ELFDE HOOFDSTUK.

Lysias behoorde tot die menschen, van wie men, wat zij ook zeggen,

niet onderstellen kan, dat het ernstig is gemeend. Zijne mededeeling,

dat hij eene dienares van Serapis voor geschikt hield om eene Hebe

voor te stellen, klonk zoo vroolijk natuurlijk, alsof hij kinderen

een fabeltje vertelde, maar zijne woorden werkten op allen die ze

hoorden als het geruisch van water, dat een schip binnendringt.

Publius was geheel verbleekt, en had eerst, nadat zijn vriend den naam

van Irene had uitgesproken, zijne kalmte eenigermate teruggekregen.

Philometor had met zijn beker op de tafel geklopt en opgewonden

uitgeroepen: "Eene dienares van Serapis als Hebe bij eene feestelijke

vertooning! Houdt ge dat voor mogelijk, Kleopatra?"

"Het is niet uit te voeren, volstrekt onmogelijk," antwoordde de

koningin op stelligen toon.

Euergetes, die evenals de anderen groote oogen had opgezet toen de

Korinthiër sprak, keek langen tijd zwijgend in zijn beker, terwijl zijn

broeder en zijne zuster nog verder hunne verwondering en afkeuring

uitspraken, en gewaagden van den eerbied en het ontzag, die zelfs

koningen voor priesters van Serapis moeten gevoelen. Eindelijk nam

hij zijn krans en den hoofdband weder af, streek zijn haar met beide

handen op en zeide toen dood bedaard en zeker:

"Wij hebben eene Hebe noodig, en nemen haar, waar wij haar

vinden. Wanneer gij aarzelt het meisje te laten halen, dan zal

het op mijn bevel geschieden. De priesterschap van Serapis bestaat

grootendeels uit Grieken, en hun hoofd is een Helleen. Lieden als

hij geven niet veel om een half volwassen kind, als zij er u of mij

genoegen mede kunnen doen. Hij weet zoo goed, als wij allen, dat de

eene hand de andere wascht. De vraag is alleen--want vrouwenmisbaar

zou ik liefst vermijden--of dit meisje al of niet genegen is te komen,

als wij haar roepen. Wat denkt gij er van, Lysias?"

"Ik geloof dat zij liever heden dan morgen uit hare gevangenis bevrijd

wil worden," antwoordde Lysias. "Irene is opgewekt van aard. Zij

lacht zoo natuurlijk en rein, als een spelend kind, en men laat haar

bovendien in hare kooi verhongeren."

"Dan ga ik haar morgen halen!" riep Euergetes.

"Maar," merkte Kleopatra op, haren broeder in de rede vallende,

"Asklepiodorus heeft ons en niet u te gehoorzamen, en wij, ik en

mijn gemaal...."

"Gij wilt u dat priestervolk niet tot vijand maken!" zeide Euergetes

lachend. "Als het nog Egyptenaren waren! Als men dezen aan hun

tempeldienst raakt, komt men er niet zonder kleerscheuren af. Maar wij

hebben hier, zooals ik zeide, met Grieken te doen. Wat hebt gij van

dezen te vreezen? Wat mij aangaat, kunt gij deze Hebe laten waar zij

is, maar ik heb mij nu eenmaal op deze voorstelling verheugd, en daarom

vertrek ik morgen zoodra ik zal uitgeslapen zijn, naar Alexandrië,

wanneer gij deze zaak niet in orde brengt, en mij, Herakles, niet de

bruid tegemoet voert, die de goden voor hem gekozen hebben. Wat ik

zeg, dat meen ik, en het is mijne gewoonte niet op eene zaak terug

te komen. Nu wordt het tijd, dat wij ons eens vertoonen aan onze

vrienden, die in het aangrenzend vertrek feestvieren. Zij beginnen

al luidruchtig te worden, en het zal ook niet vroeg meer zijn."

Terwijl hij dit zeide, rees Euergetes van zijn rustbed op, en wenkte

Hiërax en een kamerdienaar, die de plooien van zijn doorzichtig gewaad

in orde brachten. Philometor en Kleopatra fluisterden onderwijl,

de schouders ophalende en het hoofd schuddende.

Publius omklemde met zijne rechterhand den pols van den Korinthiër,

en beet hem in 't oor: "Gij moet hen niet helpen, wanneer gij prijs

stelt op mijn vriendschap. Zoodra het voegzaam geschieden kan, breken

wij op."

