Op een Januaridag van het jaar 1512 heerschte er groote bedrijvigheid
in Pirkheimers huis. De meiden en de kok waren druk bezig in de keuken
en de heerlijke geur, die zich van daar uit verspreidde, verried, dat
er uitgezochte spijzen werden toebereid. Evenveel drukte heerschte er
in den wijnkelder, terwijl vier bedienden in de groote zaal de tafel
dekten. De heer des huizes was weder voornemens eenige gasten aan den
maaltijd te vereenigen, een gewoonte, die hij had aangenomen sinds
zijn vrouw was overleden en hij zich eenzaam en verlaten gevoelde.
Gewoonlijk was het aantal genoodigden niet groot, maar daarom
des te meer uitgezocht. Hij verzamelde aan zijn tafel mannen, die
hoog stonden op geestelijk gebied en met wie deze wetenschappelijk
uitstekend ontwikkelde, fijngevoelende en voor het schoone bezielde
man, naar hartelust kon redeneeren.
Meester Dürer was altijd de eerste, die een uitnoodiging kreeg, want
de vriendschapsbanden, die de beide mannen vereenigden, waren met de
jaren nog vaster geworden. Het was opmerkenswaardig, dat Pirkheimer,
die door zijn trots, zijn onverbiddelijkheid en heftigheid zich vele
vijanden maakte en zich in den raad nooit bijzonder bemind had weten
te maken, ja, zich zelfs de haat van velen op den hals had gehaald,
met Albrecht Dürer steeds in de hartelijkste verhouding leefde;
nooit zweefde er een wolkje aan den hemel hunner vriendschap.
Pirkheimer stond voor het venster te wachten op den bediende, dien
hij naar de Tiergärtnerstraat had gezonden om zijn vriend dringend
te verzoeken, de weigering op zijn uitnoodiging in te trekken. Het
was de eerste maal dat Dürer zich had laten verontschuldigen.
Eindelijk kwam de knecht terug, doch hij bracht hetzelfde antwoord
mede: Meester Dürer was zoo overstelpt met werk, dat hij zich het
genoegen om te komen moest ontzeggen.
Pirkheimer vernam met leedwezen deze boodschap en hij had nu maar
half pleizier in den maaltijd.
Dürer had het werkelijk overdruk. De raad had hem de eervolle
opdracht gedaan, om de zaal, waar de rijkskleinoodiën. gedurende
de tentoonstelling te zien waren, te versieren met twee levensgroote
portretten van Karel den Groote en van Keizer Sigismund, den souverein,
die Neurenberg had uitverkoren tot bewaarplaats dezer schatten.
Reeds lang was Dürer bezig aan de voorbereidende studies voor deze
schilderijen, toen in het begin van het jaar 1512 het bericht kwam,
dat keizer Maximiliaan van plan was in het voorjaar zijn intocht te
Neurenberg te houden, en eenigen tijd binnen de muren zijner trouwe
Rijksstad te vertoeven.
Om nu tegen dien tijd klaar te kunnen zijn, werkte Dürer van den
vroegen morgen tot den laten avond en met zooveel haast, dat zijn
vrouw zich ongerust over hem maakte, want zijn wangen werden steeds
bleeker, spijs en drank smaakten hem niet en een zenuwachtige onrust
beletten hem 's nachts het slapen.
In het laatst van Januari was het portret van Keizer Sigismund
een goed eind op streek, maar toch nog niet geheel af. Hij had het
gelaat, om het zoo getrouw mogelijk naar waarheid weer te geven,
naar een wapenzegel geschilderd, wat evenwel niet voordeelig voor het
portret was, want de lange, spitse neus was niet bepaald bekoorlijk te
noemen. Voor 't overige was Keizer Sigismund ook slechts als bijfiguur
bedoeld en eischte daarom een minder zorgvuldige uitvoering; al zijn
krachten wilde de kunstenaar besteden aan het hoofdfiguur, den grooten
Karel, wiens gestalte nog slechts in schets was ontworpen en waaraan
Sebaldus Beham, zijn nieuwe gezel, hem volstrekt niet behulpzaam
mocht zijn.
Daar kwam op eens het bericht, dat de keizer reeds den 4den Februari
zou komen en dus was alle haast en overijling te vergeefs geweest
en teleurgesteld legde Dürer de penseelen terzijde om zich en zijn
huis voor de komst des keizers gereed te maken, want zelfs in het
kleinste straatje werden de woningen feestelijk versierd. Het was
inderdaad verwonderlijk, hoe op eenmaal te midden van de sneeuw de
straten in groenen voorjaarsdos pronkten, waartoe men het Lorenzer-
en Sebalderwoud had geplunderd.
