Lysias behoorde tot die menschen, van wie men, wat zij ook zeggen,
niet onderstellen kan, dat het ernstig is gemeend. Zijne mededeeling,
dat hij eene dienares van Serapis voor geschikt hield om eene Hebe
voor te stellen, klonk zoo vroolijk natuurlijk, alsof hij kinderen
een fabeltje vertelde, maar zijne woorden werkten op allen die ze
hoorden als het geruisch van water, dat een schip binnendringt.
Publius was geheel verbleekt, en had eerst, nadat zijn vriend den naam
van Irene had uitgesproken, zijne kalmte eenigermate teruggekregen.
Philometor had met zijn beker op de tafel geklopt en opgewonden
uitgeroepen: "Eene dienares van Serapis als Hebe bij eene feestelijke
vertooning! Houdt ge dat voor mogelijk, Kleopatra?"
"Het is niet uit te voeren, volstrekt onmogelijk," antwoordde de
koningin op stelligen toon.
Euergetes, die evenals de anderen groote oogen had opgezet toen de
Korinthiër sprak, keek langen tijd zwijgend in zijn beker, terwijl zijn
broeder en zijne zuster nog verder hunne verwondering en afkeuring
uitspraken, en gewaagden van den eerbied en het ontzag, die zelfs
koningen voor priesters van Serapis moeten gevoelen. Eindelijk nam
hij zijn krans en den hoofdband weder af, streek zijn haar met beide
handen op en zeide toen dood bedaard en zeker:
"Wij hebben eene Hebe noodig, en nemen haar, waar wij haar
vinden. Wanneer gij aarzelt het meisje te laten halen, dan zal
het op mijn bevel geschieden. De priesterschap van Serapis bestaat
grootendeels uit Grieken, en hun hoofd is een Helleen. Lieden als
hij geven niet veel om een half volwassen kind, als zij er u of mij
genoegen mede kunnen doen. Hij weet zoo goed, als wij allen, dat de
eene hand de andere wascht. De vraag is alleen--want vrouwenmisbaar
zou ik liefst vermijden--of dit meisje al of niet genegen is te komen,
als wij haar roepen. Wat denkt gij er van, Lysias?"
"Ik geloof dat zij liever heden dan morgen uit hare gevangenis bevrijd
wil worden," antwoordde Lysias. "Irene is opgewekt van aard. Zij
lacht zoo natuurlijk en rein, als een spelend kind, en men laat haar
bovendien in hare kooi verhongeren."
"Dan ga ik haar morgen halen!" riep Euergetes.
"Maar," merkte Kleopatra op, haren broeder in de rede vallende,
"Asklepiodorus heeft ons en niet u te gehoorzamen, en wij, ik en
mijn gemaal...."
"Gij wilt u dat priestervolk niet tot vijand maken!" zeide Euergetes
lachend. "Als het nog Egyptenaren waren! Als men dezen aan hun
tempeldienst raakt, komt men er niet zonder kleerscheuren af. Maar wij
hebben hier, zooals ik zeide, met Grieken te doen. Wat hebt gij van
dezen te vreezen? Wat mij aangaat, kunt gij deze Hebe laten waar zij
is, maar ik heb mij nu eenmaal op deze voorstelling verheugd, en daarom
vertrek ik morgen zoodra ik zal uitgeslapen zijn, naar Alexandrië,
wanneer gij deze zaak niet in orde brengt, en mij, Herakles, niet de
bruid tegemoet voert, die de goden voor hem gekozen hebben. Wat ik
zeg, dat meen ik, en het is mijne gewoonte niet op eene zaak terug
te komen. Nu wordt het tijd, dat wij ons eens vertoonen aan onze
vrienden, die in het aangrenzend vertrek feestvieren. Zij beginnen
al luidruchtig te worden, en het zal ook niet vroeg meer zijn."
Terwijl hij dit zeide, rees Euergetes van zijn rustbed op, en wenkte
Hiërax en een kamerdienaar, die de plooien van zijn doorzichtig gewaad
in orde brachten. Philometor en Kleopatra fluisterden onderwijl,
de schouders ophalende en het hoofd schuddende.
Publius omklemde met zijne rechterhand den pols van den Korinthiër,
en beet hem in 't oor: "Gij moet hen niet helpen, wanneer gij prijs
stelt op mijn vriendschap. Zoodra het voegzaam geschieden kan, breken
wij op."