Euergetes wachtte niet gaarne. Reeds richtte hij zijne schreden naar

de deur, toen Kleopatra hem terug riep, en op zacht verwijtenden

toon zeide: "Gij weet dat wij gaarne de zeden der Egyptenaars volgen,

door alle wenschen te vervullen, die een vriend en broeder tegen zijn

geboortedag koestert. Maar daarom is het niet goed van u gehandeld,

dat gij ons iets tracht af te dwingen, wat wij u noode weigeren,

en toch niet kunnen vervullen, zonder ons bloot te stellen aan de

grootste moeilijkheden. Vorder, bidden wij u, iets anders en wij

zullen het u zeker toestaan als wij kunnen."

De jonge reus beantwoordde deze bede zijner zuster met luid gelach,

zwaaide met zijn arm, maakte eene afwijzende beweging met de hand en

zeide toen: "Het eenige wat ik gaarne zou willen hebben van alles wat

gij bezit, staat gij toch niet vrijwillig af; zoo blijve het dus bij

onze afspraak. Gij bezorgt mij mijne Hebe, of ik ga mijns weegs."

Kleopatra wisselde andermaal met den koning eenige korte woorden en

vluchtige blikken, en Euergetes keek haar daarbij brutaal aan, terwijl

hij de beenen uit elkander spreidde, zijn kolossaal bovenlichaam

voorover boog, en beide vuisten in zijne heupen zette.

Er lag in deze houding haars broeders zulk een overmoed, zulk een

jongensachtig drieste en onbeschaamde uitdaging, dat Kleopatra met

moeite een kreet van afkeer terughield, eer zij zeide: "Wij zijn nu

eenmaal broer en zuster, en zullen toegeven ter wille van den vrede,

die met zooveel moeite tusschen ons werd hersteld en bewaard. Het

beste zal zijn, dat wij Asklepiodorus verzoeken...."

Hier viel Euergetes haar in de rede met hard in de handen te klappen en

lachend te zeggen: "Zoo is het goed, zuster! Bezorg mij slechts mijne

Hebe! Hoe gij dat aanlegt is mij om 't even; dat is uwe zaak. Morgen

avond wordt er repetitie gehouden en overmorgen zal de voorstelling

plaats hebben, waarvan de kleinkinderen nog gewagen zullen. Aan eene

schitterende schare van toeschouwers zal het ook niet ontbreken,

want ik hoop dat zij, die mij komen gelukwenschen, zoowel die den

priesterband als die den wapenrok dragen, intijds aanwezig zijn.--Komt,

mijne heeren, wij willen eens zien, wat daar binnen aan de tafel voor

goeds te hooren en te drinken is."

De deuren werden geopend; de tonen der muziek, vrij luide gesprekken,

het gedruisch van klinkende bekers en schaterend gelach drongen door

in de zaal der vorstelijke personen, en alle gasten, met uitzondering

van den eunuuch volgden Euergetes.

Kleopatra liet hen zwijgend vertrekken! Publius alleen riep zij een

'tot wederziens' toe, doch den Korinthiër hield zij terug en zeide:

"Gij, Lysias, zijt oorzaak van deze moeilijkheid. Tracht alles weer

goed te maken, door het meisje tot ons te brengen. Weiger niet! Ik

zal over haar waken, zorgvuldig waken, verlaat u daarop!"

"Zij is een zedige jonkvrouw," antwoordde Lysias, "en zal mij zeker

niet gewillig volgen. Toen ik voorstelde haar de rol van Hebe op

te dragen, hield ik mij overtuigd, dat een woord uit den mond van u

beiden, den vorst en de vorstin, voldoende zou zijn om de bestuurders

van den tempel het verzoek te doen inwilligen, om haar voor eenige uren

aan ons toe te vertrouwen, terwille van een onschuldig spel.--Vergeef

mij dat ook ik u thans verlaat. Ik heb den sleutel der kast van mijn

vriend nog bij mij, en moet hem dien brengen."

"Zou men haar niet heimelijk kunnen wegvoeren?" vroeg Kleopatra haren

gemaal, nadat ook de Korinthiër de andere gasten gevolgd was.

"Als er maar geene aanranding plaats heeft en geenerlei geweld wordt

gepleegd!" zeide koning Philometor bezorgd. "Ik weet geen beter middel,

dan dat ik aan Asklepiodorus schrijf, en hem vriendelijk verzoek

deze Ismene, of Irene, of hoe het ongelukskind ook heet, voor eenige

dagen aan u toe te vertrouwen, omdat zij een gunstigen indruk op u

maakte. Ik kan het uitzicht openen op eene grootere akkerschenking

dan die van heden, welk ver beneden zijne verwachting is gebleven."

