Mijn uitgever, of, om juister te spreken, de uitgever van Holland,
is een beste, hupsche vent, met wien ik het altijd en in alle zaken
uitnemend heb kunnen vinden: er is maar één punt, waarover ik, sedert
ik hem als Redacteur ter zijde sta, het gedurig met hem aan den stok
heb gehad.
Hij beweert namelijk, dat wij bij de inrichting van onzen Almanak,
wat de keuze van de onderwerpen, zoo der stukken als der plaatjes,
betreft, er hoofdzakelijk naar moeten streven om u te behagen.
Dit ben ik volkomen met hem eens: maar hij beweert, dat ik zulks niet
genoeg in 't oog houde.
Hij zegt, dat ik er te veel in laat sluipen, van bloot
wetenschappelijken aard: dat de dames niet gediend believen van
zoodanige lectuur; dat die voor haar te droog is: dat ik in den
Almanak wat meer bloempjes en krulletjes en lieve portretjes moet
zien te krijgen: ja de hemel weet, wat hij mij al vertelt.
Op al die vertoogen heb ik hem steeds geantwoord, dat hij niet weet wat
hij zegt: dat ik 25 jaar langer dan hij ondervinding heb van hetgeen
aan beschaafde Dames al dan niet behaagt: dat onze Nederlandsche
vrouwen, vooral onze Nederlandsche meisjes, er in 't geheel niet op
gesteld zijn, beschouwd en behandeld te worden als wezens, die alleen
van futiliteiten gediend believen: dat zij even gaarne op zijn tijd
smaak vinden in een goed stuk ossevleesch en ingeleide snijboonen,
als in taartjes en ulevellen; of, om niet metaphorisch te spreken, dat
een historisch, ja ik zou haast zeggen een wijsgeerig vertoog haar nu
en dan even welkom is als eene romance of een liefdesverhaaltje. Ik
heb hem gewezen op de talrijke opkomst van het schoone geslacht
in de Rederijkerskamers, bij de opvoering der ernstigste en meest
classieke stukken: op het aantal beschaafde vrouwen, dat zich telkens
verdringt waar begaafde sprekers zich over bloot wetenschappelijke
onderwerpen doen hooren: op zoovele genootschappen, wier strekking
geheel ernstig is, en die in de jongste tijden uitsluitend door
vrouwen zijn opgericht, niet alleen tot een weldadig of godsdienstig
doel, maar ook tot het lezen en bestudeeren onzer dichters, ja
zelfs tot het ontvangen van onderricht in de sterrekunde, in de
natuurkunde of in de geschiedenis van China.... ik weet niet wat
ik er niet al heb bijgehaald. Maar 't heeft niet mogen baten. Hij
blijft--ja, zoo zijn die Boekverkoopers!--hij blijft maar beweren,
dat vermits almanakken als de "Holland" tot de werkjes behooren,
bestemd en (advertentie-stijl) bijzonder geschikt tot St.-Nicolaas-
of verjaarsgeschenken, het er eigenlijk minder toe doet--hier komt
het hooge woord er uit--hoe de Dames, die den Almanak misschien lezen,
maar zeker niet koopen, hem vinden dan wel, hoe haar vrijers enz. er
over denken. Dezen toch, naar een boekje uitziende, dat zij als een
welgevallig cadeau zouden kunnen aanbieden, letten daarbij minder op
de soliditeit van den inhoud, dan wel op een behaaglijk en smaakvol
uiterlijk, en zijn vooral gesteld op verguldsels, mooie plaatjes en
aanlokkelijke titels.
In één woord, hij meent, dat zoo ik, in plaats van een geleerd stuk,
als ik eerst voornemens was, eene bijdrage in den Almanak lever,
waarbij ik in 't bijzonder de Dames aanspreek en mij richte naar den
smaak, dien hij in haar veronderstelt, zulks hem wel een paar honderd
exemplaren meer zal doen verkoopen.
Bij een dergelijken redetwist moet een Redacteur wel altijd de
minste wezen.
Ik heb derhalve moeten eindigen met hem te beloven, dat ik aan
zijn verlangen zou voldoen:--en ik ben terstond gaan overleggen,
welk onderwerp ter bereiking van het vereischte doel het meest
geschikt ware.
