Dicht naast de groeve, waar de oude goudsmid, meester Dürer, op het
Sebaldus-kerkhof rustte, was een nieuwe grafkuil geopend en daarin
werd op St. Liborius, den 17den Mei van het jaar 1514, een lijkkist
neergelaten.
Het was Vrouwe Barbara, de weduwe van den ouden meester, die men
ten grave bracht. Velen waren op de begraafplaats tegenwoordig om
de gestorvene de laatste eer te bewijzen en hun deelneming aan de
achterblijvenden te betoonen. De kapelaan van de St. Sebalduskerk sprak
bij de groeve de gebruikelijke gebeden en het gild der meesterzangers
besloot de plechtigheid met een vroom lied.
Daarna verlieten allen het kerkhof, behalve de beide geestelijke
zusters, die op den grafheuvel bleven om te waken en te bidden voor
het zieleheil der afgestorvene en de nagelaten betrekkingen, die met
een traan in het oog toezagen, hoe de doodgraversknechts de groeve
verder vulden. Deze treurenden waren: meester Dürer met zijn vrouw en
zijn beide broeders, Andreas en Hans. Andreas was kort geleden uit
den vreemde naar Neurenberg teruggekeerd, om zich daar als meester
in het goudsmidsgilde te laten opnemen. Hij was nog juist bij tijds
gekomen om den laatsten zucht zijner moeder op te vangen en nog door
haar te worden gezegend.
Zwijgend verlieten zij te zamen, nadat alles was afgeloopen, de
gewijde plaats.
Juist toen zij het huis op het Tiergärtnerplein wilden binnengaan kwam
hen een man tegemoet, wiens schoenen grijs van het stof waren en die,
beleefd groetend, zijn hoed afnam. Verrast keek Dürer op, en er kwam
plotseling een andere uitdrukking in zijn oogen, als een zonnestraal
uit donkere wolken. "Zijt gij het, beste Schäufelein? Hoe had ik dat
kunnen denken!"
Schäufelein schudde hem de hand. "Ach, dat ik u zoo moet terugvinden,
lieve meester! Ik hoopte allen vroolijk en wel hier te zullen ontmoeten
en nu zie ik een diep bedroefd man voor mij! Ik neem hartelijk
deel in uw leed--de Heer trooste u!" Men ging naar binnen--de nieuw
aangekomene begroette nu ook de anderen en betuigde zijn blijdschap
ook Andreas terug te zien. Daarna vraagde hij dringend alles omtrent
de afgestorvene te mogen hooren, want hij had haar hartelijk liefgehad
en het deed meester Dürer goed, zijn hart aan een deelnemen den vriend
te kunnen uitstorten.
"Gij moet weten," begon hij, "dat verleden jaar dinsdags voor de week
voor Paschen, mijne arme moeder plotseling zoo ernstig ongesteld werd,
dat wij de deur harer kamer moesten openbreken, omdat wij, daar zij
zelf niet kon opendoen, anders niet bij haar konden komen. Wij brachten
haar in een benedenvertrek en men voorzag haar van de H. Sacramenten
der stervenden, want iedereen dacht, dat zij zou heengaan. Sedert
vaders dood was zij nog al gezond geweest, ofschoon zij vroeger wel
eens had gesukkeld, ja, zelfs een aanval van de pest te doorstaan had
gehad en nog vele andere wederwaardigheden en verdriet had ondervonden,
die zij steeds met groote zachtmoedigheid en zonder eenige bitterheid
had verdragen. Och, zij was toch een bijzonder vrome vrouw! Gij weet
zelf hoe trouw zij ter kerke ging en hoe liefderijk zij voor mij en
mijn broeder heeft gezorgd en ons steeds vermaande vroom en rein van
handel en wandel te blijven. Haar barmhartigheid en zelfverloochenende
liefde jegens alle menschen kan ik nimmer genoeg prijzen en geen
wonder, dat zij bij allen bemind was.