Natuurlijk waren die straten, waarlangs de keizer zijn intocht
zou houden, het fraaist versierd: van de Spittlerpoort door de
Smidstraat naar het plein, waarop de St. Jacobskerk stond, vandaar
naar de Koornmarkt en over de Vleeschbrug naar de Heerenmarkt, en dan
over de Visch- en Zoutmarkt naar de Veste. De poort was geheel met
dennengroen versierd en van het bovenste gedeelte wapperden bonte
vlaggen en wimpels en daarmee wedijverden alle huizen en kerken,
langs welker steile gevels het groen zich als klimop naar boven
slingerde. Het schoonst van alles was de eerepoort bij de Veste, op
welker gevel sierlijke godenbeelden het keizerlijke wapen vasthielden,
waarboven de keizerlijke vlag met den adelaar zich trotsch verhief.
Van hier tot aan de Spittlerpoort hadden de gilden in vol ornaat en
de vertegenwoordigers der aanzienlijke families post gevat, terwijl
al de leden van den raad voor de poort den keizer opwachtten.
Om negen uur in den morgen zag men in de verte de voorhoede van den
keizerlijken stoet aangekomen en dadelijk begonnen al de klokken te
luiden en weerklonk het geknal der donderbussen en het geschal der
trompetten van de stadshoornblazers om aan het volk in de stad te
verkondigen: Hij is in aantocht!
Maar nadat de voorste ruiters de poort waren binnengereden, duurde het
nog geruimen tijd, voordat de keizerlijke Heer zelf verscheen. Daar
kwam hij! Een zwarte hengst droeg de hoog opgerichte gestalte, een
echt ridderfiguur,--zijn oogen zagen trotsch om zich heen, doch zijn
mond glimlachte minzaam.
Bij de poort hield hij zijn paard in om den welkomstgroet van den raad
te ontvangen, daarop bewoog zich de stoet, na enkele woorden van dank,
onder het eindeloos gejubel van het volk, dat zich gedeeltelijk ook
plaats had verschaft op de daken, door de verschillende straten naar
de Veste, waar Zijn Majesteit verblijf zou houden.
's Middags verscheen Keizer Maximiliaan met zijn gevolg op het
raadhuis, waar in de groote zaal een feestmaal was gereed gemaakt,
en het behaagde hem daar te blijven tot laat in den avond.
Den volgenden morgen zag men een statigen man, met een edel, bezield,
fijnbesneden gelaat van de Veste komen. Het was Johannes Stabius,
Zijner Majesteits Kroniekschrijver en vertrouwd raadgever, een door
en door geleerd man, die ook groote mathematische kundigheden bezat
en als dichter veel lauweren had verworven. Hij richtte zijn schreden
westwaarts, naar het plein bij de Tiergärtnerpoort en liet op Dürers
huisdeur den klopper driemaal vallen.
De meester, die hem had zien aankomen, snelde de trap af en deed zelf
de deur voor hem open.
Beide mannen vestigden een onderzoekenden blik op elkaar en op elks
gelaat was de achting, die de een den ander inboezemde, te lezen.
De gezant des Keizers gaf zijn innige vreugde te kennen, dat het hem
nu vergund was, kennis te maken, met een man, wiens roem wijd en zijd
was verbreid en meester Dürer, wederkeerig, boog eerbiedig voor hem,
wien het was vergund zich in den zonneschijn van 's Keizers gunst
te koesteren.
Stabius verzocht meester Dürer, die hem uitnoodigde in de pronkkamer
te gaan, hem naar zijn werkplaats te brengen en nadat hij over het
daar aanwezige schilderwerk zijn groote bewondering had uitgesproken,
nam hij naast den meester plaats en deelde hem mee, dat hij niet alleen
was gekomen om den alom gevierden kunstenaar te zien, maar ook op bevel
van Zijn Majesteit, uit wiens naam hij hem een opdracht kwam doen.