Laat ik mij haasten u te zeggen,--eer gij mij beschuldigt van in
herhalingen te vallen, dat ik deze reize volstrekt niet verlegen was
om stof. Neen! die had ik in overvloed:--het kwam er alleen op aan,
eene goede keuze te doen.
Ik moet een onderwerp vinden, dat reeds door de aanlokkelijkheid
van zijn titel eene aangename lectuur beloofde, dat heel pleizierig,
heel vermakelijk, heel onderhoudend is, waarvan de bloote vermelding
elken anderen almanakschrijver deed bersten van klinkklare spijt,
dat hij er niet op gekomen was: in één woord, iets dol prettigs en
behaaglijks:--en ik vestigde daarom mijne keus op.... de spraakkunst.
Mij dunkt, dat ik reeds vanhier de gezichten zie, welke gij trekt,
en hoe gij opkijkt, als wildet gij vragen: "is het ernst?--of is het
eene flauwe mystificatie? wil Mr. Jacob Van Lennep den spot met ons
drijven? of is hij waarlijk van plan ons te onderhouden over het boekje
van A-SPA, of over dat oudere met een "Haan" voorop, of wel over die
dikke boeken, die men zegt dat Dr. Bril, of Dr. De Jager, of wijlen
de geleerde Heeren Bilderdijk en Kinker geschreven hebben? Nog eens,
is 't meenens, of is 't gekheid?"
Elke dezer beide onderstellingen zoude u kunnen nopen, zoo niet om den
Almanak geheel dicht--dan althans om de volgende bladzijden over--te
slaan en iets te zoeken, dat u meer belangwekkende lectuur beloofde.
Eilieven! doet dat niet: al ware 't maar, opdat mijn uitgever niet
zou kunnen zeggen, dat hij gelijk had.
Hoort ten minste vooraf wat ik bedoel wanneer ik zeg, dat ik u over
spraakkunst onderhouden wil.
Ik heb volstrekt geen plan om Philamintes of Belises van u te maken:
ik ken niets onverdraaglijkers dan eene geleerde vrouw:--of het
moesten twee geleerde vrouwen zijn.
Ik ben dan ook geenszins voornemens, mij in grammaticale bespiegelingen
te begeven: u van geslacht, getal en naamval, van onderwerp, voorwerp
en gezegde enz. enz. aan 't oor te malen. Wanneer ik van de spraakkunst
gewaag, neem ik dat woord in zijne eenvoudige beteekenis als de kunst
om goed en zuiver te spreken: en dan richt ik hetgeen ik daarover
zeggen wil tot u, omdat, over 't geheel, gij alleen de taal onzer
vaderen--ik moest liever zeggen onzer moederen--nog welluidend,
zuiver en onvervalscht spreekt.
Velen zullen beweren, dat hetgeen ik daar zeg eene paradox is: en
misschien zijt gij zelven nederig genoeg, om het er insgelijks voor te
houden. Ik wou dat gij te dien opzichte gelijk had: 't is een groot
voorrecht, eene paradox te hebben uitgevonden: en er is nauwelijks
een onder de mannen der wetenschap, van de wijsgeeren der oudheid af
tot aan den eersten lofredenaar eener belasting op de inkomsten toe,
die zich zonder dat een naam zou gemaakt hebben.
Ongelukkig is mijne bewering geene paradox, maar de uiting eener
eenvoudige waarheid, van welke ik sedert lang overtuigd ben, en die
ik, des gevergd, door bewijzen staven kan.
En toch--stellen de roman- en novellenschrijvers, als zij
hedendaagschen zeden beschrijven, onze Nederlandsche vrouwen niet voor,
als haar dagelijksche gesprekken met Fransche woorden doormengende?
Alleen een bewijs, dat die roman- en novellenschrijvers geene
beschaafde vrouwen kennen, of wel, dat zij elkander gedachteloos
napraten. Eene zoodanige voorstelling mocht geldig zijn veertig jaar
geleden: tegenwoordig laat hier te lande eene beschaafde vrouw, wanneer
zij hare moedertaal spreekt, zich bij ongeluk niet de honderdste
part uitheemsche en bastaardwoorden ontvallen, die sommigen onder
onze taalkundigen, mijn vriend Alberdingk Thijm bijvoorbeeld, zich
met opzet veroorloven.
