Op een schoonen Junimorgen, toen de zon vroolijk scheen, reden drie
aanzienlijke heeren te paard de Vrouwepoort van Neurenberg uit, op
eenigen afstand gevolgd door zes kranige knechten, met zware valiezen
beladen. Het waren de vertegenwoordigers der stad in den Rijksdag,
dien Keizer Maximiliaan te Augsburg had bijeengeroepen: de raadsheer
Kaspar Nützel, de stadssecretaris Lazarus Spengler en meester Albrecht
Dürer. Eerst was het plan geweest, dat slechts de twee eerstgenoemden
zouden gaan, later besloot men den laatste ook te zenden, om den
keizer, bij wien Dürer in hooge eer stond, genoegen te doen.
"Het zal warm worden," beweerde meester Dürer na eenigen tijd,
"de zon brandt reeds op mijn rug."
"In Augsburg zullen we het nog warmer krijgen," antwoordde Spengler
lachend. "De belasting, die de paus eischt voor den strijd tegen
de Turken, zal de hoofden der vorsten genoeg verhitten en de paus
zal het ook benauwd krijgen, als hij de lange reeks klachten van de
rijksvorsten over de geestelijkheid verneemt."
"Zou men den heiligen Vader die belasting toestaan?" vraagde Nützel.
De stadssecretaris haalde de schouders op. "Men stelt hier den
eenen eisch tegenover den anderen. Als de paus aan de klachten der
Duitschers geen gehoor geeft, kan hij elke gedachte aan een oorlog
tegen de Turken gerust op zijde zetten. Ik voor mij geloof trouwens,
dat de Turken slechts een voorwendsel zijn, om op nieuw geld uit de
zakken der Duitschers te kloppen, nadat Luther voor de aflaatkramers de
markt heeft bedorven. De bedoelde Turken zullen wel in Italië huizen."
"Nu gij toch van Luther spreekt," zei Dürer, "zal het mij benieuwen
of zijn zaak in den Rijksdag zal worden behandeld."
"In den Rijksdag?" vraagde Spengler. "We hebben genoeg andere zaken
te behandelen, maar als het mocht gebeuren, ben ik overtuigd, dat
de keurvorst van Saksen zich het lot van zijn landgenoot wel zal
aantrekken, want Luther staat bij hem hoog in de gunst."
Nu het gesprek op de theologie was gekomen, raakten zij daarin zoo
ernstig verdiept, dat de lange rit hun bijzonder kort scheen.
Bij de poort van Augsburg scheidden zij om elk hun logies op te zoeken:
Kaspar Nützel begaf zich naar het paleis van den rijken Fugger,
Lazarus Spengler naar zijn collega Konrad Peutinger en meester Dürer
naar het Augustijnerklooster te St. Ulrich.
De Neurenberger vertegenwoordigers behoorden tot de eerste, die te
Augsburg verschenen. Elken dag kwamen er nu meer: de Duitsche vorsten
en prelaten verschenen met hun gevolg, allen in statigen optocht en
eindelijk kwam Zijn keizerlijke Majesteit.
Den volgenden dag kwamen allen, nadat zij gezamenlijk de mis hadden
bijgewoond, met den keizer bijeen in de groote zaal van het paleis
en de Rijksdag was geopend.
Eenigen tijd daarna keerde meester Dürer in opgewonden stemming
naar het klooster terug en deelde aan de monniken mede, dat hij
overmorgen voor Zijn Majesteit moest verschijnen, om diens portret
te maken. De monniken verheugden zich niet weinig hierover, en waren
nu nog trotscher op hun gast, met wien zij reeds tegenover andere
geestelijke orden hadden gepronkt.
Des Maandags na den dag aan Johannes den Dooper gewijd, werd meester
Dürer in het keizerlijk paleis ontboden.
Zijn hart klopte luid: nu zou hij de eer hebben, hem, den machtigen
keizer van het groote Duitsche Rijk, te mogen afbeelden, den vorst,
voor wien hij ook als liefhebber en beschermer der kunst hooge
achting koesterde.
Met den dienaar, die hem begeleidde, ging hij door den tuin van het
paleis en trad, langs de menigte keizerlijke hofbeambten en dienaren
met hun van goud schitterende livreien, op het voorportaal toe. Zij
gingen de breede trap op, door een zaal heen en kwamen daarna aan
klein kamertje. De bediende opende de deur en liet Dürer binnen,
die nu voor Zijn keizerlijke Majesteit stond.
Toen hij eerbiedig boog, kwam de keizer minzaam op hem toe en reikte
hem de hand.
"Wees welkom, lieve meester! Het is mij recht aangenaam hem, die mij
reeds zooveel genot heeft bereid, te mogen zien. Wilt gij nu maar
dadelijk aan het werk gaan om keizer Maximiliaans beeltenis aan de
wereld te laten zien."
Tegelijkertijd zette hij zijn fluweelen baret op, sloeg een lichten
mantel om en ging zitten. Dürer nam een papier te voorschijn en
teekende met houtskool het bijna levensgroote portret des keizers.
