EEN LIJKZANG.

Op een dag in Mei van het jaar 1521 zat Dürer alleen in zijn

kamertje. Op zijn gelaat waren de sporen van zijn ziekte nog duidelijk

zichtbaar en daarbij lag er nog een heel bijzondere treurigheid,

die zich nu en dan in een diepen zucht uitte, op te lezen.

Al de verstrooiingen van de reis hadden hem den man, wien hij voor het

heil van zijn ziel zooveel was verplicht, niet doen vergeten. Elk

nieuw uitgekomen boekje van Luther, dat hij onder de oogen had

gekregen, had hij gekocht en ijverig bestudeerd. Ook te Antwerpen,

waar hij veel tijd met de Augustijnermonniken had doorgebracht, had

het hem aan tijdingen omtrent Luthers lot niet ontbroken. Hij had hun

angst gedeeld, toen men hoorde, dat Luther door den Paus in den ban

was gedaan en met hen gejuicht, toen men de koene daad van den man

Gods vernam, om de pauselijke bul in het openbaar te verbranden,

waarmee hij bekende zich te hebben vrijgemaakt van de kerk des

Pausen, om alleen voor Gods eer te ijveren, nadat de opvolger van

Petrus den Heer Jezus opnieuw had verloochend. Eindelijk was het

bericht gekomen, dat Doctor Maarten zich te Worms voor den Keizer en

het Rijk zou verantwoorden, en zijn ziel had toegejuicht den held,

die alle waarschuwingen ten spijt, besloten was naar Worms te gaan,

al zouden daar ook evenveel duivels als pannen op de daken zijn.

Nu was er evenwel een nieuw, verpletterend bericht verspreid. Maarten

Luther, die op den Rijksdag met heldenmoed de waarheid van het

Evangelie had beleden en zich niet door het tandgeknars zijner

tegenstanders tot herroepen had laten dwingen, zou op den terugweg

verraderlijk zijn gevangen genomen en verdwenen, en behoorde nu

waarschijnlijk niet meer tot de levenden.

Nadat Dürer langen tijd met strakke blikken treurend had neergezeten,

nam hij zijn dagboek en gaf daarin lucht aan de smart, die hem

vervulde, met de woorden:

"Ach, Heer des Hemels, welke tijding omtrent Luther, den man Gods,

moet ik daar vernemen.

"Men dacht, dat hij veilig was door het vrijgeleide van een keizerlijk

heraut; maar toen zij bij Eisenach in een onherbergzaam oord waren

gekomen, had deze gezegd, dat Luther hem nu niet meer noodig had

en was hij weggereden. Spoedig werd de verraden, vrome, met den

H. Geest bezielde man, de heraut van het Christelijk geloof, door tien

ruiters omsingeld en ontvoerd. En of hij nog leeft, of dat men hem

heeft vermoord--ik weet het niet--zoo heeft hij dit lijden doorstaan

ter wille der Christelijke waarheid en omdat hij het onchristelijk

pausdom heeft bestraft, dat door het opleggen van zijn lasten, de

verlossing door Christus teweeggebracht, wederstaat. En ook daarom

heeft hij het geleden, omdat wij worden beroofd en uitgeplunderd en

ons datgene, wat wij in het zweet onzes aanschijns hebben verworven,

wordt ontnomen, opdat het op die wijze verkregene schandelijk door

nietsdoeners kan worden verteerd, terwijl dorstige, kranke menschen

van gebrek sterven. En bovenal bezwaart mij de vrees, dat God ons

misschien nog langer wil laten zuchten onder het juk der blinde,

valsche leer, die door menschen is bedacht en uitgevonden, waardoor

het heerlijk Evangelie ons op vele plaatsen verkeerd wordt uitgelegd

of ons geheel wordt onthouden.

"Ach, God in den Hemel, erbarm u onzer. O Heer Jezus Christus, bid voor

Uw volk, verlos ons te rechter tijd, bewaar in ons het echte, ware,

Christelijke geloof, verzamel Uw verdwaalde schapen door uw stem uit

de Schrift; help ons, dat wij Uw stem mogen kennen en geen verlokkend

geluid van menschelijke dwaling volgen, opdat wij, Heer Jezus Christus

niet van U wijken. Roep de schapen Uwer weide, die nog voor een deel

in de Roomsche kerk worden gevonden, en die door het opleggen van

lasten en de geldzucht des Pausen, door een valsche leer bedrogen,

zijn verstrooid, bij elkaar, desgelijks ook de Indianen, Moscovieten,

Russen en Grieken. Ach God, verlos Uw arm volk, dat door groote

pijn en tyrannie wordt gedwongen, tot dingen, die het tegenstaan,

en waardoor het steeds tegen zijn geweten moet zondigen. O, God,

nooit hebt gij met geboden der menschen een volk zoozeer belast als

ons, armen, onder het juk van Rome; terwijl wij toch, verlost door uw

bloed, vrije Christenen zijn moesten. O, almachtige, hemelsche Vader,

beschijn ons door Uw Zoon, Jezus Christus, met zulk een licht, dat

wij daarbij duidelijk kunnen zien, welke geboden wij moeten houden,

opdat wij de andere lasten, met een vrij geweten, op zijde kunnen

zetten en U, hemelschen Vader met een blij hart mogen dienen.