Daarbij, lieve vriendinnen! het zuiver spreken zit hem niet in het
angstvallig vermijden van uitheemsche woorden of terminatiën. Ik zal er
u nooit hard over vallen, dat gij mij vraagt naar mijne familie en niet
naar mijn gezin: gij drukt u, mijns inziens, veel juister uit, wanneer
gij zegt mijne verklaring van straks voor een gracieus compliment
te houden, dan wanneer gij die eene bevallige plichtpleging noemt;
en ik hoor u liever een werk van mij amusant dan vermakende noemen.
"Maar," zult gij vragen, "wat dan verstaat gij er door, wanneer gij
zegt, dat wij alleen nog zuiver Nederduitsch spreken."
Ik zal u dit ophelderen: zuiver Nederduitsch te spreken is, naar mijn
begrip, onze taal naar den eisch te doen hooren, zoo wat vormen als
klanken betreft.
In beide opzichten hebt gij nog de oude, gezonde overleveringen
behouden, die de Dagbladschrijvers aan de eene zijde, en de
Schoolmeesters aan de andere, mooi op weg zijn te vernietigen.
Ik zal u eerst eens vertellen, aan welke misdrijven tegen de Taal
die Heeren zich dagelijks schuldig maken en vervolgens aantoonen,
dat gij u daarvan zuiver houdt, en waarom.
Vooreerst, wat de Dagbladschrijvers betreft, onder welke rubriek
ik mede rangschik de schrijvers van maand- of weekbladen en de
vertalers.--Daar hun bedrijf grootendeels bestaat in het overbrengen
van volzinnen uit eene taal, welke zij ten halve, in eene taal, welke
zij slecht verstaan, en zij daarbij doorgaans gejaagd en overhaast
te werk moeten gaan, zoo is het hun niet zoo erg kwalijk te nemen,
dat er over 't algemeen een pot-pourri uit hunne handen komt, waarvan
wel de woorden nu en dan Hollandsch, de samenstelling echter Fransch,
Engelsch of Hoogduitsch is.
En daar hun geschrijf de meeste lezers heeft, zoo sluipen
ongemerkt--met en benevens politiek, zedelijk en allerlei ander venijn,
waarmede wij ons hier niet hebben op te houden--die door hen gebezigde
vormen van samenstelling de schriften en de taal des onnadenkenden
binnen: en zoo hooren wij dagelijks volzinnen als:
"Zij hebben zich ontmoet en gesproken." (gallicisme).
"Die vrouw, schoon als zij is (anglicisme), zou mij niet weten te
behagen." (gallicisme).
"Die zakdoeken wasschen zich niet te best." (gallicisme).
"Ziedaar een opvallend verschijnsel." (germanisme).
"Er waren meerdere menschen aanwezig." (germanisme).
"In het eind, zij bedankte hem." (gallicisme).
"Ik durf" (voor: "ik mag") daar niet van eten, al laat gij het u
goed smaken."(germanismen).
"Zij zag hem met onwil aan," voor: "met tegenzin." (germanisme).
"Nu, wij willen zien." (anglicisme).
"Het gezelschap zat rond de tafel." (anglicisme, en, voor zooverre
Rotterdam eene voorstad is van Engeland, rotterdamisme).
"Ik heb van den zomer eene reis naar Londen gemaakt." (gallicisme).
"Wandelingen worden bij de vleet (en helaas! niet het minst door de
dames) gemaakt (gallicisme): afgezien van de moeite, aan het maken
van zulke dingen verknocht." (germanisme).
"Bij manden vol worden ons dagelijks bemerkingen aangevoerd, en worden
wij aan allerlei dwaasheden herinnerd." (germanismen).
"Zij was reeds dicht de zestig genaderd," (anglicisme).
"Een baardige Heer en zijn blondlokkig dochtertje." (allerlei-isme).
"U is wel goed." (geen taal ter wereld) enz. enz. enz. Ik zou er drie
jaargangen van "Holland" mee kunnen vullen.