Nog geen uur was voorbijgegaan, toen de kunstenaar voor den
keizer boog, om hem te danken, dat het hem vergund was geweest den
hoogstgeplaatsten man der wereld in beeld te brengen. Hoogst verwonderd
stond de keizer op. "Hoe, zijt gij nu reeds klaar?"
Hij bekeek de teekening en zag toen zijn beeltenis, geniaal uitgevoerd,
zoo natuurgetrouw en zoo volkomen waar, dat hem een kreet van blijde
verrassing ontsnapte en hij in vervoering de hand des kunstenaars
greep om die hartelijk te drukken.
Dürer verzocht de teekening eerst mee naar huis te mogen nemen, om hier
en daar nog wat bij te werken; hij zou haar dan den volgenden dag aan
Zijn Majesteit zenden. De keizer keurde dit goed en liet den kunstenaar
niet vertrekken zonder hem nogmaals zijn bewondering te hebben betuigd.
Sedert dat oogenblik overstelpte men Dürer met arbeid, want door
dit portret was zijn tegenwoordigheid te Augsburg algemeen bekend
geworden. De rijke Patriciër, Jacob Fugger, noodigde Dürer uit bij hem
te komen om zijn portret te maken, en zoo deed ook een aanzienlijke
Augsburgsche dame, Sybilla Arztin. Een grootere opdracht gaf hem den
geleerden en kunstlievenden stadssecretaris en keizerlijken raadsheer
Dr. Konraad Peutinger, met wien hij later op zeer vertrouwelijken
voet kwam, omdat hij in hem iemand, die wat het godsdienstige betrof
het geheel met hem eens was, had gevonden. Zijn schetsboek vulde hij
met portretten van de belangrijkste personen, die hij gedurende de
zittingen van den Rijksdag in stilte teekende en waartoe behoorden:
Keurvorst Frederik van Saksen, Keurvorst Joachim I van Brandenburg en
diens zoon van denzelfden naam, de Paltsgraaf Frederik, Vorst Wolfgang
van Anhalt, Bisschop Bernard van Triënte, de Abten van St. Paul in
Lavanthal en van het klooster Heilsbronn. Het portret van Ridder
Ulrich van Hutten teekende hij zelfs tweemaal.
De Augustijner monniken van St. Ulrich drongen er bij den kunstenaar op
aan, dat hij een geschenk als herinnering zou achterlaten; vriendelijk
willigde hij hun verzoek in en schilderde de portretten van een groot
aantal kloosterlingen.
Vele weken waren sinds dien tijd voorbijgegaan.
Op een avond in het begin van Augustus kwam Dürer in bijzonder
opgewekte stemming thuis en vertelde hij aan tafel: "Vandaag is
mij weder een groote eer te beurt gevallen: de Aartsbisschop
van Maagdenburg en Mainz, primaat en eerste kanselier van het
Duitsche Rijk, die op den Rijksdag hier van den heiligen Vader den
kardinaalshoed heeft ontvangen, heeft mij bij zich ontboden en mij
gevraagd zijn portret te maken. Dat heb ik nu vandaag gedaan en
daarna hebben we nog eenige uren heel vertrouwelijk gepraat. Welk
een aangenaam man is hij! Met welk een liefde en verstand spreekt
hij over de kunst, waarvoor hij geen geld ontziet! Hij heeft een
aanzienlijke schat reliquieën in zijn kerk te Halle bijeengebracht
en voor het portret, waarover hij uiterst tevreden is, heeft hij mij
terstond twee honderd gouden guldens uitbetaald, en mij nog twintig
el damast gegeven voor een kleed, dat ik juist noodig heb."
"En ziet, er is mij heden nog iets anders overkomen. Het is mij weer
vergund geweest bij den keizer te verschijnen om met hem te spreken
over den triomfwagen, dien ik voor hem heb geteekend. Er waren juist
veel vorsten bij hem, die allen even minzaam tegen mij waren. De keizer
wilde, dat ik een ridderhelm zou teekenen en toen ik daarmee bezig
was, kwam hij er bij, nam het stuk houtskool uit mijn hand en zei,
dat hij het zelf ook eens wilde probeeren. Maar terwijl hij zijn
best deed, brak het stuk houtskool herhaaldelijk en het wilde in
het geheel niet gelukken--hij gaf het mij dus maar weer terug en ik
maakte de teekening gauw af. De keizer moest er om lachen en vraagde:
"Hoe komt het toch, dat bij mij de houtskool voortdurend breekt en bij
u nooit?" En omdat de keizer zoo minzaam en gewoon met mij praatte,
werd mijn moed groot en ik antwoordde: "Allergenadigste Keizer,
ik zou niet wenschen, dat Uw Majesteit even goed kon teekenen als ik.""
De toehoorders zagen elkaar daarop bedenkelijk aan en een hunner zeide:
"Dat was een haastig, onbedacht woord. Hoe nam de keizer het op?"
