De ontvangst, die Kardinaal Cajetanus te Rome te beurt viel,
toen hij zonder den aartsketter thuis kwam, was niet bepaald
aangenaam. Begrijpende, dat er met geweld niets viel uit te richten,
wilde de Paus nu iets anders probeeren. Het duurde niet lang, of er
kwam weer een pauselijk zaakgelastigde, die het slimmer aanlegde dan
de onhandige Kardinaal, opdagen, iemand, die den klauw in fluweelen
handschoenen verborg, terwijl hij trachtte den ketter door zijn gevlei
te vangen. En bijna gelukte hem dat ook: hij bracht Luther er toe
te beloven, dat hij zou zwijgen, indien zijn tegenstanders dit ook
zouden doen. Doch deze konden hun mond niet houden en zoo was Luther
ook van zijn belofte ontslagen.
Doctor Eck, professor te Ingolstadt, was de eerste, die den roem
wenschte te behalen om den geweldigen Augustijner te overwinnen. De
welbespraakte man wilde bij een dispuut in het openbaar bewijzen,
dat Luther een leugenprofeet en een kind des duivels was. Wel is
waar, daagde hij eerst niet Luther zelf tot een twistgesprek uit,
maar den Wittenbergschen professor Karlstadt; doch eigenlijk had hij
het toch op Luther voorzien en het gebeurde dan ook, dat, nadat hij
te Leipzig Karlstadt met zijn kwakzalversstem het zwijgen had weten
op te leggen, Doctor Maarten in het strijdperk trad, om een tweeden
kamp te ondernemen.
De oogen van de geheele wereld waren op dit tweegevecht gericht en
in groote spanning wachtte men op den uitslag.
Luther behaalde de overwinning en verkreeg daarbij veel nieuwe
volgelingen; en niettegenstaande dat, ging Eck, die ijdele Eck,
met opgericht hoofd zijn weg en deed alsof hij de overwinnaar was.
Doch daarmee wist hij alleen de aanhangers van Rome en de domme lieden
te misleiden--de overigen waren vertoornd op den schetteraar en des
te meer, toen men tot de overtuiging kwam, dat hij een doortrapt
huichelaar was, die datgene, wat hij met veel drukte verdedigde,
zelf in het geheel niet geloofde.
Wilibald Pirkheimers vrienden merkten in die dagen weinig van
hem. Hij had zich in zijn studeervertrek teruggetrokken en schreef
maar voortdurend.
Alleen Dürer en Doctor Bernard Adelmann werden nu en dan
bij hem toegelaten en op hun vragen naar de oorzaak van zijn
teruggetrokkenheid, antwoordde hij, dat hij geheel in beslag werd
genomen door het bestudeeren van een Grieksch schrijver.
Eenige weken later zag een klein boekje het licht, getiteld: "der
abgehobelte Eck" [24] een woordspeling op Ecks naam, die "hoek"
beteekent. De naam van den schrijver en de plaats van uitgave waren
er niet bij vermeld. Het was een bijtend spotschrift op den doctor
uit Ingolstadt, waarin niet alleen de theoloog, maar ook de drinker
en wellusteling Eck meedoogenloos aan de kaak werd gesteld.
De afgemaakte schuimbekte van woede. Hoe gemakkelijk had hij, die
's Pausen volmacht had, wraak kunnen nemen op den boosdoener, indien
hij hem maar gekend had! Eck stelde alle middelen in het werk om er
achter te komen.
Steeds las hij het geschrift op nieuw om er den schrijver van op
te sporen.
Ha! daar meende hij iets te hebben ontdekt: het moest bepaald door
iemand uit Neurenberg zijn geschreven, verschillende bijkomende
omstandigheden verrieden dit.
