Toen Dürer, nadat hij de laatste hand aan zijn schilderij der apostelen
had gelegd, het penseel neerlegde, deed hij het in de overtuiging, dat
dit zijn laatst groot werk was geweest. Wel maakte hij nog verscheidene
portretten zijner vrienden, zooals dat van Hieronymus Holzschuher,
dat hem bijna nog beter was gelukt dan dat van Frederik den Wijze
eenige jaren geleden, dat van Wilibald Pirkheimer en van den Magister
Filippus Melanchton, die voor de nieuwe school, die te Neurenberg
werd opgericht, meermalen daar was geweest. Doch nu kregen penseel en
potlood rust en moesten plaats maken voor de pen, die bestemd was om
de vrucht zijner wetenschappelijke studiën, die hij bij het beoefenen
zijner kunst niet had verwaarloosd, in boeken te openbaren.
Een ieder verbaasde zich, toen het eene boek na het andere verscheen
van dezen schilder bij uitnemendheid, die daarin getuigenis gaf van
de zeldzame veelzijdigheid en diepte zijns geestes. Nu hij zijn kunst
niet meer practisch beoefende, verdiepte hij zich in theoretische
studiën over het wezen zijner kunst, om hetgeen hij had gevonden als
een laatst aandenken aan de wereld na te laten.
Een jaar geleden had reeds een boekje, als voorlooper dezer studiën
het licht gezien onder den titel: "Onderwijs bij het meten met den
passer en het paslood bij lijnen, vlakken, en geheele lichamen, door
Albrecht Dürer bijeengevoegd en ten bate aller liefhebbers der kunst
met bijbehoorende figuren in druk gebracht." Hij droeg het boek op aan
zijn vriend Wilibald Pirkheimer en in de voorrede zei hij, dat hij
hoopte, dat het voor alle beoefenaars der kunst dienstig zou zijn,
niet alleen voor schilders, maar ook voor goudsmeden, beeldhouwers,
steenhouwers, schrijnwerkers en allen, die het meten noodig hadden. De
geheimen der proportieleer, waarin vroeger Luca Pacioli hem te Bologna
had ingewijd, kwamen hier tot algemeen nut aan het licht.
De gansche wereld was echter één en al verbazing, toen Dürer zich
op eens van een geheel nieuwe zijde deed kennen en bewees, dat hij
ook een meester in de vestingbouwkunde was. In October van het jaar
1527 verscheen een boek van hem onder den titel: "Onderricht ter
beveiliging van steden, kasteelen en dorpen."
Hij vervulde een plicht der dankbaarheid aan Keizer Maximiliaan,
door het op te dragen aan diens kleinzoon, Koning Ferdinand I van
Bohemen en Hongarije. De liefde tot zijn vaderland, en de begeerte
om het tegen de roofzuchtige aanvallen der Turken te beveiligen,
had hem aanleiding gegeven om zijn mededeelingen aan de vorsten te
doen en hun te leeren, hoe zij de vestingwerken in een goeden, tot
tegenweer geschikten, toestand moesten brengen. [25]
De grootste zorg en den meesten tijd besteedde Dürer aan de
proportieleer van den mensch.
Pirkheimer bood aan om een voorrede daarbij te schrijven en Dürer
nam het aan, doch onder vijf voorwaarden, die een nieuw, duidelijk
bewijs zijner bescheidenheid en nederigheid waren: ten eerste, dat
daarin geen enkel woord van lof mocht worden gebruikt; ten tweede,
dat er aan geen uiting van nijd mocht worden gedacht; ten derde,
dat er van niets anders sprake mocht zijn dan van hetgeen in het
boek stond; ten vierde, dat niets er in gebruikt was, dat uit
goede boeken was gestolen en ten vijfde, dat het boek alleen voor
de Duitsche jeugd was geschreven. Ten laatste koesterde de meester
nog een grooter plan: hij wilde in een uitgebreid werk, getiteld:
"Spijze voor schildersleerlingen," alles te zamen vatten, wat hij tot
nu toe in afzonderlijke werken had geschreven en door meer toevoegsels
een geheel scheppen, dat voor den kunstenaar een rijke schat zou zijn
en waarin alles, wat hij noodig had, werd gevonden.
Toch was hij er ver van, zich zelf en zijn eigen kennis tot algemeenen
maatstaf en alleen geldig richtsnoer te verheffen: integendeel, de
groote man was nooit met zichzelf tevreden en zei dikwijls, dat, als
hij na jaren een zijner werken terug zag, hij zich altijd schaamde over
de zwakheden en fouten, die hij er in ontdekte. In denzelfden geest
schreef hij in de voorrede van het door hem begonnen groote werk: "Ik
denk niet hoog van mijn kunst, want ik weet, wat mij ontbreekt. Daarom
raad ik een ieder aan om mijn fouten, zooveel in zijn vermogen is,
te verbeteren. Gave God, dat het mogelijk ware, dat ik de werken der
toekomstige groote meesters nu reeds mocht aanschouwen!
"Welk een hoogte zullen zij nog bereiken--zoodat ik daarbij in het
niet zal verdwijnen, als een heel klein beekje. En toch, als de vonk,
die ik heb doen gloren, door de volgende meesters wordt aangewakkerd
met hetgeen zij kunnen, dan kan daaruit mettertijd een vuur, dat met
zijn gloed de gansche wereld bestraalt, opgaan."