"En indien het waar is, dat wij hebben verloren den man, die

duidelijker heeft geschreven dan iemand anders, die in de laatste

tijden heeft geleefd, en die Gij zoo door Uw Geest hebt verlicht, dan

bidden wij U, o hemelsche Vader, dat gij Uw H. Geest wilt geven aan een

anderen man, die uw heilige Christelijke kerk van alle zijden weder

bijeenbrenge, opdat wij weder als Christenen mogen leven, en anderen

door ons leven bekeerd worden en het Christelijk geloof mogen aannemen.

"Maar, Heer, het is uw wil, voor dat gij oordeelt, dat evenals Uw

Zoon, Jezus Christus, door de priesters werd gedood en, uit den dood

opgestaan, ten hemel voer, het met Uw volgeling, Maarten Luther,

die door den Paus verraderlijk om het leven wordt gebracht, eveneens

zou gaan; hem zult gij verkwikking bereiden. En zooals gij over

Jeruzalem het oordeel van verwoesting hebt uitgesproken, zoo zult gij

ook de macht, die de stoel van Rome zich heeft aangematigd, te niet

doen. Och Heer, geef ons daarna het nieuwe, heerlijke Jeruzalem, dat

uit den hemel nederdaalt, waarvan in de Openbaring wordt gesproken;

het heilige, zuivere Evangelie, dat niet door de leer der menschen

is verduisterd.

"Opdat zulks geschiede, geef, dat ieder, die Luthers boeken leest,

zien moge hoe helder en duidelijk de leer is, die hij naar het

Evangelie verkondigt. Daarom moet men die boeken in waarde houden en

ze niet verbranden; beter ware het, dat men zijn tegenstanders, die

de waarheid wederstaan, in het vuur wierp met al hun leerstellingen,

die de menschen tot goden verheffen. Dat er toch nieuwe uitgaven

van Luthers boeken mochten verschijnen! O God, als Luther dood is,

wie zal ons dan in het vervolg het heilig evangelie zoo duidelijk

verklaren? Ach, God, wat zou hij in tien, twintig jaren nog veel voor

ons hebben kunnen schrijven! O gij, alle vrome christenen, beweent

met mij dezen, door Gods Geest bezielden man en laten wij Hem vragen

om ons een ander door den H. Geest verlicht man te zenden!

"O Erasmus van Rotterdam, waar blijft gij? Zie, wat de tyrannie der

onrechtvaardigen, de dwingelandij der wereldlingen, de macht der

duisternis vermag! Hoor, gij, strijder voor Christus, rijd naast

den Heer Jezus, bescherm de waarheid, verover de martelaarskroon,

gij zijt toch ook reeds een oud man. Ik heb van u gehoord, dat gij

u zelf nog twee jaren in staat acht om tot iets nut te zijn. Gebruik

die jaren voor het Evangelie; verhef uw stem, dan zullen de poorten

der hel, dan zal Rome niets tegen u vermogen. En als gij hier aan uw

Meester, Christus, gelijkvormig wordt en schande wilt lijden door de

leugengeesten van onzen tijd, waardoor gij misschien een weinig vroeger

zoudt sterven, dan zoudt gij te eerder uit den dood tot het leven komen

en door Jezus Christus worden verheerlijkt. Want indien gij uit den

beker drinkt, dien Hij heeft gedronken, dan zult gij met Hem regeeren

en rechtvaardig oordeelen, hen, die dwaas hebben gehandeld. O Erasmus,

handel zoo, dat God u roemen kan, zooals er van David staat geschreven,

want gij kunt het, voorwaar, gij kunt Goliath dooden; Uw God beschermt

de heilige, christelijke kerk. Leid ons in de eeuwige zaligheid, God,

Vader, Zoon en Heilige Geest, Gij, eeuwig God. Amen."

Dürer legde de pen neder en veegde zijn oogen af. Het was hem een

verluchting, dat hij zijn vol hart eens had uitgestort.

Maar het was hem nog niet genoeg: spoedig greep hij een stuk krijt en

gebruikte de kunst als tolk van zijn gevoel en als troosteres in zijn

smart. En op den grijsblauwen grond werd een cherubijn zichtbaar, die

jammerend, met de vleugels het aangezicht bedekt, alsof hij wil zeggen:

"Ach, dat gij zijt heengegaan, Maarten Luther, gij, profeet des

Allerhoogsten!"

Albrecht Dürer: Een levensbeeld · 第 61 / 70 题