Er waren bijna vier weken voorbijgegaan, toen op zekeren avond de
meid meester Dürer bij zijn thuiskomst berichtte, dat de secretaris
van den Raad er was geweest en ten hoogste had betreurd meester Dürer
uit te vinden. Hij had er bij gevoegd, dat in geval deze spoedig thuis
mocht komen, hij dadelijk naar het Augustijnerklooster moest gaan.
Terstond ging Dürer er dus weer op uit en liep met groote stappen
naar het genoemde klooster.
Hij vond al de broeders bij elkaar in de groote eetzaal.
"O, waarom waart gij zoo straks niet hier, Meester Dürer," riep de
prior den binnentredende toe. "Nu is het te laat!"
"Wat is er gebeurd?" vraagde Dürer ontsteld.
De prior kwam naderbij, reikte hem de hand en zei: "Hij, dien gij
zoozeer hebt verlangd te aanschouwen, zat een uur geleden hier op
deze plaats."
"Luther?" vraagde meester Dürer snel.
"Ja, Luther," bevestigde de prior. "Wij hebben hem gezien, wij hebben
met hem gesproken--o, ik zegen den dag, waarop de gezegende des Heeren
onzen drempel heeft overschreden."
Dürer was ontroostbaar over de teleurstelling, dat hij op het
juiste oogenblik niet tegenwoordig was geweest en nu wilde hij ten
minste alle nadere bijzonderheden hooren. Hij vernam, dat Luther
te voet van Wittenberg was gekomen en doodmoe bij de broeders was
aangeland. Men had hem toen gespijsd en gelaafd en broeder Link had
hem zijn pij gegeven, daar hij in zijn eigen oude pij, door de stof op
reis ontoonbaar geworden, onmogelijk voor den gezant van den heilige
Vader kon verschijnen.
Verder vertelde men, dat Link had aangeboden, hem naar Augsburg te
begeleiden en dat zij een half uur geleden samen waren afgereisd.
"En hoe was hij, Dr. Martinus?" vraagde Dürer met groote
belangstelling.
Eenige oogenblikken zweeg de prior met terneergeslagen blikken;
toen vervolgde hij:
"Hoe zal ik u dat duidelijk kunnen maken? Eerst schrok ik, toen
ik hem zag aankomen, van zijn holle, bleeke wangen, waarop als
het ware de dood staat te lezen. En ik zag daaruit de gevolgen van
zijn zelfkastijdingen in het Erfurter klooster, waarvan men mij had
verteld. Maar ik werd bijna verblind, toen ik zijn oogen zag. Meester
Dürer, als gij die oogen had gezien, zoudt gij terstond hebben
gezegd: dat is een man Gods, een profeet des Allerhoogsten! En als
gij die oogen moest schilderen--al zijt gij nog zulk een uitstekend,
hooggeroemd kunstenaar, zulke oogen en de ziel, die daaruit spreekt,
op het doek te brengen, neen, dat zou onmogelijk zijn. Ik zie ze nog
steeds voor mij, die groote, donkere, diepe oogen; het was mij alsof
hij daarmee tot in het diepst van 's menschen ziel kon lezen. En dan
zijn stem, zijn taal--juist zoo stel ik mij Elias, den profeet van
Jehova voor."
"En wat zeide hij van zijn gang naar Augsburg?" vraagde Dürer verder.
"Hij was op alles voorbereid," antwoordde de prior. "Hij voorzag heel
goed, dat hij als offer was bestemd, dat de paus hem door list wilde
vangen en naar Rome sleepen; toch ging hij getroost in den naam des
Heeren, die, als hij verloren ging, uit elken steen een Martinus
kon verwekken."
In Dürers ziel kampten velerlei aandoeningen om den voorrang; diepe
ontroering en hartverheffende gedachten wisselden af met wrevel over
de teleurstelling Luther te hebben gemist. Eindelijk vraagde hij,
of Luther niet gezegd had, welken terugweg hij zou nemen, wanneer
het misliep met de booze bedoelingen van Rome. Doch men zei hem,
dat Luther daarvan met geen enkel woord had gerept.
Iedereen te Neurenberg, en Dürer in het bijzonder, wachtte nu in groote
spanning op tijding uit Augsburg; maar de berichten, die kwamen,
waren zeer met elkander in tegenspraak. Sommigen zeiden, dat Luther
zeer welwillend door den kardinaal was ontvangen; anderen beweerden,
dat de pauselijke gezant hem hard had bejegend en had gezegd, dat
hij het beest met de donkere oogen niet meer wilde zien.
Toen kwam op den 16den October 's avonds laat Wenzel Link, die Luther
naar Augsburg had vergezeld, terug--alleen, en vervulde door zijn
berichten de stad met vrees en beven. Hij vertelde, dat hij de vlucht
had moeten nemen, omdat hij zijn leven niet zeker was en wat er met
Luther, die nog een geschrift om te appeleeren wilde overreiken,
zou gebeuren, dat wist God alleen.
Ten huize van Kaspar Nützel kwamen vele aanzienlijken bijeen om te
beraadslagen, wat zij te doen hadden, in geval, dat het met Luther tot
het uiterste kwam, maar niemand wist wat hierin te raden. Aller gemoed
was bezwaard, niemand dacht aan arbeiden, zelfs de raadszittingen
konden niet doorgaan door de afwezigheid van het meerendeel der
raadsheeren.--
Op Donderdag, den 21sten October, reden 's morgens vroeg twee ruiters
de Vrouwepoort te Neurenberg binnen; zij zagen er wonderlijk uit, ten
minste de een, want dat was een monnik in zijn pij, hetgeen al heel
vreemd stond voor iemand te paard, zoodat ieder, die hem tegenkwam,
bleef staan en verwonderd den rijdenden kloosterbroeder nakeek. De
andere ruiter was een man met een grijzen baard en een gerimpeld
gelaat; hij was tot de tanden toe gewapend. De ruiters vraagden
den weg naar het Augustijnerklooster en gingen, toen zij daar waren
aangekomen, met het paard aan den teugel, den tuin binnen. Even daarna
werd de klopper driemaal haastig op Dürers deur neergelaten. Het was
een monnik, die de boodschap bracht, dat meester Dürer terstond naar
het klooster moest gaan.