"Waarschijnlijk weet gij, waarde meester, dat de keizer zich met vlijt
en ijver op kunsten en wetenschappen toelegt en hoe ingenomen hij is
met alles, wat den geest ontwikkelt en het hart verheft. Menig dichter
en kunstenaar heeft hij den spoorslag gegeven tot nieuwe scheppingen
en zelf hen daartoe in de gelegenheid gesteld. Nu heeft hij een plan,
dat moet dienen tot zijn eigen verheerlijking: er moet een kunstwerk,
dat alle andere van dezen aard in pracht en grootte moet overtreffen,
worden geleverd. Zelf heeft hij het "den Triomf" genoemd en hij wil,
dat het in twee werken wordt uitgevoerd; het eerste moet een eerepoort
en het tweede een triomftocht voorstellen. En u heeft hij uitgekozen
om het kunstwerk te volbrengen, waarde Meester Dürer--daarom vraag
ik u nu, of gij daartoe geneigd zijt." Dürer boog eerbiedig en drukte
zijn dankbaarheid uit over de eer hem bewezen. Daarna vraagde hij op
welke wijze en in welken vorm zijn keizerlijke Majesteit het kunstwerk
wenschte uitgevoerd.
"De keizer wil, dat gij er een houtsnede van maakt," antwoordde
Stabius, "en de oppervlakte moet ongeveer tien voet in de hoogte en
negen in de breedte bedragen."
In zijn hart was Dürer ontsteld, toen hij dit hoorde. In der
haast berekende hij, dat daartoe tachtig of negentig stukken hout
(beukenhout), die aan elkaar moesten worden gevoegd, noodig zouden
zijn. Doch juist dit moeilijke van de opdracht had een bijzondere
bekoring voor hem, en daarom herhaalde hij zijn bereidwilligheid om
aan 's keizers wensch te voldoen. Stabius drukte hem hartelijk de
hand en bleef nu nog eenigen tijd.
De beide mannen waren spoedig in een gesprek verdiept en Dürer leerde
in Stabius iemand kennen, die een scherp verstand en uitgebreide
kennis bezat, vol geestdrift voor en verstand van de kunst, met wien
het een waar genot was om te praten. Den volgenden avond verscheen
Stabius weder en zoo ging het al de volgende dagen, zoo lang de keizer
in Neurenberg vertoefde; en er ontstond tusschen den geleerde en den
kunstenaar een innig vriendschappelijke verhouding, waarvan Pirkheimer
bijna jaloersch werd. Ja zelfs, toen de keizer eindelijk vertrok,
liet hij zijn raadgever, op diens verzoek, achter, om meester Dürer
behulpzaam te zijn bij de plannen voor de eerepoort.
Dürer begon nu spoedig met de voorbereidende werkzaamheden, maar hij
kon slechts enkele uren per dag daaraan besteden, want eerst moesten
de beide keizersportretten klaar zijn. Dat gebeurde spoedig daarop
en de stad bezat nu weer een kleinood meer. Vooral de beeltenis van
Karel den Groote was boven allen lof verheven.
Toen Stabius het schilderij na de voltooiing zag, trad hij ontroerd een
schrede achteruit; hij herkende in het gelaat zijn eigen trekken! De
hand van den kunstenaar, in wiens hart de beeltenis van zijn vriend
leefde, had onwillekeurig dat beeld op het doek gebracht.
Nu had Dürer meer tijd om zich aan de keizerlijke opdracht te
wijden. Maar deze hield zooveel in, dat er jaren verliepen, voordat
de teekeningen zoover waren, dat zij aan den houtsnijder konden worden
toevertrouwd, vooral omdat er zooveel ander werk tusschen door liep.
Wederom was geheel Neurenberg één en al verbazing en verwondering. Zoo
iets had men nog nooit gezien! Op tweeënnegentig stukken hout, die aan
elkaar waren gevoegd, had Dürer, met onvergelijkelijke nauwkeurigheid,
de teekening met pen en potlood gemaakt, om haar daarna voor het
snijden aan den bekwaamsten kunstenaar op dat gebied, Hieronymus
Andree toe te vertrouwen.
De teekening, die tien en een halven voet hoog en negen voet breed
was, stelde een eerepoort van drie bogen voor. De middelste, die ook
de grootste is, heet: "de poort der Macht en Eere," daarboven verheft
zich de stamboom van het Oostenrijksche huis naast 102 wapens van de
ondergeschikte landen. Boven de beide zijbogen, dien van den "lof"
en dien van den "adel" zijn, in vierentwintig teekeningen, voorvallen
uit het leven van Keizer Maximiliaan weergegeven.
Toen deze het werk te zien kreeg, drukte hij Stabius de beide handen,
alsof deze het was, die het had gemaakt en het was goed, dat Dürer
er niet bij was, anders had hij wel eens hoogmoedig kunnen worden
door dien bovenmatigen lof uit 's keizers mond.
Zijn Majesteit antwoordde hem met de toezegging van een jaargeld van
100 gulden, dat Dürer levenslang van de aan het rijk verschuldigde
stadsbelasting van Neurenberg zou worden uitbetaald.