"Veroorloof mij u te verzoeken, verheven heer," zeide Eulaeus, die

nu met het koninklijk echtpaar alleen was, op onderdanigen toon,

"bij deze gelegenheid niets groots toe te zeggen, want zoodra dit

gebeurt zal Asklepiodorus aan uw wensch een gewicht hechten...."

"Dat hij niet heeft en niet hebben moet," zeide de koningin, hem in

de rede vallende. "Het is beneden onze waardigheid, ter wille van een

hongerig schepsel, een waterdraagster, zoovele woorden te verspillen

en zooveel onrust te hebben. Maar hoe brengen wij dit tot een goed

einde? wat raadt gij, Eulaeus?"

"Voor deze vraag zeg ik u dank, hooge vorstin," antwoordde de

eunuuch. "Mijn heer de koning moet, zou ik meenen, dit meisje laten

weg voeren, doch niet met geweld door een man, dien zij zeker niet

zoo spoedig volgen zal als noodig is, maar door eene vrouw.

"Ik denk hierbij aan het oude Egyptische sprookje van de beide

broeders, dat u zeker bekend is. De pharao wenschte de vrouw van den

jongste te bezitten, die op den cederberg woonde, en zond gewapende

lieden uit om haar te halen, maar van dezen kwam er slechts éen

terug, want Bataou had ze allen verslagen. Daarna werd er eene vrouw

uitgezonden met kostbare sieraden, waarop vrouwen zoo gesteld zijn,

en haar volgde de schoone naar het paleis, zonder weerstand te bieden.

"Besparen wij de moeite van boden te zenden, maar beginnen wij

terstond met de vrouw. Uwe speelgenoote Zoë zal zulk een opdracht

voortreffelijk vervullen. Wie kan ons iets verwijten, wanneer zulk

een ijdel meisje hare wachters ontloopt?"

"Maar iedereen zal haar als Hebe zien," zeide Philometor met een zucht,

"en ons, de beschermers van den Serapisdienst, voor tempelschenders

uitmaken, wanneer Asklepiodorus hun dit voorpraat. Neen, neen, eerst

moet de opperpriester gunstig gestemd worden. In geval hij zwarigheden

maakt, maar ook niet eer, mag Zoë beproeven, of zij slagen kan."

"Zoo zal het geschieden," zeide de koningin, als kwam het haar toe

de voorslag van haar gemaal te bekrachtigen.

"Laat mij uwe speelgenoote begeleiden," vroeg Eulaeus, en uw verzoek

aan Asklepiodorus voordragen. Terwijl ik met den opperpriester spreek,

moet Zoë het meisje op alle manieren trachten te winnen, en wat wij

willen doen, moet reeds morgen geschieden, anders komt de Romein

ons voor. Ik weet dat hij een oog heeft op Irene, die inderdaad zeer

schoon is. Hij schenkt haar bloemen, voedert zijn vogeltje met fazant,

perziken en andere lekkernijen, laat zich door zijn schatje, zoo

dikwijls het maar geschieden kan, in het Serapeum lokken, blijft daar

uren lang, neemt als een vrome aan de optochten deel, om de viooltjes,

die gij hem genadig hebt vereerd, te schenken aan zijne schoone,

die zeker liever koninklijke bloemen draagt dan andere."

"Leugenaar?" riep de koningin opeens, den hoveling in de rede vallende,

in zulk een hevige opgewondenheid, zoo bovenmate verstoord en buiten

zichzelve van verontwaardiging, dat haar gemaal van schrik een paar

passen achteruitdeinsde.