Met een voorgevoel, wien het gold, snelde Dürer naar buiten, geheel
zooals hij was en in zijn haast ternauwernood zich den tijd gunnende
om zijn baret van den haak te nemen. Hij had zich niet bedrogen; de
monnik vertelde hem onderweg, dat Luther vergezeld van een gewapend
ruiter uit Augsburg als vluchteling was aangekomen en in het klooster
eenige rust wilde nemen. Met kloppend hart trad Dürer het klooster
binnen. Allen waren weder in de eetzaal te zamen gekomen en men kon
het hun aanzien, welk een diepen indruk deze gebeurtenis op hem maakte.
Tevergeefs echter zochten zijn oogen Luther en op zijn vraag naar hem,
hoorde hij dat deze bij den prior in diens cel was, om het schrijven
van Spalatinus, den hofprediker van den Keurvorst van Saksen,
dat ondertusschen voor hem was gekomen, te lezen. En werkelijk,
nog voordat Luther eenige spijs ter verkwikking had genuttigd, had
hij zich teruggetrokken om dezen brief te lezen. Hij zag daaruit,
dat hij alle reden had, om de Augsburgsche vrienden, die bij hem op
deze nachtelijke vlucht hadden aangedrongen, dankbaar te zijn, want
Spalatinus deelde hem mee, dat, in een brief van den Paus, Kardinaal
Cajetanus de opdracht had gekregen, Luther, dien verstokten ketter,
hoe dan ook, in zijn macht te brengen, aan Rome uit te leveren en
den ban uit te spreken over al zijn volgelingen en over alle steden
en landen, waarheen deze zoon des satans zich zou begeven.
Het duurde geruimen tijd, voordat Luther zich weer liet zien. De brief
van Spalatinus en zijn lichamelijke uitputting hadden hem zoozeer
aangepakt, dat hij rust en nadenken noodig had. Hij bekommerde zich
weinig om het gevaar, dat hem zelf dreigde; doch dat anderen om
zijnentwil zouden lijden, deed hem verdriet. Om deze laatste reden
wilde hij dan ook niet lang in Neurenberg blijven en hij ging naar
de eetzaal terug, waar een ontbijt voor hem gereed stond. Dürer, die
zich achter in de zaal had teruggetrokken, stond hem onbewegelijk met
groote oogen aan te staren; het was alsof hij betooverd was. Dat was
hij dus, de profeet des Heeren met die zielvolle oogen, die zoo diep
in de waarheid zagen; dat was dus die onverschrokken, dappere man,
die gedurfd had wat niemand had gewaagd; dat was hij dus, wien hij de
redding uit zijn zielsangsten had te danken! Meester Dürer bleef schuw
in zijn schuilhoek, om daar te luisteren naar de woorden, die Luther
onder het eten met den Prior en zijn vriend Link wisselde. Toen hij
echter, nadat hij had gegeten, opstond en een kloosterbroeder toeriep,
dat de knecht de paarden moest voorbrengen, verzamelde Dürer al zijn
moed, trad uit zijn schuilhoek te voorschijn en ging naar Dr. Maarten
toe. "Eerwaarde heer Doctor, neem ook uit mijn mond een zegenbede
op reis mee. Reeds sedert lang behoor ook ik tot hen, die u eeren en
voor u bidden."
"Hoe heet gij?" vraagde Luther vriendelijk.
"Albrecht Dürer," was het antwoord.
Toen begonnen de groote oogen van den doctor te schitteren en met een
geheel veranderden klank in zijn stem sprak hij: "Albrecht Dürer, gij,
heerlijk kunstenaar, wees gegroet. Zie, ook ik heb u hartelijk lief en
bewonder uw kunst, die mij reeds menig genot heeft bereid. God helpe
u verder op den weg der waarheid, opdat gij daarin wordet bevestigd
en de waarheid u vrij make!"
"Dat geve God!" antwoordde Dürer warm, "u evenwel, die door den Paus
en de goddeloozen wordt bedreigd, beveel ik in de bescherming des
Almachtigen, opdat gij over de boosheid uwer vijanden moogt zegevieren
en het veld behouden."
"Heb dank, Meester Dürer!" antwoordde Luther innig en hij drukte
den spreker de hand. "Mijn leven is in Gods hand en ik stel mijn
vertrouwen op den levenden God; daarom vrees ik geen mensch, al was
het de Paus of de duivel zelf."
Buiten in den kloostertuin, hoorde men hoefgetrappel; toen nam Luther
van allen haastig afscheid, steeg te paard en draafde met zijn geleider
weg. Men zag hem langen tijd na, totdat zij op de Wijnmarkt den hoek
omsloegen en verdwenen.
"Heden is dit huis zaligheid geschied en mij ook," sprak Dürer, diep
bewogen. "Nu weet ik het ook heel zeker, dat Doctor Maarten Luther
de zwaan is, waarvan Johannes Hus stervend voorspelde, dat hij over
honderd jaar zou komen. En ik bid van God, dat zijn voorspelling
geheel moge worden vervuld; dat men, nadat men den gans misdadiglijk
heeft gebraden, den zwaan ongebraden zal moeten laten!"