Onder de zoodanige typen, welke men alleen op Hollandschen bodem
ontmoet, en welke mitsdien in een galerij als deze niet kunnen
gemist worden, komt voorzeker een eereplaats toe aan de Hollandsche
Werkmeid. Ook zij heeft recht om op te treden, als vertegenwoordigster
van ons zedelijk volkskarakter, en biedt ons in haar bedrijf twee
eigenschappen aan, welke van oudsher die van onze natie zijn geweest:
werkzaamheid en zindelijkheid.
Van de eerste dier eigenschappen behoeven wij niet te spreken, noch
zelfs haar aanwezen bij de Werkmeid te betoogen, daar zij reeds
in den naam zelven ligt opgesloten en luie Werkmeid een anomalie,
een contradictio in adiecto zoude wezen. De dienstmaagd, waar wij
van spreken, heet Werkmeid, omdat zij is aangenomen om werk te doen,
en dus niet verondersteld kan worden anders dan werkzaam te zijn. Is
zij dit niet, dan valt zij zoomin onder onze beschouwing, als een
knaap, die niet rijden kan, in een werk van Engelsche typen, onder
de rubriek Jockey zoude kunnen bedoeld worden.
Zij is dus werkzaam,--en het doel van haar werk is--aan al wat zij
aanraakt een knap en helder voorkomen te geven. De zindelijkheid,
waarvan zij de type is, moet dus minder beschouwd worden als een
aangeboren hoedanigheid, als een deugd, welke haar versiert, dan
wel als een gevolg van haar bestemming; men prijst in de Werkmeid
niet zoozeer haar zindelijken aard, als het zindelijk werk, dat zij
levert; en ten dezen opzichte vooral is zij een afschaduwing onzer
Hollandsche natie.
Immers, men moet zich van de Hollandsche zindelijkheid geen verkeerd
denkbeeld voorstellen, noch er te luide op roemen, gelijk meermalen
uit verkeerden trots gedaan wordt. Zindelijk was vanouds bij ons
minder een deugd, dan een noodzakelijkheid, een voorwaarde van
ons bestaan. In een vochtig klimaat als het onze zouden de planken
spoedig wegrotten, de goten opgestopt raken, het water in de bakken
bederven, de kelders vol paddestoelen, de zolders vol schimmel,
de stoepen vol modder staan, indien men eens dorst afzien van dat
aanhoudend schrobben en boenen en schuren en wrijven. Maar, heeft men
die uiterlijke zindelijkheid van huis en huisraad dikwijls tot een
belachelijk uiterste gedreven, men heeft van een anderen kant in ons
land de zindelijkheid op zichzelven misschien te weinig toegepast: en
niet geheel zonder grond beweren de Engelschen, ja zelfs de Franschen,
dat zij van nature netter zijn dan wij. Wel zijn bij hen de huizen
verveloos, de stoepen en gangen niet zoo blank geschuurd als bij ons,
de trappen niet zoo zuiver van stof en smet, de koperen ketels niet zoo
glanzend;--maar daarentegen zijn kapsel, baard, handen, nagels, ja het
geheele lijf, meer dan bij ons, het voorwerp hunner bestendige zorg,
en halen zij van verbazing de schouders op, wanneer zij vernemen,
dat in de hoofdstad van Nederland slechts eene bad-inrichting kan
bestaan, welke bij uitsluiting door reizigers, en door stedelingen
niet als bij ordonnantie van den geneesheer, bezocht wordt.
