OOK EEN HERVORMINGSPREEK.

Bijna twee jaren waren voorbijgegaan.

In de week vóór Paschen van het jaar 1523 zat Albrecht Dürer met zijn

vrouw aan de groote tafel in de pronkkamer. Hij las met eerbiedig

gevouwen handen uit een groot boek, dat voor hem lag. Het was het

Nieuwe Testament, dat Doctor Maarten Luther in de eenzaamheid zijner

cel op den Wartburg in Duitsch gewaad had gestoken.

Op de terugreis had Dürer al spoedig gehoord, dat Luther niet dood

was, en die tijding had hem met nieuw leven bezield. Hij voelde zich

krachtiger en wat hij bij zijn terugkomst te Neurenberg had gezien,

was ook geschikt geweest om hem den moed terug te geven en een loflied

tot Gods eer op zijn lippen te leggen.

Voor alle andere steden was het Neurenberg geweest, die zich Luthers

zaak had aangetrokken. De adellijke geslachten waren voorgegaan met de

belijdenis van het Evangelie en hadden het mindere volk achter zich

aan getrokken. De Raad, wiens leden bijna allen beslist evangelisch

waren gezind, was in een moeilijke verhouding tot den Keizer, den Paus

en de bisschoppen gekomen, doch wist met bewonderenswaardige wijsheid

het scheepje hunner regeering over alle golven en klippen heen te

sturen. Doch Dürer had zijn vriend Pirkheimer in deerniswaardigen

toestand gevonden. Doctor Eck had zich werkelijk op hem gewroken en van

den Paus weten te verkrijgen, dat er in den naar Luther geslingerden

banbrief nog enkele andere namen waren opgenomen, waaronder Wilibald

Pirkheimer behoorde. Luther, die ridder zonder vrees en blaam, had

de pauselijke bul in het vuur geworpen en daarmee den Paus moedig

getrotseerd--Pirkheimer had evenwel den moed niet gevoeld om dien

held na te volgen.

Nadat hij te vergeefs had geappelleerd, kwam hij er toe om het

trotsche hoofd te buigen en zijn woorden te herroepen. Sinds dien

dag was hij geheel veranderd. Het bewustzijn, dat hij zijn innigste

overtuiging had ten offer gebracht, had den hoogmoedigen man gebroken

en maakte hem, die ook nog door het podagra werd gekweld meer en meer

eenzelvig. De leelijke zijde van zijn karakter kwam steeds meer op

den voorgrond, zoodat hij zich iedereen tot vijand maakte en voor

de weinige overgebleven vrienden een niet te genieten gezelschap

was. Hoe meer echter anderen zich van hem aftrokken, des te meer

moeite gaf hij zich om de vriendschap te behouden van dien eenen,

met wien hij van jongs af één hart en één ziel was geweest. En van

zijn kant deed Dürer al zijn best Pirkheimers zwakheden te verdragen

en hem weer eenigszins met het leven te verzoenen.

Het deed Dürer echter innig verdriet, dat zijn vriend hem niet

wilde volgen op den weg van het Evangelie. Het werd hem nu steeds

duidelijker, dat Pirkheimers geestdrift voor Luther niet was

voortgekomen uit een hart, bezield van de waarheid van Gods Woord,

maar ontstaan was uit den waan, dat Luther tot de humanisten behoorde

en met hem wilde strijden tegen de domheid en het bijgeloof van zijn

tijd; hij dacht, dat protesteeren Luthers eenig doel was. Toen Dürer,

overgelukkig in het bezit van het Nieuwe Testament in het Duitsch,

daarmee naar Pirkheimer was gesneld, was hij teleurgesteld en bedroefd

teruggekeerd, toen hij de onverschilligheid, waarmee zijn vriend dien

heerlijken schat had beschouwd, gezien had.

Uit deze droefenis wekte hem het heerlijke lied van den Wittenberger

nachtegaal, dat zijn medeburger, de meesterzanger Hans Sachs, had

laten weerklinken en waarin zijn hart mede jubelde--het klonk als

het geroep van den wachter, dat vele slapenden wakker schudt.