"Gij zijt een lasteraar, een snoode eerroover! De Romein valt u

openlijk aan, maar gij sluipt in het donker als de schorpioen, en

tracht uw vijand in de voetzool te steken. De schilder Apelles heeft

ons, kleinkinderen van Lagus, in de schilderij, waarop hij Antiphilus

ten toon stelde, voor lieden van uw gehalte gewaarschuwd. Als ik u

aanzie, denk ik aan zijn demon van den laster. Die spijt, die boosheid,

sprekende uit listige oogen, en die op haar offer loerende woede, welke

op het vuurrood gelaat te lezen staat, hebt gij beiden gemeen. Gij

zoudt wel willen, niet waar, dat die jongeling, dien de laster op

het doek van Apelles bij de haren met zich voortsleurt, onze Publius

was, en dat ook u die vuige holoogige gedaante van den nijd, en die

afzichtelijke vrouwen, list en bedrog, bijstand boden? Maar ik herinner

mij ook dien hoog ten hemel geheven arm, die de bescherming vraagt van

de godin en van den koning; ook den trouwen oprechten blik van dien

ter aarde geworpen knaap. En al is Publius Scipio mans genoeg, om zich

tegen openbare aanvallen te verdedigen, zoo zal ik hem toch beschermen

tegen elken aanval uit een hinderlaag.--Weg uit dit vertrek! Pak u weg,

zeg ik u, en gij zult ondervinden, hoe wij lasteraars straffen!"

Terwijl zij dus sprak, wierp Eulaeus zich voor de koningin op

de knieën. Kleopatra haalde diep adem; de snelle beweging harer

neusvleugels teekende hare gemoedsaandoening. Zij zag voor zich uit,

als merkte zij den eunuuch niet op, tot haar gemaal naar haar toeging

en met een hartroerende stem zeide: "Veroordeel hem toch niet, zonder

hem te hooren, en reik hem de hand om op te staan. Geef hem in elk

geval gelegenheid, uw toorn te doen bedaren, door ons de kruikdraagster

te bezorgen, zonder Asklepiodorus te vertoornen.--Maak het weer goed,

Eulaeus, en gij zult in ons een voorspraak bij Kleopatra vinden."

De koning wees met den vinger naar de deur. Eulaeus verwijderde

zich in diep gebogen houding, terwijl hij, achterwaarts gaande,

den uitgang zocht.

Toen Philometor met zijne gemalin alleen was, zeide hij op zacht

verwijtenden toon: "Hoe kondt gij u zoo onverstandig laten medeslepen

door uw toorn? Een trouw en verstandig dienaar, die tot de weinigen

behoort, welke nog in leven zijn van allen die onze moeder lief waren,

jaagt men toch niet weg als een onbekwamen oppasser. En welk groot

misdrijf heeft hij dan begaan? Is dat een vergrijp waarover men zich

zóo boos moet maken, wanneer een goedaardig oud man, van een jonkman,

die voor de wereld leeft en die niets van de geheimzinnige heiligheid

van Serapis begrijpt, zonder erg vertelt, dat deze behagen schept

in een meisje, hetwelk ieder bewondert die het ziet; dat hij haar

opzoekt en hare schoonheid met bloemen huldigt...."

"Met bloemen huldigt?" vroeg Kleopatra, op nieuw opvliegende. "Neen,

neen, men beticht hem, dat hij eene jonkvrouw, die aan Serapis

toebehoort, aan Serapis, zeg ik, vervolgt. Maar dat is eenvoudig

niet waar, dat is gelogen, en gij zoudt als ik hiertegen in verzet

komen, wanneer gij u boos kondt maken als een man en gij Eulaeus niet

gebruiktet voor vele dingen, waarvan ik wel kennis draag, al gelieft

gij ze evenals andere voor mij te verzwijgen. Laat hem het meisje

halen; doch hebben wij haar hier, en bevind ik, dat de klacht van

den Romein over Eulaeus, die ik morgen wil aanhooren, gegrond is,

dan zult gij zien, dat ik mannelijke gestrengheid genoeg bezit voor

ons beiden. Kom nu mede, want zij die daar binnen zijn wachten op ons."

De koningin verhief haar stem; kamerheeren en dienaars snelden toe,

hare schelpvormige draagstoel werd weder te voorschijn gehaald,

en weldra werd zij aan de zijde van haren gemaal, hoog in de lucht

zwevende, de groote zuilengalerij binnen gedragen, waar de grooten van

het hof, de bevelhebber der troepen, de aanzienlijkste der Egyptische

beambten, die uit de provinciën waren aangekomen, vele kunstenaars

en geleerden, alsmede de buitenlandsche gezanten in lange rijen waren

aangelegen, en die, daar het eigenlijke maal reeds was afgeloopen, den

wijn eer aandeden. De Grieken en de donkerder gekleurde Egyptenaars

waren hier ongeveer even talrijk vertegenwoordigd, doch onder hen,

en vooral onder de geleerden en officieren, bevonden zich ook vele

Israëlieten en Syriërs.