Maar, keeren wij tot onze Werkmeid terug. Zij is gehuurd om het huis
met aanhoorigheden en meubelen schoon te houden, en deze bezigheid,
welke zij in den aanvang louter als plicht beschouwt, gaat weldra
bij haar tot liefhebberij, tot hartstocht over. Zie slechts, hoe zij,
ondanks de barre winterkoude, reeds lang voor den dag het koesterende
bed verlaat, om geknield voor den haard, die haar geen warmte geeft,
de asch van den vorigen avond weg te ruimen en voorts, de kruimels,
de pluisjes en todjes en al die andere naamlooze voorwerpjes, welke
ook in het knapste huishouden zich over het vloerkleed verspreiden,
op haar blik te vegen. Dit werk is volbracht: de stoffer wordt in
haar half bevrozen handen door den wrijflap vervangen: en, nog altijd
geknield, beijvert zij zich de plaat te schuren en aan het koper van
kachel of vuurhaard den getaanden luister terug te geven. Eindelijk
rijst zij op en verlaat het vertrek: nu worden de trap, de gang,
de stoep, al de meest beloopen plaatsen, aangeveegd of gestoft. Zij
treedt op de plaats, of bij gemis van die, op straat, met vloer- en
gangmat: en de teenen klopper gaat klapperend op en neer. Nu moeten
de kleeden er aan: een kameraad, of wel een gedienstige buurvrijster,
door het geklop oplettend gemaakt, komt haar hulp bieden, en de kleeden
worden uitgeslagen, onder een vrolijk gelach ten koste van den armen
voorbijganger, die op zijn even te voren uitgeschuierde plunje een
duim dik stof bekomt.
Ziedaar, met het beddenopmaken en ruimen der slaapvertrekken, (voor
zooverre dit ook tot de attributen der Werkmeid behoort) de bezigheid
van het morgenuur: maar dit is slechts een voorspel van het eigenlijke
werk, dat nu eerst beginnen zal. Elke kamer in het huis heeft haar
beurt: 't zij eens in de week, 't zij om de veertien dagen: en naar
die kamer begeeft zich thans de Werkmeid, als naar haar koninkrijk,
waar zij oppermachtig heerscht, en, benevens haar, tocht en stof en
theebladen en koude en ragebol en verwarring. Wee den onbezonnene,
die het waagt er binnen te treden: met schrik zal hij terugdeinzen,
bij het zien dier opeengestapelde stoelen, dier uit haar plaats
verschoven tafels en kastjes, dier door elkander gehutselde boeken
en papieren en sieraden en nondescripts: het is een chaos; maar,
als de Werkmeid het vertrek weer verlaat, zal uit dien chaos alles
schooner en heerlijker te voorschijn zijn gekomen.
Maar wie de Werkmeid in haar volle kracht wil aanschouwen, wandele op
een fraaien Zaterdag-morgen de Amsterdamsche hoofdgrachten langs. Dan
staan alle voordeuren open, al wijst ook de thermometer 10 graden
onder nul: dan stroomt het water bij emmers vol over stoep en gangen,
al moest het zich terstond herscheppen in een vloer van ijs, waar
het halve huisgezin op uitgleed en den hals brak: dan schijnt er aan
het boenen en schrobben geen einde te zullen komen. En o! dan is zij
heerlijk te aanschouwen, de Werkmeid, met haar blanke kornet, die
echt nationale dracht, met haar geruit boezelaar, haar opgestroopte
mouwen, haar witte kousen en hare holsblokken, welke juist de minst
sierlijke deelen van haar lichaam aan het oog onttrekken: dan is elke
beweging, welke zij aanneemt, geschikt om de vormen van haar kloeke
gestalte voordeelig te doen uitkomen: 't zij, dat zij den emmer in de
eene hand dragende, de heup aan de tegenovergestelde zijde met zwier
doet rijzen; 't zij dat zij, voorover gebukt, de rokken tusschen de
knieën geknepen houdt en tot model voor een studiebeeld verstrekt:
't zij, dat de ronding van den arm bevallig uitkomt bij het hanteeren
van den luiwagen: 't zij eindelijk, dat zij den glazewasschersspuit,
dat oorspronkelijk Hollandsch werktuig (hetwelk eens heel Bordeaux
in opschudding bracht, toen een Hollandsche vrouw, welke zich aldaar
had neergezet, het, benevens haar Werkmeid, met zich bracht), in
handen neemt en het geheele lichaam zich (zooals Bilderdijk het
ergens uitdrukt)
Slingert en buigt en verwringt.
Wat beklaagt men zich dan, dat er in onze voorname steden geene
fonteinen zijn? 's Zaterdags is elke burgwal, elke hoofdstraat een
fontein, waar honderden stroomnajaden, niet van brons of marmer, maar
vol kracht en leven, het water in sierlijke bogen naar boven persen,
het met vrolijk geklater tegen de hooge glasruiten doen ruischen,
en door de geheele buurt frischheid en koelte verspreiden.