Nog werd zijn hart verkwikt en zijn geloof versterkt, toen hij

hoorde, dat de Prior uit het Augustijnerklooster te Antwerpen, die

zoo vriendelijk voor hem was geweest, ter wille van het Evangelie

in den kerker geworpen en ten vure gedoemd, als door een wonder

was ontkomen en veilig Wittenberg had bereikt. Ook zijn opvolger,

Hendrik van Zutfen, had zich daarheen begeven, toen de beulen hem

van den kansel hadden gerukt, doch de burgers hem uit den kerker

hadden bevrijd. En niet minder was zijn geloof versterkt door den

moed der twee monniken uit Brussel, Hendrik Voes, en Johannes Esch,

die andere afvalligen tot beschaming, met vreugde hun leven op den

brandstapel hadden geofferd voor het Evangelie.

Nu zat meester Dürer dus over zijn Duitschen bijbel gebogen en kon niet

genoeg er in lezen. Wel had hij Gods Woord reeds in het Duitsch gelezen

in de vertaling, die bij Anton Koburger het licht had gezien,--doch

wat voor Duitsch was dat! Het klonk als ravengekras vergeleken bij

het liefelijk gezang van den Wittenbergschen nachtegaal, dat het oor

streelde en van daar in het hart weerklonk. En zijn bewondering en

vereering voor het uitverkorene werktuig des Heeren namen voortdurend

toe.

Heden had het lezen in de Schrift nog een heel bijzonder doel. Hij

wilde zich voorbereiden op den ernstigen gang, dien hij met zijn

vrouw wilde ondernemen. Aan de algemeene begeerte gehoor gevend,

hadden de geestelijken van de St. Lorens- en Sebalduskerken besloten

nog een schrede voorwaarts te doen en het heilig Avondmaal volgens

instelling van Christus met brood en beker te vieren. Het duurde niet

lang of de klokken begonnen te luiden en de meester stond op om zijn

besten pelsmantel aan te doen; Vrouwe Agnes was reeds gekleed in haar

feestgewaad en wachtte op haar echtgenoot.

Op straat kwamen zij spoedig in het gedrang, want het volk stroomde

naar het bedehuis. Plechtig begon de heilige handeling. Aller hart

was diep getroffen door de woorden van den prediker en toen brood en

wijn werden rondgedeeld, voelde menig wakkere man een traan over zijn

wangen rollen.

Thuisgekomen sloot Dürer zijn vrouw in zijn armen en zeide: "Mijn

ziel maakt groot den Heer en mijn geest verheugt zich in God, mijn

Zaligmaker. Nu weet ik, dat Hij in mij leeft; Hij, die voor mij den

dood is ingegaan en die al mijn hoop is. O man Gods, Maarten Luther,

God zegene en behoede u! Hoe zal ik u vergelden, wat gij aan mij

hebt gedaan!"

Nog menig hinderpaal stond aan de ongestoorde uitbreiding der

Hervorming in den weg: de zaak des Heeren liep nog meer gevaar,

te worden geschaad door den dollen, oproerigen geest, die zich door

een verkeerd begrip van Christelijke vrijheid van den boerenstand had

meester gemaakt en door de waanzinnige dwepers, in wier oogen Luther

nog een halve papist was, en die hem "het gemakzuchtige vleesch"

scholden, dan door de woede van Rome. Maar juist te midden van deze

troebelen betoonde de Wittenberger monnik zich als de ware profeet

des Allerhoogsten en zijn aanzien steeg tot een reusachtige hoogte

in de oogen van hen, die hem begrepen, toen de wilde golven waren

bedaard en de stuurman met eerbiedwekkende kalmte aan het roer stond.

Dürer was vol van Gods Woord; als een dauwdroppel vol van

zonneschijn. Niet alleen las hij de Schrift, maar hij leefde er in

en hij voelde weder de behoefte, om wat hij zelf had doorleefd op

zijn eigen wijze aan het volk te verkondigen.

Wat Hans Sachs in woorden zeide, wilde hij in kleuren duidelijk

maken. En daarom greep hij weder naar het penseel, voelende dat hij

nog nooit met zooveel bezieling en geestdrift voor den schildersezel

was getreden; hij had een voorgevoel, dat, wat hij nu ging scheppen,

het allerbeste, wat zijn hand ooit gemaakt had, zou zijn.

In plaats van Maria, in wier verheerlijking hij zich tot nu toe

had verlustigd, bood hij der wereld het beeld van den Verlosser

aan. Evenals Luther Christus en Zijn alleenzaligmakende verdienste in

nieuwe talen predikte, zoo schilderde Dürer den Heer voor de oogen des

volks, hetzij in gesprek met de discipelen na het Heilig Avondmaal,

hetzij als offer op het kruishout, of alleen het hoofd vol bloed en

wonden. Op het laatste had hij al zijn kracht geconcentreerd; het was

als uit de diepste diepte van zijn ziel voortgekomen. Nooit was Jupiter

schooner, machtiger, aangrijpender door den besten der oud-Grieksche

schilders afgebeeld geworden, dan de Christus hier door meester Dürer.