En nu de schoolmeesters.
Ik bedoel hier natuurlijk het ras, de kaste, niet de individu's.
Wanneer een Franschman spreekt van épiciers dan meent hij daarmede
niet alle "kruideniers" zonder onderscheid.
Zoo ook geldt niet allen Schoolmeesters, en evenmin allen
Dagbladschrijvers of Vertalers, hetgeen ik hier van hen zeg. Er zijn
er onder, die zeer knap en verdienstelijk zijn, en, om met Boileau
te spreken:
Il en est jusqu'à trois que je pourrais nommer, maar ééne zwaluw
maakt geen lente, en de uitzondering bevestigt slechts den regel.
De Schoolmeesters dan--om tot hen terug te keeren--behandelen de
taal evenals Le Nôtre en zijne navolgers de tuinen en perken,
die zij hadden aan te leggen: alles moet precies even stijf en
regelmatig zijn: de rustbanken op gelijke afstanden en eene groote
bank aan 't eind: geen slingerbochten, geen verrassende wendingen,
geen bevallige ongelijkheden vooral, en dan alles volkomen geharkt,
geschoffeld en gesnoeid.
Volgens hen mag men b. v. nooit zeggen: "de plaats, waar hij van daan
kwam;"--maar: "de plaats, waar van daan hij kwam."
Nooit: "ik heb een huis gekocht, en er het dak afgenomen;" maar:
"het dak van hetzelve afgenomen."
En met de uitspraak, die zij zich geroepen achten te leeren, maken zij
't nog vrij wat erger.
Zij zijn zoo bevreesd, aan eene letter of syllabe onrecht te doen
ten koste eener andere, dat zij aan alle dezelfde waarde geven.
Zoo lezen en zeggen zij b. v.:
"Ik heb dikWIJLS aan mijNEN zoon geZEGD: joN-GelIN-G, het is eenE
moeielIJKE en kunstIge zaak, met mensCHen om te gaan."
In plaats van:
"'K heb dikw'ls an m'n zoon gezeid: jong'ling, 't is 'n moeil'ke en
kunst'ge zaak, met mens'n om te gaan," enz. enz.
Wat nu de mans betreft, voor zooverre zij geen dagbladschrijvers of
schoolmeesters zijn:
Een gedeelte hunner schrijft niet en spreekt er daardoor niet
slechter om.
Een ander gedeelte bezit eenige opvoeding;--doch, wanneer zij in de
noodzakelijkheid komen te schrijven en zich alzoo een zekeren stijl
te vormen, mistrouwen zij zich zelven en gaan te rade, waar zij
de beste voorbeelden meenen te zullen vinden, of wel zij schrijven
gedachteloos na.
Sommigen, en daaronder vooral de publicisten, de staathuishoudkundigen
enz., vormen hun stijl naar dien der politieke journalen.
Anderen, als de kooplieden, de winkeliers enz., vervallen ongemerkt
in den stijl, waarin de beursberichten of aankondigingen zijn vervat.
Weer anderen, en daaronder de praktizijns, de ambtenaren, de
bureaulisten, doorspekken hun gruwelijk Nederduitsch nog met de
stadhuis- en kanselarijtermen, die zij in hun beroep dagelijks hooren.
En dan boven en behalve dat, wanneer zij 't recht mooi willen maken,
flikken zij hun taal nog op met wat schoolmeestersgekunsteldheid.
Een lief Hollandsch, dat men per slot bekomt.
Met u, mijn waarde vriendinnen! is het anders gesteld:
In de eerste plaats, wanneer geleerde Taalkenners Hand-
of Woordenboeken schrijven, doen zij zulks, volgens hun eigen
prospectussen, alleen voor de (beschaafde?) mans, maar met de vrouwen
bemoeien zij zich niet. Uit den aard der zaak behoeft gij alzoo de
Taal niet te kennen.