Iemand uit Neurenberg--wie kon dat zijn? Wederom peinsde
Eck en hij liet al de geleerden uit die stad aan zijn geest
voorbijgaan. "Spengler?"--Neen, van hem verwacht ik die onhebbelijkheid
niet; is er een ander die Latijn schrijft?--Pirkheimer?--
Op nieuw bestudeerde hij den stijl en nu ging hem op eenmaal een licht
op--hoe was het mogelijk, dat hij zoo lang gezocht en geraden had! Uit
die scherpe woorden keek hem Pirkheimers boosaardig lachend gezicht
aan. En nu kwam er een onheilspellende gloed in de zwarte oogen en
sissend klonk het tusschen de knarsende tanden: "Neem u in acht,
Wilibald, wij rekenen nog eens met elkander af!"
Ook de leden van den Humanistenkring kwamen spoedig op hetzelfde
spoor als Eck en verscheidene vragen werden er tot Pirkheimer over
het auteurschap gericht, doch de wijze, waarop hij het ontkende,
diende er slechts toe, om de verdenking te versterken!
Eck liet niets van zich merken en daardoor verdween langzamerhand
alle vrees uit Pirkheimers hart. Ook werd de aandacht van dit geval
na eenigen tijd afgeleid door een andere gewichtige gebeurtenis,
die aller gedachten innam. Keizer Maximiliaan was in het begin van
't jaar 1519 gestorven en de Rijksvorsten beraadslaagden met elkander
over de keuze van een troonopvolger.
In de laatste jaren van zijn leven had de afgestorvene de keurvorsten
voor zijn kleinzoon Karel, den opvolger der Spaansche kroon, trachten
te winnen, en de uitslag der verkiezing beantwoordde dan ook aan de
wenschen van den ontslapene, al moest het velen verbazen, dat een
man, die, in Spanje opgevoed, zelfs de Duitsche taal niet kende, het
Duitsche Rijk zou regeeren en dat, terwijl hij nog een jongeling was,
die pas twintig maal de rozen had zien bloeien.
Meer dan iemand anders betreurde meester Dürer het heengaan van den
edelen, ridderlijken Maximiliaan. Met hem verloor hij een beschermer,
van wien hij nog veel had verwacht: verdere opdrachten van kunstwerken
en daarbij het jaargeld, dat hem voor zijn werken was beloofd. Wat
kon hij in dit opzicht van den nieuwen keizer verwachten? Hij was hem
geheel vreemd en ongetwijfeld zou hij in de eerste jaren heel wat
anders te doen hebben dan de kunst te beschermen. Toch dacht Dürer
er over, te trachten den nieuwen souverein te naderen en zoowel zijn
vrouw als zijn vrienden versterkten hem in dit plan.
Deze overleggingen en zijn belangstelling in den gang der zaken op
godsdienstig gebied brachten er toe bij, dat hij betrekkelijk weinig
tijd aan de kunst wijdde. Nadat hij nog een tweede en grooter portret
van Kardinaal Albrecht op diens verlangen had gemaakt, wenschte
hij den dierbaren, overleden keizer te verheerlijken door een werk
ter zijner herinnering te maken. Verscheidene malen schilderde hij
's keizers portret in olieverf en ten laatste wijdde hij aan de
gedachtenis van den geliefden vorst een groote houtsnede, die zijn
apotheose voorstelde, zijn opnemen in het Rijk der zaligen. In het
voorhof des hemels knielt Keizer Maximiliaan voor God, den Vader,
en legt schepter, zwaard en rijksappel, waarvan hij nu rekenschap
moet geven, neder aan de voeten van den Heer der heirscharen. Rondom
staan zes der voornaamste heiligen en schutspatronen als vrijpleiters
geschaard. Onder het werk doelen vier latijnsche versregels op de
beteekenis van het geheel.
Dürer had zijn geheele hart in dit werk gelegd en daarin het beste,
wat hij had, gegeven; menige traan was op het papier gevallen, te
meer daar nog een andere slag hem had getroffen en zijn hart had
week gemaakt--zijn oude meester Wolgemut, dien hij als een vader had
bemind en geëerd, was gestorven. Het diepe gevoel, dat de meester in
dit werk had gelegd, het innig weemoedige, dat er uit sprak, miste
zijn uitwerking dan ook niet en maakte ieder pas recht duidelijk,
wat men aan Keizer Maximiliaan had verloren.