Euergetes wachtte niet gaarne. Reeds richtte hij zijne schreden naar
de deur, toen Kleopatra hem terug riep, en op zacht verwijtenden
toon zeide: "Gij weet dat wij gaarne de zeden der Egyptenaars volgen,
door alle wenschen te vervullen, die een vriend en broeder tegen zijn
geboortedag koestert. Maar daarom is het niet goed van u gehandeld,
dat gij ons iets tracht af te dwingen, wat wij u noode weigeren,
en toch niet kunnen vervullen, zonder ons bloot te stellen aan de
grootste moeilijkheden. Vorder, bidden wij u, iets anders en wij
zullen het u zeker toestaan als wij kunnen."
De jonge reus beantwoordde deze bede zijner zuster met luid gelach,
zwaaide met zijn arm, maakte eene afwijzende beweging met de hand en
zeide toen: "Het eenige wat ik gaarne zou willen hebben van alles wat
gij bezit, staat gij toch niet vrijwillig af; zoo blijve het dus bij
onze afspraak. Gij bezorgt mij mijne Hebe, of ik ga mijns weegs."
Kleopatra wisselde andermaal met den koning eenige korte woorden en
vluchtige blikken, en Euergetes keek haar daarbij brutaal aan, terwijl
hij de beenen uit elkander spreidde, zijn kolossaal bovenlichaam
voorover boog, en beide vuisten in zijne heupen zette.
Er lag in deze houding haars broeders zulk een overmoed, zulk een
jongensachtig drieste en onbeschaamde uitdaging, dat Kleopatra met
moeite een kreet van afkeer terughield, eer zij zeide: "Wij zijn nu
eenmaal broer en zuster, en zullen toegeven ter wille van den vrede,
die met zooveel moeite tusschen ons werd hersteld en bewaard. Het
beste zal zijn, dat wij Asklepiodorus verzoeken...."
Hier viel Euergetes haar in de rede met hard in de handen te klappen en
lachend te zeggen: "Zoo is het goed, zuster! Bezorg mij slechts mijne
Hebe! Hoe gij dat aanlegt is mij om 't even; dat is uwe zaak. Morgen
avond wordt er repetitie gehouden en overmorgen zal de voorstelling
plaats hebben, waarvan de kleinkinderen nog gewagen zullen. Aan eene
schitterende schare van toeschouwers zal het ook niet ontbreken,
want ik hoop dat zij, die mij komen gelukwenschen, zoowel die den
priesterband als die den wapenrok dragen, intijds aanwezig zijn.--Komt,
mijne heeren, wij willen eens zien, wat daar binnen aan de tafel voor
goeds te hooren en te drinken is."
De deuren werden geopend; de tonen der muziek, vrij luide gesprekken,
het gedruisch van klinkende bekers en schaterend gelach drongen door
in de zaal der vorstelijke personen, en alle gasten, met uitzondering
van den eunuuch volgden Euergetes.
Kleopatra liet hen zwijgend vertrekken! Publius alleen riep zij een
'tot wederziens' toe, doch den Korinthiër hield zij terug en zeide:
"Gij, Lysias, zijt oorzaak van deze moeilijkheid. Tracht alles weer
goed te maken, door het meisje tot ons te brengen. Weiger niet! Ik
zal over haar waken, zorgvuldig waken, verlaat u daarop!"
"Zij is een zedige jonkvrouw," antwoordde Lysias, "en zal mij zeker
niet gewillig volgen. Toen ik voorstelde haar de rol van Hebe op
te dragen, hield ik mij overtuigd, dat een woord uit den mond van u
beiden, den vorst en de vorstin, voldoende zou zijn om de bestuurders
van den tempel het verzoek te doen inwilligen, om haar voor eenige uren
aan ons toe te vertrouwen, terwille van een onschuldig spel.--Vergeef
mij dat ook ik u thans verlaat. Ik heb den sleutel der kast van mijn
vriend nog bij mij, en moet hem dien brengen."
"Zou men haar niet heimelijk kunnen wegvoeren?" vroeg Kleopatra haren
gemaal, nadat ook de Korinthiër de andere gasten gevolgd was.
"Als er maar geene aanranding plaats heeft en geenerlei geweld wordt
gepleegd!" zeide koning Philometor bezorgd. "Ik weet geen beter middel,
dan dat ik aan Asklepiodorus schrijf, en hem vriendelijk verzoek
deze Ismene, of Irene, of hoe het ongelukskind ook heet, voor eenige
dagen aan u toe te vertrouwen, omdat zij een gunstigen indruk op u
maakte. Ik kan het uitzicht openen op eene grootere akkerschenking
dan die van heden, welk ver beneden zijne verwachting is gebleven."
