u spoedig bij uw gastvriend een bezoek brengen?"
Irene had zoo gaarne 'ja' en nog eens 'ja' en duizendmaal 'ja'
geroepen, en toch had zij, die zoo gereedelijk aan elke aandoening
des harten toegaf, in dit gewichtig uur de kracht om hare hand, die
de Korinthiër had gegrepen, zachtkens uit de zijne te trekken en hem
ernstig te antwoorden. "Altijd wil ik aan u denken, en altijd weder,
maar gij moogt mij eerst opzoeken, wanneer mijne Klea weder bij
mij is."
"Maar Irene, bedenk toch, als nu..." zeide Lysias hartstochtelijk.
"Gij hebt mij bij de hoofden uwer dierbaarste betrekkingen gezworen,
dat gij mijn wil zoudt eerbiedigen," zeide het meisje, hem in de rede
vallende. "Zeker, ik geloof, en ik geloof zoo gaarne, dat gij goed
voor mij zijt, maar ik geloof het niet meer, als gij geen woord houdt.
"Zie daar komt ons eene vrouw te gemoet, die er vriendelijk
uitziet.--Zij wenkt mij reeds!--Ja, tot haar wil ik gaarne gaan,
en toch ben ik zoo beklemd, meer dan ik zeggen kan. Maar ik voel mij
tevens zoo dankbaar! Denk gij somwijlen aan mij, Lysias en aan onzen
rit, aan het gesprek en aan mijne ouders. O ik bid u, doe voor hen
al wat gij maar kunt.--Als ik mijne tranen maar kon inhouden, maar
dat kan ik niet!"