En evenals Dürer Christus, den Verlosser, in zijn werk verheerlijkte,

zoo wilde hij met hetzelfde doel ook het Evangelie in kleuren brengen.

Reeds lang was hij het met zich zelf eens, op welke wijze dit te

doen. Hij wilde daartoe de gestalten afbeelden van hen, die het van

den Heer ontvangen en aan de wereld verkondigd hadden: de gestalten

der Apostelen Johannes, Markus, Petrus en Paulus en wel zoo, dat

Johannes en Paulus ten voeten uit werden geschilderd en de beide

anderen er achter, zoo dat alleen het hoofd en den hals zichtbaar

waren. Johannes en Paulus moesten als hoofdfiguren naar voren komen;

daarmee wilde Dürer het evangelisch geloof in beeld voorstellen.

De gestalte van Johannes, Luthers uitverkoren evangelist, wiens

gelaat aan Philippus Melanchton herinnert, is gehuld in een gelen,

met rood geverfden mantel over een groen onderkleed. Peinzend staart

hij met den een weinig achter hem staanden Petrus in zijn evangelie,

welks beginwoorden uit de Luthersche vertaling men lezen kan. Rechts

op het paneel staat Markus achter Paulus, die met innige liefde

en groote zorg is behandeld en waaraan Dürer al zijn kracht heeft

gewijd. Het was Dürer voornamelijk te doen om Paulus, Luthers groot

voorbeeld als verkondiger van het eenig ware geloof en daarin heeft

hij een kunstwerk, dat 's meesters roem luider verkondigt dan eenig

ander, geschapen. De Apostel bij uitnemendheid staat daar, gehuld in

een witten mantel, waaruit een groen onderkleed te voorschijn komt;

op zijn linkerarm, rust de bijbel, in de rechterhand houdt hij een

ontbloot zwaard, het zwaard des Geestes, dat is het Woord Gods, en

tegelijkertijd een aanduiding van de wijze, waarop hij zou sterven. De

breede, krachtige figuur staat daar in mannelijke, ridderlijke houding;

zijn door de zon gebruind gelaat, vol uitdrukking, wendt den strengen

blik naar links, alsof hij vandaar een naderbij sluipenden vijand

verwacht. Wien geldt dien toornigen blik? Tegen wien houdt de hand

krampachtig den greep van het zwaard omklemd? Het zijn de vijanden

van het kruis van Christus: aan den eenen kant de Paus, die het

Evangelie bederft door den warboel van menschelijke instellingen

en aan de andere zijde de dwepers, die door het misbruiken van de

vrijheid meer bederven dan doen vorderen.

De Apostelen spraken in duidelijke taal: maar het was den meester

er om te doen ook begrijpelijk te zijn voor het minst ontwikkelde

verstand, evenals Luthers woorden duidelijk waren voor het onnoozelste

boertje. Daarom voegde hij nog een uitvoerig bijschrift toe aan

zijn werk.

Boven het paneel links schreef hij: "Alle wereldlijke overheden in

deze gevaarvolle tijden moeten zorgvuldig waken, dat zij zich niet,

in plaats van door het Woord Gods, door menschelijke leeringen laten

leiden, want God wil niet, dat er aan Zijn Woord iets wordt toegevoegd

of daarvan afgedaan. Luister daarom naar deze vier voortreffelijke

mannen: Petrus, Johannes, Paulus en Markus."

Petrus zegt in het tweede hoofdstuk van zijn tweeden brief:

"Er zijn ook valsche profeten onder het volk geweest, gelijk ook

onder u valsche leeraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen

bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere, die hen gekocht heeft,

verloochenende en een haastig verderf over zichzelf brengende. En velen

zullen hun verderfenissen navolgen, door welke de weg der waarheid zal

gelasterd worden. En zij zullen, door gierigheid, met gemaakte woorden,

van u een koopmanschap maken; over welke het oordeel van over lang

niet ledig is en hun verderf sluimert niet.--Johannes in het vierde

hoofdstuk van zijn eersten brief schrijft: Geliefden! gelooft niet

een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn;

want vele valsche profeten zijn uitgegaan in de wereld. Hieraan kent

gij den Geest van God: alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus

in het vleesch gekomen is, die is uit God niet. Maar dit is de geest

van den antichrist, welken geest gij gehoord hebt, dat komen zal,

en is nu alreede in de wereld."