"Veroorloof mij u te verzoeken, verheven heer," zeide Eulaeus, die
nu met het koninklijk echtpaar alleen was, op onderdanigen toon,
"bij deze gelegenheid niets groots toe te zeggen, want zoodra dit
gebeurt zal Asklepiodorus aan uw wensch een gewicht hechten...."
"Dat hij niet heeft en niet hebben moet," zeide de koningin, hem in
de rede vallende. "Het is beneden onze waardigheid, ter wille van een
hongerig schepsel, een waterdraagster, zoovele woorden te verspillen
en zooveel onrust te hebben. Maar hoe brengen wij dit tot een goed
einde? wat raadt gij, Eulaeus?"
"Voor deze vraag zeg ik u dank, hooge vorstin," antwoordde de
eunuuch. "Mijn heer de koning moet, zou ik meenen, dit meisje laten
weg voeren, doch niet met geweld door een man, dien zij zeker niet
zoo spoedig volgen zal als noodig is, maar door eene vrouw.
"Ik denk hierbij aan het oude Egyptische sprookje van de beide
broeders, dat u zeker bekend is. De pharao wenschte de vrouw van den
jongste te bezitten, die op den cederberg woonde, en zond gewapende
lieden uit om haar te halen, maar van dezen kwam er slechts éen
terug, want Bataou had ze allen verslagen. Daarna werd er eene vrouw
uitgezonden met kostbare sieraden, waarop vrouwen zoo gesteld zijn,
en haar volgde de schoone naar het paleis, zonder weerstand te bieden.
"Besparen wij de moeite van boden te zenden, maar beginnen wij
terstond met de vrouw. Uwe speelgenoote Zoë zal zulk een opdracht
voortreffelijk vervullen. Wie kan ons iets verwijten, wanneer zulk
een ijdel meisje hare wachters ontloopt?"
"Maar iedereen zal haar als Hebe zien," zeide Philometor met een zucht,
"en ons, de beschermers van den Serapisdienst, voor tempelschenders
uitmaken, wanneer Asklepiodorus hun dit voorpraat. Neen, neen, eerst
moet de opperpriester gunstig gestemd worden. In geval hij zwarigheden
maakt, maar ook niet eer, mag Zoë beproeven, of zij slagen kan."
"Zoo zal het geschieden," zeide de koningin, als kwam het haar toe
de voorslag van haar gemaal te bekrachtigen.
"Laat mij uwe speelgenoote begeleiden," vroeg Eulaeus, en uw verzoek
aan Asklepiodorus voordragen. Terwijl ik met den opperpriester spreek,
moet Zoë het meisje op alle manieren trachten te winnen, en wat wij
willen doen, moet reeds morgen geschieden, anders komt de Romein
ons voor. Ik weet dat hij een oog heeft op Irene, die inderdaad zeer
schoon is. Hij schenkt haar bloemen, voedert zijn vogeltje met fazant,
perziken en andere lekkernijen, laat zich door zijn schatje, zoo
dikwijls het maar geschieden kan, in het Serapeum lokken, blijft daar
uren lang, neemt als een vrome aan de optochten deel, om de viooltjes,
die gij hem genadig hebt vereerd, te schenken aan zijne schoone,
die zeker liever koninklijke bloemen draagt dan andere."
"Leugenaar?" riep de koningin opeens, den hoveling in de rede vallende,
in zulk een hevige opgewondenheid, zoo bovenmate verstoord en buiten
zichzelve van verontwaardiging, dat haar gemaal van schrik een paar
passen achteruitdeinsde.
