De zomer was in het land gekomen, en Dürer, die de eerste bezending
goederen door andere naar Neurenberg had laten volgen, dacht er nu over
om naar huis terug te keeren. Hij durfde de reis nu wel ondernemen,
omdat zijn lichaamskrachten weer voldoende waren teruggekeerd.
Op St. Pieter en Paulus, den 29sten Juni, zat hij met zijn vrouw
in het kamertje de som der gemaakte onkosten te berekenen. Hij had
veel uitgegeven zoowel in geld als aan kunstwerken, want Dürer was
hooghartig en had de ondervonden vriendelijkheid rijkelijk vergolden
en soms meer gegeven, dan hij kon. Het was een heele som, toen hij
berekende wat hij in al dien tijd met teekenstift of penseel voor de
menschen had gewerkt--hij had voor niet minder dan honderd vijftig
personen hun portret gemaakt met potlood, houtskool of in kleuren
en toen Vrouwe Agnes hem vraagde, wat hem al die moeite en arbeid
had opgebracht, lachte Dürer en zei: "Het grootste gedeelte van mijn
arbeid heeft mij niets opgebracht, en toen ik mij voorstelde uit de
Nederlanden een goede winst mee te brengen, heb ik mij bedrogen. Nu
ben ik wel genoodzaakt honderd gouden guldens te leenen om naar huis
te kunnen gaan en gelukkig heeft de heer Imhoff zich daartoe bereid
verklaard."
Vrouwe Agnes was hierover wel wat ontstemd en antwoordde: "Ik had
wel kunnen denken, dat het zoo zou gaan. Gij verstaat nu eenmaal
de kunst niet om schatten op te leggen. Gij geeft veel meer weg dan
gij krijgt en hebt u menig keer in den nek laten zien. Maar over die
schade zou ik mij nog wel kunnen troosten, als die walvisch er maar
niet was geweest."
"De walvisch?" vraagde Dürer verwonderd.
"Ja zeker," sprak Vrouwe Agnes met nadruk, "aan dat monster alleen
wijd ik uw ziekte." Juist toen Dürer iets wilde antwoorden, werd er
geklopt en kondigde de waardin een bediende van den Raad der stad
aan. De man bracht de groeten van den eersten burgemeester over aan
den heer Albrecht Dürer en noodigde hem uit den volgenden morgen op
het raadhuis te verschijnen.
Op den bepaalden tijd ging Dürer daarheen en hij werd door de
hoogmogende heeren met bijzondere vriendelijkheid ontvangen.
"Wij vernemen, dat gij op het punt zijt naar Neurenberg terug te
keeren en wilden u daarom eerst vragen, hoe het u in het algemeen in
de Nederlanden en in het bijzonder in Antwerpen is bevallen?"
Dürer verzekerde, dat het hem zeer moeilijk viel te scheiden van een
stad, waar hij niet alleen geboeid was door haar grooten rijkdom en
heerlijke kunst, maar waar hem ook veel liefde en eer was te beurt
gevallen.
Toen kwam er een eigenaardig lachje op het gelaat van den heer, die op
Dürer toetrad en zijn hand op diens schouder legde, terwijl hij zei:
"Meester Dürer, ik weet er wel raad op, hoe gij aan dit moeilijke
afscheid zoudt kunnen ontsnappen: blijf hier! Geloof mij, gij zult
nog veel meer liefde en eer ondervinden, wanneer gij u voor altijd
bij ons wilt voegen! In naam van den Raad van Antwerpen bied ik u ten
eerste een vast jaargeld van driehonderd gulden aan, ten tweede een
stevig gebouwd, fraai woonhuis als eigendom, ten derde vrijdom van alle
belastingen en ten vierde ruime belooning voor alles, wat gij nog voor
den Raad zult werken. Ik verberg u niet, waarde Meester, dat Antwerpen
trotsch zou zijn, als de naam Albrecht Dürer op de lijst harer burgers
stond. Beslis dus en geef mij uw belofte te zullen blijven."
In pijnlijke verwarring stond Dürer daar. Die groote goedheid en
welwillendheid drukten hem als een last. Dat was toch waarlijk hem het
afscheid niet gemakkelijker maken! Want hoe schitterend de beloften ook
waren, hij kon ze toch niet aannemen. Aan Neurenberg hing zijn hart,
daar was hij ingeburgerd en zich een tehuis te scheppen in den vreemde
was hem onmogelijk. Nimmer zou dat zijn werkelijk tehuis kunnen zijn.
Hij overwoog deze gedachten, terwijl hij eenigen tijd zwijgend voor
den burgemeester stond, en deze, die zijn stilzwijgen naar zijn eigen
wenschen uitlegde, trachtte door het herhalen zijner dringende beden
hem tot blijven over te halen.
Nu was Dürer zich zelf weer meester en hij antwoordde: "God zegene
u voor de welgemeende vriendelijkheid, die gij mij bewijst. Het
smart mij, dat ik zooveel welwillendheid met een weigering moet
beantwoorden. Ik ben een kind van Neurenberg, mijnheer, Neurenbergsche
lucht heb ik van mijn vroegste jeugd af ingeademd, Neurenberger kunst
is mijn denken en leven en daarom behoor ik daar thuis en kan ik
niet tieren op een anderen bodem. Laat mij naar mijn geboorteplaats
terugkeeren, mijnheer--wat zoudt gij hebben aan iemand, wiens ziel
krank was en wiens hand verlamde!"
De burgemeester keek droevig en teleurgesteld. Hij deed geen enkele
poging om den meester tot andere gedachten te brengen, want aan den
klank zijner stem hoorde hij, dat er voor Antwerpen hier niets meer
was te hopen. En daarom nam hij van Dürer afscheid met de verzekering
van zijn groote spijt en teleurstelling. Tweemaal was de verzoeking,
om zijn geboorteplaats ontrouw te worden, Dürer genaderd: zestien
jaar geleden te Venetië, waar de Signoria hem door de aanbieding van
tweehonderd ducaten had getracht bij zich te houden en nu hier te
Antwerpen; doch beide keeren behaalde de trouw de overwinning.