Gij schrijft uw huishoudboek, de waschlijst, en voorts nu en dan een
enkelen brief aan ouders, kind of vriendin:--aan de zoodanigen in één
woord, voor wie gij u niet geneert. Uw stijl behoeft niet mooi, niet
kunstig, niet sierlijk te zijn: uwe taal niet zoo precies Siegenbeeksch
of Weilandsch: mits men maar verstaat wat gij bedoelt. En daardoor
juist blijft uw stijl los en ongedwongen, ja vormt hij zich zelven
en verkrijgt iets eigenaardigs;--en daardoor juist blijft uwe taal
in overeenstemming met uwe gesprekken, en vrij van stijve gemaaktheid.
In bedoel natuurlijk de zoodanigen onder u, die geene auteurs zijn,
en haar geweten niet bezwaard hebben met het lezen van politieke of
staathuishoudkundige vertoogen.
En wat uwe uitspraak betreft: gij spreekt uwe taal nog zooals gij
die van uwe moeders gehoord hebt, en de lessen van den "Hollandschen
meester" zijn gelukkig lang door u vergeten. Gij bewaart alzoo,
't zij dat gij schrijft, 't zij dat gij spreekt, nog het palladium
onzer Taal en Spraak: en ik ga mijn betoog hieromtrent evenals de
oplossing van een wiskundig voorstel sluiten, met te zeggen:
"Wat te bewijzen was."
Maar, wat nu verder?
Verder niets, of niet veel:--ik wilde in de eerste plaats u mijn dank
betuigen, en u den lof toebrengen, waar gij recht op hebt. Mogen allen
het met mij erkennen, dat, zoo nog hier of daar redelijk Neerduitsch
gesproken wordt, wij het alleen aan u te danken hebben.
Zoo uwe kinderen of broertjes op de scholen geoefend zijn geworden
in 't kunstmatig (!) lezen,--gij hebt er ten minste voor gewaakt,
dat zij natuurlijk bleven spreken.
Zoo men hun vertelde, dat men, van zaken gewagende, niet hy of zij,
maar dezelve gebruiken moest, gij hebt gezorgd, dat dit leelijke
woord althans nooit in de conversatie voorkwam.
Zoo men hun pa-ard en wee-reld, pa-ars en vers, si-jerp en pagie,
van-gen en Fran-schen, knip-je en doos-je leerde zeggen, gij hebt hun
geleerd, naar de wijze uwer moeders en grootmoeders, paird en waireld,
pairs en vairs, cherp en page, vang'n en france'n, knippi en dauche
[87] uit te spreken.
Nogmaals, voor dat alles dank ik u.
En nu mijn raad en mijn verzoek:
De eerste strekt alleen daartoe, dat gij u nooit laat wijsmaken, dat
de Grammaire, veel minder dat de Schoolmeesters de spraak beheerschen
moeten.
Waar het op taalwetten te pas komt, zijn de Schoolmeesters even slechte
beoordeelaars, als, waar sprake is van Landswetten, de Advocaten.
En toch, indien deze mijne stelling waar is, is zij dit ten opzichte
van de twee hier genoemde rassen uit twee volkomen tegenovergestelde
redenen.
Immers, de Advocaten willen altijd de bestaande wetgeving veranderd
hebben: en de Schoolmeesters daarentegen schreeuwen over elke
voorgestelde verandering moord en brand.
De eerstgemelden zijn mannen van beweging: de laatstgenoemden mannen
van behoud.
Nu, tegen dit laatste zou ik mij niet zoozeer verzetten,--indien
hetgeen die Heeren behouden willen, niet juist zoo willekeurig en
nieuwerwetsch ware; terwijl hetgeen gij behouden wilt, de aloude
vrijheid is in spraak en stijl.
Blijft--dit is nu ten slotte mijn verzoek--blijft die even wakker als
voorheen verdedigen: onderhoudt met elkander en bij uwe lievelingen die
wendingen in de volzinnen, die ongedwongen losheid in de uitdrukking,
die in 't oneindige genuanceerde verscheidenheid in de klanken, die
bevallige zachtheid in de uitspraak, welke onze Taal vanouds in den
mond van beschaafde vrouwen gekenmerkt heeft, en welke, in naam der
Heilige Eenparigheid, ons barbaarsch geslacht van Taalkenners ten
eenenmale zou wenschen uit te roeien en te doen vervangen
Door sijfflend mondgebies en rochlend keelgegrom,
Door kwekkend kwaakgeklep en snorkend neusgebrom.