"Gij zijt een lasteraar, een snoode eerroover! De Romein valt u
openlijk aan, maar gij sluipt in het donker als de schorpioen, en
tracht uw vijand in de voetzool te steken. De schilder Apelles heeft
ons, kleinkinderen van Lagus, in de schilderij, waarop hij Antiphilus
ten toon stelde, voor lieden van uw gehalte gewaarschuwd. Als ik u
aanzie, denk ik aan zijn demon van den laster. Die spijt, die boosheid,
sprekende uit listige oogen, en die op haar offer loerende woede, welke
op het vuurrood gelaat te lezen staat, hebt gij beiden gemeen. Gij
zoudt wel willen, niet waar, dat die jongeling, dien de laster op
het doek van Apelles bij de haren met zich voortsleurt, onze Publius
was, en dat ook u die vuige holoogige gedaante van den nijd, en die
afzichtelijke vrouwen, list en bedrog, bijstand boden? Maar ik herinner
mij ook dien hoog ten hemel geheven arm, die de bescherming vraagt van
de godin en van den koning; ook den trouwen oprechten blik van dien
ter aarde geworpen knaap. En al is Publius Scipio mans genoeg, om zich
tegen openbare aanvallen te verdedigen, zoo zal ik hem toch beschermen
tegen elken aanval uit een hinderlaag.--Weg uit dit vertrek! Pak u weg,
zeg ik u, en gij zult ondervinden, hoe wij lasteraars straffen!"
Terwijl zij dus sprak, wierp Eulaeus zich voor de koningin op
de knieën. Kleopatra haalde diep adem; de snelle beweging harer
neusvleugels teekende hare gemoedsaandoening. Zij zag voor zich uit,
als merkte zij den eunuuch niet op, tot haar gemaal naar haar toeging
en met een hartroerende stem zeide: "Veroordeel hem toch niet, zonder
hem te hooren, en reik hem de hand om op te staan. Geef hem in elk
geval gelegenheid, uw toorn te doen bedaren, door ons de kruikdraagster
te bezorgen, zonder Asklepiodorus te vertoornen.--Maak het weer goed,
Eulaeus, en gij zult in ons een voorspraak bij Kleopatra vinden."
De koning wees met den vinger naar de deur. Eulaeus verwijderde
zich in diep gebogen houding, terwijl hij, achterwaarts gaande,
den uitgang zocht.
Toen Philometor met zijne gemalin alleen was, zeide hij op zacht
verwijtenden toon: "Hoe kondt gij u zoo onverstandig laten medeslepen
door uw toorn? Een trouw en verstandig dienaar, die tot de weinigen
behoort, welke nog in leven zijn van allen die onze moeder lief waren,
jaagt men toch niet weg als een onbekwamen oppasser. En welk groot
misdrijf heeft hij dan begaan? Is dat een vergrijp waarover men zich
zóo boos moet maken, wanneer een goedaardig oud man, van een jonkman,
die voor de wereld leeft en die niets van de geheimzinnige heiligheid
van Serapis begrijpt, zonder erg vertelt, dat deze behagen schept
in een meisje, hetwelk ieder bewondert die het ziet; dat hij haar
opzoekt en hare schoonheid met bloemen huldigt...."
"Met bloemen huldigt?" vroeg Kleopatra, op nieuw opvliegende. "Neen,
neen, men beticht hem, dat hij eene jonkvrouw, die aan Serapis
toebehoort, aan Serapis, zeg ik, vervolgt. Maar dat is eenvoudig
niet waar, dat is gelogen, en gij zoudt als ik hiertegen in verzet
komen, wanneer gij u boos kondt maken als een man en gij Eulaeus niet
gebruiktet voor vele dingen, waarvan ik wel kennis draag, al gelieft
gij ze evenals andere voor mij te verzwijgen. Laat hem het meisje
halen; doch hebben wij haar hier, en bevind ik, dat de klacht van
den Romein over Eulaeus, die ik morgen wil aanhooren, gegrond is,
dan zult gij zien, dat ik mannelijke gestrengheid genoeg bezit voor
ons beiden. Kom nu mede, want zij die daar binnen zijn wachten op ons."
De koningin verhief haar stem; kamerheeren en dienaars snelden toe,
hare schelpvormige draagstoel werd weder te voorschijn gehaald,
en weldra werd zij aan de zijde van haren gemaal, hoog in de lucht
zwevende, de groote zuilengalerij binnen gedragen, waar de grooten van
het hof, de bevelhebber der troepen, de aanzienlijkste der Egyptische
beambten, die uit de provinciën waren aangekomen, vele kunstenaars
en geleerden, alsmede de buitenlandsche gezanten in lange rijen waren
aangelegen, en die, daar het eigenlijke maal reeds was afgeloopen, den
wijn eer aandeden. De Grieken en de donkerder gekleurde Egyptenaars
waren hier ongeveer even talrijk vertegenwoordigd, doch onder hen,
en vooral onder de geleerden en officieren, bevonden zich ook vele
Israëlieten en Syriërs.