Het koninklijk paar werd door de feestvierenden met gejubel en

betuigingen van eerbied ontvangen. Kleopatra lachte zoo vriendelijk

als ooit te voren; zij wuifde ook nog met den waaier, nadat zij

den draagstoel had verlaten. Toch schonk zij aan niemand onder

de aanwezigen ook zelfs de minste opmerkzaamheid, want zij zocht

Publius, eerst in de nabijheid van het rustbed, dat voor haar was

open gehouden, daarna onder de andere Hellenen, de Egyptenaars, de

Joden en de gezanten. Doch zij vond hem niet, en toen zij ten laatste

den kamerheer aan hare zijde vroeg, waar de Romein zich bevond, werd

terstond de persoon geroepen, die met de zorg voor de gezanten belast

was. Deze was een zeer hooggeplaatst beambte, die tot taak had voor

de vertegenwoordigers van vreemde machten te zorgen. Hij was bij de

hand, want hij wachtte reeds lang op eene gelegenheid, om Kleopatra

den groet van Publius Cornelius Scipio over te brengen, en haar uit

zijn naam mede te deelen, dat hij zich naar zijne tent had begeven,

omdat er brieven uit Rome voor hem waren aangekomen.

"Is dat waar?" vroeg de koningin, terwijl zij haar waaier liet zinken

en den verzorger der gezanten streng aanzag.

"De triremis [13] Proteus, die van Brundisium komt," antwoordde de

aangesprokene, "is gisteren de haven van Eunostus binnengeloopen,

en een uur geleden bracht een bode te paard den brief. En zeker was

het geen gewone brief, maar het was een schrijven van den senaat;

ik ken den vorm en het zegel."

"En de Korinthiër Lysias?"

"Hij vergezelt den Romein."

"Heeft de senaat ook aan dezen geschreven?" vroeg Kleopatra scherp en

spottend. Daarna keerde zij den verzorger der gezanten den rug toe,

zonder hem te groeten, en zeide, terwijl zij zich tot den kamerheer

wendde, op afgemeten toon, als moest zij eene rechtszitting leiden:

"Koning Euergetes zit daar midden onder de Egyptenaars naast de

tempelgezanten uit het bovenland. Hij ziet er uit als hield hij voor

hen eene redevoering; zij hangen aan zijne lippen. Wat spreekt hij,

en wat moet dit weder beteekenen?"

"Vóor gij kwaamt, zat hij onder de Syriërs en Joden, en deelde hun

mede, wat kooplieden en schrijvers, die hij naar het Zuiden had

gezonden, bericht hadden omtrent de landen, die bij de meren liggen,

waardoor, naar men zegt, de Nijl stroomt. Hij meent dat zich bij

den oorsprong van den heiligen vloed, die toch niet, gelijk de ouden

geloofden, uit den oceaan kan ontspringen, nieuwe bronnen van rijkdom

hebben opgedaan."

"En?" vroeg Kleopatra, "wat maakt hij nu daar aan de Egyptenaars wijs?"

De kamerheer ging haastig naar de plaats waar Euergetes lag, en keerde

weldra terug tot de koningin, die intusschen eenige vriendelijke

woorden had gewisseld met den Joodschen generaal Onias, om haar

zacht mede te deelen, dat de koning eene plaats uit den Timaeus van

Plato verklaarde, waar Solon met lof spreekt van de hooge wijsheid

der priesters van Saïs, dat hij met vuur sprak en de Egyptenaars hem

luide hun bijval betuigden.

Kleopatra's gelaat betrok al meer en meer, doch zij hield het achter

haren waaier verborgen. Zij wenkte Philometor naderbij te komen en

fluisterde hem in 't oor: "Blijf in de nabijheid van Euergetes; het is

bedenkelijk, dat hij zich zooveel met de Egyptenaars inlaat. Hij legt

het er op toe hen welgevallig te zijn, en deze aanvallige duivel weet

ieder, dien hij in ernst voor zich wil innemen, in zijne strikken te

vangen. Hij heeft mij dezen avond verbitterd; ik laat u verder alleen.

"Tot wederziens op morgen!--ik wil de klacht van den Romein op mijn

dak mede aanhooren, want daar waait altijd een koeler stroom. Verlangt

gij daarbij te zijn, dan laat ik u roepen, maar eerst wensch ik hem

alleen te spreken, want hij heeft brieven van den senaat ontvangen,

die misschien iets gewichtigs inhouden. Tot morgen dus!"

Klea en Irene: roman · 第 12 / 28 题