"Evenwel nadat zij ten volle was bediend, is zij toch nog niet
gestorven, maar is zij nog meer dan een jaar ziek gebleven, totdat
zij gisteren, twee uur voor middernacht, als een ware Christin is
gestorven, voorzien van alle sacramenten met absolutie van pijn en
schuld, door de macht aan den paus geschonken. Voordat zij stierf,
gaf zij mij haar zegen, wenschte zij mij den vrede Gods toe en gaf
mij vele ernstige vermaningen om de zonde te ontvlieden. Zij wenschte
nog den Johanneszegen [22] te drinken, wat zij ook deed. Zij heeft een
moeilijken doodsstrijd gehad en ik bemerkte, dat zij iets vreeselijks
zag, want zij begeerde wijwater, nadat zij in langen tijd niet had
gesproken. Toen braken haar oogen en ik zag, dat zij tweemaal hevige
schokken kreeg en dat zij haar mond en oogen van pijn toekneep. Ik
bad luide voor haar en mijn hart leed daarbij onnoemelijk veel! God
zij haar genadig!"
"Ave, pia anima!" fluisterde Schäufelein vroom en hij begon daarop
ook de afgestorvene te prijzen en zooveel goeds van haar te zeggen,
dat zoowel meester Dürer als de anderen de tranen in de oogen kregen.
Later, nadat de maaltijd was afgeloopen, zonder dat er veel
woorden waren gewisseld, moest Schäufelein vertellen, wat hem zelf
gedurende zijn afwezigheid was wedervaren. Hij had daarbij opmerkzame
toehoorders, die zich hartelijk over al het goede, dat zijn deel
was geweest, verheugden en over zijn vooruitgang op het gebied der
kunst. Met gespannen aandacht luisterde Dürer, toen hij vertelde, dat
hij ook te Rome was geweest en hem had gezien, dien allen verafgoodden,
den heerlijken Rafael.
"Hoe?" riep Dürer, "hebt gij hem van aangezicht tot aangezicht
gezien? O, wat zijt gij gelukkig! Reeds lang heb ik vurig verlangd
hem te mogen aanschouwen, hem, den eenige, den onvergelijkelijke,
den lieveling des pausen en den bewonderde der gansche wereld!"
Er kwam een bijzondere glans in Schäufeleins oogen. "Hoor, hoe twee
groote mannen denzelfden wensch koesteren! Want gij moet weten, dat
Rafael eveneens vurig verlangt hem te zien, dien hij den Duitschen
Apelles noemt."
Een hoogrood bedekte Dürers gelaat, en zijn oogen werden vochtig,
terwijl hij halfluid vraagde: "Hoe weet gij dat?"
"Uit zijn eigen mond," verzekerde Schäufelein. "Ik had den toegang tot
zijn werkplaats gekregen en mijn hart begon sneller te kloppen, toen
ik onder de vele schilderijen, ook verscheidene bekende tegenkwam,
met het monogram A. D. En toen ik zeide, hoezeer mij dat verraste
en verheugde, omdat ik langen tijd bij meester Dürer als gezel was
werkzaam geweest, greep Rafael op eens mijn hand en sprak: "O, dan zijt
gij mij dubbel welkom en mijn blijdschap zou volkomen zijn geweest,
als hij u had vergezeld." Toen heeft hij u nog hoog geprezen en mij
verteld, dat hij reeds door Marcantonio Raimondi, die sedert vier
jaren zijn werken op koper graveert, de uwe had leeren kennen. Deze
is het ook, die uw kleine Passie op koper heeft nagegraveerd en nog
meer andere werken. En luister; ik wil u nog iets zeggen" en daarbij
schoof hij zijn stoel nog wat nader: "Ik zag in Rafaels werkplaats
een tekening, die bijna voltooid was, en waaraan hij juist bezig
scheen geweest. Ternauwernood durfde ik mijn oogen vertrouwen,
want wat zag ik daar? Het was een kruisdraging van den Heer Jezus,
bijna geheel zooals gij die hebt voorgesteld in de groote Passie. De
Heiland onder het kruishout neergezonken en steunend op zijn arm,
scheen mij volkomen gelijk behandeld zoo als gij het deed, lieve
meester. Eveneens de overige figuren en de rangschikking; het kwam
mij voor, dat Rafael u daarin heeft gevolgd. In elk geval heeft hem
uw werk voor den geest gezweefd en zijt gij zijn voorbeeld geweest."
