Al had ook, na de roemrijke dagen van Willem den III, ons vaderland
zich niet weten te handhaven in den rang, welken het onder de
natiën van Europa bekleedde: al had het, bij zwakheid van bestuur,
bij overvloed en weelde, de kracht, die naar buiten werkt, verloren:
al voerden zijn legers in het veld, zijn gezanten aan de hoven, zijn
vloten op den Oceaan niet meer dien toon van overwicht en gezag,
waar vroeger koningen naar luisterden: toch toonde nog somtijds het
door overdaad verslapte, door gebrek aan oefening versletene lichaam
enkele oogenblikken, waarin de oude veerkracht scheen te herleven:
flikkeringen, welke aan den glans van een schitterend verleden deden
herdenken: phosphorische schokken, die nog voor een tijd lang de
ontbinding tegengingen, schoon zij die niet wisten te voorkomen.
Niet een echter van die verschijningen, welke getuigden, dat het
levensbeginsel nog niet was uitgedoofd, deed, toen zij plaats vond, een
treffender uitwerking dan de zeeslag bij de Doggersbank: een wapenfeit,
door beide partijen met den, aan elk betwistbaren, naam van overwinning
bestempeld, en dat, ofschoon het, als zoodanig, niet slechts geen
beslissend voordeel, maar een materieel verlies met zich bracht, echter
niet geheel zonder uitkomsten bleef. In de eerste plaats deed het zien,
dat de naneven der Trompen en De Ruiters nog niet van hun voorgangers
waren ontaard; en, dat, zoo onze zeemacht niet meer zoo geducht was
als voorheen, de schuld daarvan althans niet bij het zeevolk moest
gezocht worden. In de tweede plaats streelde het de eigenliefde der
bevolking, welke in dit luisterrijk voorval den dageraad van een nieuw
tijdperk, en niet het avondrood zag van een tijdperk dat eindigde:
het wekte den nationalen trots uit zijn sluimering op, opende een
blij verschiet voor velen, en deed aan de ouderen van dagen met
meer gelatenheid het hoofd ter ruste leggen. Ten derde schonk het
gelegenheid tot het aanrechten van prachtige maaltijden en blijde
volksfeesten: tot het uitdeelen van eeredegens en medailles: tot
het vervaardigen van fraaie vuurwerken en slechte verzen. Eindelijk,
en dit was van al die resultaten het beste en duurzaamste: het gaf
aanleiding tot het stichten van de Kweekschool voor de Zeevaart.
In 1785 te Amsterdam opgericht uit het voordeelig saldo der tot
aanmoediging van 's Lands zeedienst bijeengebrachte gelden, weldra
beroemd en bloeiend en aan haar doel voortreffelijk beantwoordend,
zag, tijdens de Fransche overheersching, en nauwelijks drie maanden
na de viering van haar vijf-en-twintig-jarig bestaan, de Kweekschool
haar vernietiging te gemoet: ja slechts de vaderlandsche trouw en
het verstandig dralen van hen, die door hun betrekkingen in deze
gebeurtenis gemoeid werden, hadden de wegvoering van haar fondsen
naar Frankrijk verhinderd, toen de omwenteling van 1813 haar in het
aanzijn behield. Gewis, het was een schoone dag, en die na acht en
twintig jaren nog levendig als de dag van gisteren voor mijn geheugen
staat, die dag van 28 Februari 1814, waarop dat feest van herstel werd
gevierd; die dag, waarop de man, aan wien de Kweekschool bijna alles
verschuldigd was, de groote, de beroemde, de beminnelijke Van Swinden
voor een luisterrijke schaar het woord voerde: waarop de Nederlandsche
vlag het scheepje op het binnenplein weder versierde: waarop één
gevoel van herademing en vreugd en dankbaarheid allen vereenigde.
Aan het uiteinde van den Buitenkant, met het uitzicht op de
Landswerf en het Oosterdok, verheft zich de gevel van het gebouw,
waarin voortdurend ruim honderdvijftig knapen tot de zeevaart worden
opgeleid. Maar niet allen zijn tevens in het gesticht aanwezig: een
derde heeft reeds de theorie met de praktijk verwisselt en oefent
zich op de verre baren in die stuurmanskunst, welke hun eens een
bestaanmiddel moet opleveren. Doch, hoe verwijderd ook, zij zijn
de zorg, de aandacht van het Bestuur der inrichting niet ontgaan;
want zij zijn slechts afgereisd om terug te keeren, om zich weder
onder de schooltucht te begeven, om verdere opleiding te erlangen:
en het is slechts na de tweede reis volbracht, of een achttienjarigen
ouderdom bereikt te hebben, dat de onmiddellijke zorg, maar niet de
voortdurende belangstelling van dat Bestuur hun ontgaat.
De Kweekeling, wel gekleed, wel gevoed, in gezonde en nuttige
lichaamsbewegingen geoefend, in al wat hem dienstig kan zijn
onderwezen, niet geplaagd met onnoodig onderwijs, geniet een gelukkig
lot: één voorrecht vooral heeft hij boven zijn tijdgenooten, en dit
stelt hij zeer op prijs. Hun vooruitzicht, immers van de zoodanigen
als een wetenschappelijke opleiding genieten, is onbestemd en
onzeker: zij weten niet, of jaren van arbeid en geduld hen ooit
aan den kost zullen helpen: of zij zich niet, na lang zwoegens,
met een sobere hulppredikersplaats, een onderwijzerspostje aan een
instituut, een praktijk, die geen brood geeft, of een mager ambtje,
waarbij al het geleerde niets baat, zullen moeten vergenoegen. Niet
zóó de Kweekeling: hij weet, dat, als hij zijn driejarigen cursus
behoorlijk heeft doorloopen, hij dadelijk met nut voor zich zelven
en voor anderen, zal kunnen werkzaam zijn. Wel paait de toekomst hem
met geene hersenschimmen, welke de wezenlijkheid zoo treurig teleur
stelt: wel acht hij (daar, sedert de instelling van het Instituut te
Medemblik, de Kweekschool uitsluitend tot de koopvaardij opleidt) zich
niet langer geroepen om een De Ruiter te worden: maar een stuurmans-,
een schippersplaats, 't zij aan boord van een Koopvaarder, 't zij in
dienst der Koloniale Marine, 't zij in die der Indische reederijen, een
eerlijk bestaan in één woord, dat mag hij toch zonder te hooggespannen
verbeelding als een bereikbaar doel beschouwen. Vrijwillig (want dit is
een voorwaarde zijner plaatsing), de Zeevaart tot zijn bedrijf gekozen
hebbende, is hij reeds zeeman op de school: hij draagt het zeemanspak,
eet als zeeman aan den bak, slaapt als zeeman in de hangmat, klimt als
zeeman in het want, leert als zeeman zeilen aanslaan en reven, het
schip op- en onttakelen, het touwwerk kennen, behandelen, splitsen,
knoopen, in één woord, hij mist van het zeeleven alleen de zee zelve
en haar gevaren. En is hij eenmaal aan boord, dan zal hij die gevaren
niet als onbekende schrikbeelden, maar als de noodwendige volmaking
zijner opvoeding beschouwen.