Terwijl deze woorden zijn gericht tegen de dwepers en sektenmakers,

zoo protesteert het bijschrift op het tweede paneel tegen Rome met

zijn leugen, bedrog en zedeloosheid. In het derde hoofdstuk van

den tweeden brief aan Timotheus zegt Paulus: En weet dit, dat in de

laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. Want de menschen zullen

zijn liefhebbers van zichzelven, geldgierig, laatdunkend, hoovaardig,

lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, zonder

natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed,

zonder liefde tot de goeden, verraders, roekeloos, opgeblazen,

meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods; hebbende een

gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend

hebben. Hebt ook een afkeer van dezen! Want deze zijn het, die de

huizen binnensluipen en nemen de vrouwkens gevangen, die met zonden

beladen zijn, en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden,

die altijd leeren en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen.

Markus schrijft in het twaalfde hoofdstuk van zijn evangelie: "En

Hij zeide tot hen in Zijn leer: wacht u voor de schriftgeleerden,

die daar gaarne willen wandelen in lange kleederen, en gegroet zijn

op de markten, en de voorgestoelten hebben in de Synagogen en de

vooraanzittingen in de maaltijden. Zij eten de huizen der weduwen

op en dat onder den schijn van lang te bidden. Deze zullen zwaarder

oordeel ontvangen." Er was een geheel jaar verloopen, voordat Dürer

dit meesterstuk, de kroon van al zijn werken, voleindigd had.

Nauwelijks was de laatste penseelstreek gedaan, of hij greep papier

en pen om er een brief bij te voegen aan hen, voor wie het werk was

bestemd. Het was hem dezen keer niet opgedragen, maar het was zijn

eigen hart geweest, dat hem aan het werk had gezet en dat hij het

aan zijn dierbare geboorteplaats zou opdragen, stond van het begin

af bij hem vast. De inhoud van den brief luidde aldus:

Edelachtbare, wijze Heeren!

Hoewel het reeds lang mijn wensch was, Uw Hoogmogendheid door mijn

onbeteekenende schilderkunst een aandenken aan te bieden, heb ik mij

door het gebrekkige daarvan laten weerhouden, wetende, dat ik daarmee

in Uw oogen niet zou kunnen bestaan. Dewijl ik echter in dezen laatsten

tijd een stuk heb geschilderd, waaraan ik nog meer zorg heb besteed dan

aan mijn andere schilderijen, acht ik niemand meer waardig, dit als

een herinnering te bewaren, dan U, hoogwijze Heeren! Daarom waag ik

het, U dit werk aan te bieden, met de dringende bede, dat dit kleine

geschenk U welgevallig moge zijn en genadig door U worde aangenomen

en dat Gij even welwillend voor mij zult willen blijven, als Gij tot

nu toe zijt geweest. Daarom zal ik naar mijn beste vermogen er naar

blijven streven, om Uw goedgunstigheid waardig te zijn.

Uwer Edelachtbaren Heeren onderdanige Albrecht Dürer.

Spoedig daarop ontving Dürer van den Raad het volgende schrijven:

"Dewijl Albrecht Dürer een schilderij met vier figuren als aandenken

heeft geschilderd en hetzelve den achtbaren Raad heeft gezonden en

vereerd, is door dien achtbaren Raad besloten, den genoemden Dürer

te zeggen, dat een achtbare Raad niet genegen is, dit schilderij op

die wijze in bezit te nemen; maar hoewel dezelve hem voor zijn werk

dankbaar is, en willens om het als aandenken te bewaren, zoo is dezelve

niet minder willens hem daarvoor te betalen, wat hij verdient. Wat hij

dus ook moge eischen, en al wilde hij ook niets eischen, zoo zullen

de oudere heeren het zelf bepalen en zal een eerlijke handel worden

gedreven door de Heeren Maarten Tucher en Sigmund Furer."

Meester Dürer weigerde, zooals te verwachten was, de waarde op te

geven en toen zond de Raad hem honderd gulden voor hem zelf, twaalf

gulden als hulde aan zijn vrouw en twee gulden fooi voor den knecht.

Het schilderij kreeg een plaats, die het waard was: het werd opgehangen

in het departement van financiën in het raadhuis. Van den muur klonk

zijn prediking. "Zijt getrouw en houdt vast aan Gods heilig Evangelie!"

Albrecht Dürer: Een levensbeeld · 第 65 / 70 题