Het koninklijk paar werd door de feestvierenden met gejubel en
betuigingen van eerbied ontvangen. Kleopatra lachte zoo vriendelijk
als ooit te voren; zij wuifde ook nog met den waaier, nadat zij
den draagstoel had verlaten. Toch schonk zij aan niemand onder
de aanwezigen ook zelfs de minste opmerkzaamheid, want zij zocht
Publius, eerst in de nabijheid van het rustbed, dat voor haar was
open gehouden, daarna onder de andere Hellenen, de Egyptenaars, de
Joden en de gezanten. Doch zij vond hem niet, en toen zij ten laatste
den kamerheer aan hare zijde vroeg, waar de Romein zich bevond, werd
terstond de persoon geroepen, die met de zorg voor de gezanten belast
was. Deze was een zeer hooggeplaatst beambte, die tot taak had voor
de vertegenwoordigers van vreemde machten te zorgen. Hij was bij de
hand, want hij wachtte reeds lang op eene gelegenheid, om Kleopatra
den groet van Publius Cornelius Scipio over te brengen, en haar uit
zijn naam mede te deelen, dat hij zich naar zijne tent had begeven,
omdat er brieven uit Rome voor hem waren aangekomen.
"Is dat waar?" vroeg de koningin, terwijl zij haar waaier liet zinken
en den verzorger der gezanten streng aanzag.
"De triremis [13] Proteus, die van Brundisium komt," antwoordde de
aangesprokene, "is gisteren de haven van Eunostus binnengeloopen,
en een uur geleden bracht een bode te paard den brief. En zeker was
het geen gewone brief, maar het was een schrijven van den senaat;
ik ken den vorm en het zegel."
"En de Korinthiër Lysias?"
"Hij vergezelt den Romein."
"Heeft de senaat ook aan dezen geschreven?" vroeg Kleopatra scherp en
spottend. Daarna keerde zij den verzorger der gezanten den rug toe,
zonder hem te groeten, en zeide, terwijl zij zich tot den kamerheer
wendde, op afgemeten toon, als moest zij eene rechtszitting leiden:
"Koning Euergetes zit daar midden onder de Egyptenaars naast de
tempelgezanten uit het bovenland. Hij ziet er uit als hield hij voor
hen eene redevoering; zij hangen aan zijne lippen. Wat spreekt hij,
en wat moet dit weder beteekenen?"
"Vóor gij kwaamt, zat hij onder de Syriërs en Joden, en deelde hun
mede, wat kooplieden en schrijvers, die hij naar het Zuiden had
gezonden, bericht hadden omtrent de landen, die bij de meren liggen,
waardoor, naar men zegt, de Nijl stroomt. Hij meent dat zich bij
den oorsprong van den heiligen vloed, die toch niet, gelijk de ouden
geloofden, uit den oceaan kan ontspringen, nieuwe bronnen van rijkdom
hebben opgedaan."
"En?" vroeg Kleopatra, "wat maakt hij nu daar aan de Egyptenaars wijs?"
De kamerheer ging haastig naar de plaats waar Euergetes lag, en keerde
weldra terug tot de koningin, die intusschen eenige vriendelijke
woorden had gewisseld met den Joodschen generaal Onias, om haar
zacht mede te deelen, dat de koning eene plaats uit den Timaeus van
Plato verklaarde, waar Solon met lof spreekt van de hooge wijsheid
der priesters van Saïs, dat hij met vuur sprak en de Egyptenaars hem
luide hun bijval betuigden.
Kleopatra's gelaat betrok al meer en meer, doch zij hield het achter
haren waaier verborgen. Zij wenkte Philometor naderbij te komen en
fluisterde hem in 't oor: "Blijf in de nabijheid van Euergetes; het is
bedenkelijk, dat hij zich zooveel met de Egyptenaars inlaat. Hij legt
het er op toe hen welgevallig te zijn, en deze aanvallige duivel weet
ieder, dien hij in ernst voor zich wil innemen, in zijne strikken te
vangen. Hij heeft mij dezen avond verbitterd; ik laat u verder alleen.
"Tot wederziens op morgen!--ik wil de klacht van den Romein op mijn
dak mede aanhooren, want daar waait altijd een koeler stroom. Verlangt
gij daarbij te zijn, dan laat ik u roepen, maar eerst wensch ik hem
alleen te spreken, want hij heeft brieven van den senaat ontvangen,
die misschien iets gewichtigs inhouden. Tot morgen dus!"