Dürer glimlachte. "Hij begreep, dat ik er mee wilde zeggen: Gij,
Keizer, hebt over een ander rijk te gebieden en moeilijker plichten
te vervullen dan één van ons. Daarom reikte hij mij vriendelijk de
hand en ik mocht heengaan, zonder in ongenade te zijn gevallen."
De prior was onder Dürers verhalen stil geworden; nu nam hij het
woord en sprak:
"Ik begrijp, dat 's keizers gunst u verheugt en gelukkig maakt en ik
verblijd mij daarin met u; maar het verbaast mij, dat de vriend en
volgeling van Luther met zooveel lof over diens tegenstander spreekt
en hem met zijn kunst dient. Is het niet juist kardinaal Albrecht,
die den eersten stoot aan de geheele beweging heeft gegeven, toen
hij Tetzel uitzond met die aflaatkist?"
Dürer zag den prior een oogenblik ontsteld aan, daarop sprak hij: "Ik
heb wel gedacht aan hetgeen de kardinaal, wat den aflaat betreft, heeft
gedaan en het diep betreurd. Het is jammer, dat de man zich daarmee
heeft afgegeven. Hij is overigens zulk een kiesch, uiterst ontwikkeld
en hoogdenkend man, een vriend van kunsten en wetenschappen. -- -- --"
"En een verkwister!" viel de prior hem met donkeren blik in de
rede. "Zijn geldbuidel is altijd leeg en hij heeft Tetzel uitgezonden
alleen om zijn beurs te vullen."
"Misschien heeft hij niet geweten, wat hij deed," zei Dürer
verontschuldigend, "en is daarom op hem het woord van onzen Heiland
van toepassing, dat men het hem moet vergeven. Misschien heeft hij zelf
het verkeerde reeds ingezien en stelt hij perk aan dien afschuwelijken
handel. Mij dunkt, dat hij meer vorst dan bisschop is en van de leer
der kerk niet veel weet, zooals vele anderen, die den bisschopsstaf
dragen. Indien hij het bestuur over wereldsche aangelegenheden had,
dan -- -- --"
Hier werd de spreker in de rede gevallen door een monnik, die met een
uitdrukking van schrik en toorn op het gelaat, naar binnen stortte
en riep: "Er loopt een slechte tijding door de stad: de leeuw heft
den klauw omhoog, om den adelaar te verscheuren."
Plotseling stonden allen van hun zitplaatsen op en verdrongen zich
om den binnengekomene met de vraag, wat dit moest beteekenen.
De monnik hief zijn gebalde vuisten omhoog en riep met donderende
stem: "Wee u, Leo, wanneer uw hand zich met het bloed der heiligen
bevlekt!--Gij moet dan weten, broeders, dat er uit Rome een gezant
van den paus is gekomen, om Luther te bevelen binnen zestig dagen
voor den pauselijken stoel te verschijnen--dat beteekent dus: in een
gevangenis te verdwijnen--en den paus nog dankbaar den voet te kussen
voor de genade, dat hij hem den brandstapel heeft bespaard!"
Er ontstond een groote opgewondenheid; aller gelaat gloeide en men
sprak wild door elkaar, want de Augustijner monniken van St. Ulrich
te Augsburg hadden allen partij gekozen voor hun Wittenberger
kloosterbroeder en waren trotsch op hem.
Dürer was eveneens diep getroffen. Hij ging naar zijn slaapvertrek
en legde zich te bed, om daar lang tot God te bidden en den bedreigde
in de bescherming des Almachtigen aan te bevelen.
Er heerschte een geweldige oproerigheid in Augsburg gedurende de
volgende dagen en de pauselijke gezant zag welk een groot deel van
het volk op Luthers hand was.
De opgewondenheid bedaarde dan ook niet, voordat men over Luthers
lot gerust kon zijn, omdat zoowel de Universiteit van Wittenberg als
de keurvorst Frederik van Saksen, voor den monnik beslist in de bres
waren gesprongen en het hadden doorgezet, dat zijn zaak op Duitsch
grondgebied zou worden uitgevochten en wel te Augsburg op den Rijksdag,
terwijl de pauselijke gezant, kardinaal Cajetanus, tegen wil en dank
zich bereid moest verklaren, aldaar den ketter te woord te staan.
Men was daarmee tevreden gesteld; vooral ook nu de pauselijke
zaakgelastigde, den keurvorst op diens aandringen, had beloofd met
zachtmoedigheid en rechtvaardigheid tegenover den Augustijner monnik
te werk te gaan.
Brandend van ongeduld wachtte Dürer het oogenblik af, waarop de man
Gods, die zijn ziel uit groote benauwdheid had gered, Augsburg zou
betreden; hij hoopte hem dan met eigen oogen te zien en misschien
zelfs met hem te spreken.
Maar de eene week na de andere verliep en Luther verscheen niet--men
hoorde zelfs beweren, dat hij pas zou komen wanneer de Rijksdag al
het andere zou hebben behandeld, en dat was nog heel veel. Dürer
kon evenwel tot zijn groote spijt zoo lang niet wachten; hij had van
huis tijdingen ontvangen, die hem tegen de helft van September naar
Neurenberg riepen.