Bewogen greep Dürer Schäufeleins hand: "O, ik dank u, beste
Schäufelein, ik dank u! Wat gij mij daar zegt is als een lichtstraal in
den nacht van mijn rouw. Maar nu is mijn begeerte, om dien heerlijken
kunstenaar te zien, nog grooter geworden. Ach, dien wensch zal ik
mede in het graf moeten nemen, want hoe zouden Neurenberg en Rome
bij elkaar kunnen komen?"
En nu drong Dürer er bij Schäufelein op aan, hem nog meer van Rafael
te vertellen, van zijn uiterlijk en zijn werken, van zijn verhouding
tot den paus en van zijn leven, totdat Wilibald Pirkheimer en andere
vrienden en vriendinnen kwamen om hun deelneming aan de treurenden
te betuigen.
Intusschen ging Schäufelein met Hans en Sebaldus Beham, den gezel,
die juist uit de stad was thuis gekomen, in Dürers werkplaats en hij
werd niet moede te hooren van alles, wat de meester in de laatste
jaren, sedert de beide gezellen waren ontslagen, had gewerkt. Hans
kwam er nooit mee klaar; want telkens als hij dacht alles te hebben
opgenoemd, schoot hem weer iets te binnen, dat hij had vergeten. "Het
is een onuitputtelijke bron," zei Schäufelein eindelijk. "Mogen al de
lieve heiligen, die hij in zijn werken verheerlijkt, hem beschermen
en sterken en hem nog vele jaren levens schenken!"-- -- --
Er was bijna een jaar na deze gebeurtenis voorbijgegaan, toen bij
Dürer een vreemdeling binnentrad, wiens uiterlijk zijn zuidelijke
afkomst verried, want twee ravenzwarte oogen keken uit zijn gebruind
gelaat en dik, zwart, krullend haar golfde om zijn slapen.
"Wees gegroet, Heer!" sprak hij met een beleefde buiging. "Zijt gij
meester Albrecht Dürer?"
"Die ben ik," antwoordde de aangesprokene. "Wat wenscht gij van mij?"
"Ik kom van zeer ver," zeide de man, "het is een lange weg van
Rome naar Neurenberg. Ik breng een boodschap van meester Rafael aan
meester Dürer."
"Wat zegt gij?" riep Dürer, wiens penseel uit zijn hand viel. "O wees
welkom onder mijn dak. Wat zendt mij de meester aller meesters?"
"Zijn groet en ook dit," antwoordde de man, terwijl hij een rol papier
uit zijn tasch nam. "Het heeft slechts kleine waarde," sprak hij,
die mij tot u zond, "maar meester Dürer zal het vriendelijk van mij
willen aannemen, als hij hoort, hoe hartelijk ik verlang hem iets
van mijn hand te geven."
Met bevende vingers vouwde Dürer den rol open en aanschouwde een met
rood krijt geteekende figuur in krijgsdos. Zijn oogen bleven met
een teedere uitdrukking er op rusten; met diepen eerbied vervuld,
beschouwde hij deze teekening van den grooten man.
Na een lang stilzwijgen sprak hij: "Ik wil hem danken en gij, gij zult
ook mijn boodschapper zijn. Blijf nog eenigen tijd om de stad te zien,
dan zal ik u weder laten teruggaan met mijn tegengeschenk."
Zes dagen later was Rafaels boodschapper weder gereed voor de
terugreis. In zijn reistasch had hij den dank van den Duitschen meester
geborgen; Dürer wilde Rafael niet de een of andere teekening, die
hij had liggen, zenden, maar zich zelf; hij wilde den buitenlandschen
meester niet alleen iets van zijn hand laten zien, maar zijn beeltenis
zoodanig op doek geschilderd, dat het op beide kanten zichtbaar was.
Een schittering kwam in Rafaels oogen, toen hij hem zag, dien hij zoo
hoog vereerde, en tot zijn dood toe hield hij het portret in hooge eer.